Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ3893

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-10-2006
Datum publicatie
07-12-2006
Zaaknummer
R200600832
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De omstandigheid dat voldoende aannemelijk is dat er aan de zijde van de moeder sprake is van tenminste enig alcoholmisbruik tijdens een langere periode en het gegeven dat de nieuwe situatie van de moeder, gelet op de korte duur daarvan tot heden, thans (nog) niet als stabiel kan worden gekwalificeerd, brengt het hof tot het oordeel dat het vooralsnog in het belang van de minderjarige is dat de uithuisplaatsing wordt gecontinueerd. Het hof geeft aan het van groot belang te achten dat de stichting het initiatief neemt om overeenkomstig het verzoek daartoe van moeder serieus en objectief onderzoek te (laten) doen naar het vermeende alcoholmisbruik door moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

WG

04 oktober 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R06/00832

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

ten tijde van de indiening van het beroepschrift wonende te [woonplaats],

thans wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. Ph.C.M. van der Ven,

t e g e n

de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd en kantoorhoudend te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de stichting.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Roermond van 24 mei 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 17 juli 2006, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt voor zover de termijn van de machtiging van uithuisplaatsing van de hierna te noemen minderjarige daarbij is verlengd tot 1 juni 2007, en opnieuw rechtdoende te bepalen dat voor een uithuisplaatsing van de hierna te noemen minderjarige door de stichting onvoldoende bescheiden zijn overgelegd die een dergelijke maatregel rechtvaardigen, zodat het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing alsnog dient te worden afgewezen.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 september 2006. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Ter Meulen-Mouwen;

- namens de stichting, [A.], gezinsvoogdijwerker, en de heer [B.];

- als belanghebbende [C.], bijgestaan door mr. Emons.

Hoewel de heer [D.] als belanghebbende behoorlijk is opgeroepen, is hij niet ter zitting van het hof verschenen. Voorts is ondanks behoorlijke oproeping daartoe niemand namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad, ter zitting verschenen.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 9 mei 2006;

- het faxbericht met bijlage van de stichting d.d. 6 september 2006;

- het faxbericht van de stichting d.d. 11 september 2006, met als bijlage het rapport van de raad met betrekking tot [E.] d.d. 15 mei 2006.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De moeder is op 12 december 2000 gehuwd met de heer [D.]. Uit dit huwelijk is geboren:

- [F.] [D.], hierna te noemen: [F.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats].

In juni 2003 is het huwelijk van de moeder en de heer [D.] ontbonden door echtscheiding. Na het feitelijk uiteengaan van de moeder en de heer [D.] verbleef [F.] bij de moeder. De moeder en de heer [D.] oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [F.].

Later heeft de moeder een affectieve relatie gekregen met [C.]. Gedurende de relatie hebben de moeder en [C.] enige tijd samengewoond en verbleef ook [F.] in dit gezin. Uit die relatie is geboren:

- [E.], hierna te noemen: [E.], geboren op [geboortejaar] te [geboorteplaats].

[C.] heeft [E.] erkend. De relatie van de moeder en [C.] is medio 2006 geëindigd.

Het onderhavige hoger beroep heeft uitsluitend betrekking op [F.].

4.2. [F.] is bij beschikking van de rechtbank Roermond van 1 december 2004 voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld van de stichting. De ondertoezichtstelling is laatstelijk bij de bestreden beschikking met ingang van 1 juni 2006 met de duur van één jaar en derhalve tot 1 juni 2007 verlengd.

4.3.1. Voorts is aan de stichting bij beschikking van de rechtbank Roermond van 16 maart 2006 een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [F.] in een voorziening voor crisisopvang. Bij beschikking van 29 maart 2006 is machtiging verleend tot plaatsing in een voorziening voor crisisopvang, tot uiterlijk 1 juni 2006. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [F.] in een voorziening voor crisisopvang en aansluitend in een accommodatie van een zorgaanbieder voor geïndiceerde jeugdzorg verlengd tot uiterlijk 1 juni 2007.

De moeder kan zich niet verenigen met de verleende machtiging tot verlenging van de uithuisplaatsing en is daarvan in hoger beroep gekomen. Ter zitting is namens moeder nadrukkelijk opgemerkt dat zij geen bezwaar heeft tegen de ondertoezichtstelling.

4.3.2. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking onder meer overwogen dat uit het rapport van de raad blijkt dat niet aan alle belangrijke factoren die een rol spelen bij de opvoeding van een kind in de thuissituatie kan worden voldaan. De rechtbank is van oordeel dat er weliswaar sprake lijkt te zijn van een licht positieve ontwikkeling bij moeder en [C.], maar acht het nog te vroeg om [F.] nu reeds thuis te plaatsen.

4.3.3. De moeder bestrijdt dat er sprake is van een noodzaak voor uithuisplaatsing van [F.] in het kader van de verzorging en opvoeding. Tevens is zij van mening dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd met bescheiden.

De moeder stelt dat er aan haar kant geen sprake is van alcoholverslaving en onderbouwt deze stelling met het feit dat zij tweemaal vrijwillig bloedonderzoek heeft laten doen, waaruit bleek dat zij geen alcohol in haar bloed had en met een door haar overgelegde verklaring van de huisarts. De moeder ontkent uitdrukkelijk dat er bij [E.] sprake zou zijn van een zogenaamd “foetaal alcohol syndroom”. De moeder geeft aan dat zij graag wil meewerken aan onverwachte bloedafnames, zodat zij aan kan tonen dat er aan haar zijde geen sprake is van alcoholmisbruik. Bovendien is er ook bij de moeder van moeder, de oma van [F.] en [E.], geen sprake van alcoholmisbruik.

Voorts betwist de moeder dat zij de veiligheid van de kinderen in gevaar brengt door auto te rijden wanneer zij alcohol heeft gedronken. Weliswaar is zij éénmaal, en wel in 2004, aangehouden voor rijden onder invloed, doch dat rechtvaardigt niet een maatregel tot uithuisplaatsing. Zij ontkent voorts dat zij onvoldoende oppasmaatregelen treft wanneer zij weggaat.

Ook acht zij de stelling van de stichting dat haar pedagogische vaardigheden zwak zijn en dat ze weinig affectie heeft ten aanzien van haar kinderen, waaronder [F.], onjuist en niet aangetoond. Zij verwijst daartoe naar enkele passages uit het rapport van 29 september 2005 van de stichting, waaruit onder meer blijkt dat er voldoende affectie is tussen de moeder en [F.] en dat de moeder op een adequate, zorgzame manier met [F.] omgaat.

Voorts wijst zij er op dat de relatie met [C.] is verbroken en dat zij in [woonplaats] samenwoont met een nieuwe partner. Voorts geeft de moeder aan dat zij aldaar werk heeft en dat er op dit moment geen sprake meer is van schulden.

Tenslotte betwist de moeder dat zij onbetrouwbaar zou zijn in contacten met hulpverlening. Hoewel de stichting heeft gesteld dat zij een aantal afspraken tussen de moeder en de stichting in maart 2006 per brief heeft bevestigd, stelt de moeder dat zij deze brief niet kent en dat voor zover er afspraken waren tussen de stichting en haarzelf, deze van de zijde van de stichting niet werden nagekomen. De moeder heeft daartoe gewezen op de afspraak dat de stichting onverwachts bij de moeder op bezoek zou komen, zodat vast zou komen te staan of de moeder al dan niet alcohol gebruikte. De stichting heeft echter nagelaten zulks te doen.

4.3.4. De stichting brengt ter zitting naar voren dat er in de maart 2006 een positief beeld van de moeder bestond, reden waarom slechts een verlenging van zes maanden is gevraagd. Voorafgaand aan de zitting van 1 november 2006 echter rook de gezinsvoogdijwerker alcohol bij de moeder, reden waarom ter zitting een verlenging met één jaar is gevraagd. De stichting gelooft de moeder niet waar zij stelt geen alcoholprobleem te hebben. Zij verwijst daartoe naar het feit dat de moeder haar rijbewijs, dat is afgenomen wegens rijden onder invloed, nog steeds niet terug heeft gekregen. Voorts acht de gezinsvoogdijwerker het zorgelijk dat zij bij haar huisbezoeken [E.] altijd in bed aantrof. Vanuit de school vernam de stichting dat [F.] soms meer dan twee weken niet naar school ging. Ook op school constateerde men weinig affectie van moeder jegens [F.].

De gezinsvoogdijwerker constateert dat [F.] op dit moment nog steeds last heeft van de thuissituatie. Zij komt na ieder weekend terug bij het pleeggezin met belastende informatie over biertjes die gedronken worden en dat zij bang is voor haar oma [G.]. De moeder, haar nieuwe partner, met wie zij sinds medio 2006 samenwoont en de oma van [F.] hebben een anderhalf uur durend evaluatiegesprek met de gezinsvoogdijwerker gehad waarin afspraken gemaakt zijn. De moeder houdt zich daar niet aan. Met name houdt zij oma en haar partner niet op afstand. De stichting ziet een nieuwe afhankelijkheid bij de moeder ontstaan in de vorm van de nieuwe partner. Deze eist dat [C.] uit het leven van de moeder verdwijnt.

4.3.5. [C.] verklaart ter zitting dat hij ’s nachts wordt gebeld door de moeder en zij volgens hem dan dronken is. Hij beschikt over verklaringen van familieleden dat de moeder alcohol gebruikt en een losbandig leven leidt. De moeder heeft volgens hem twee alcoholtests in [plaatsnaam] gedaan waarbij alcohol is gevonden, zodat zij haar rijbewijs niet terugkrijgt. Zijn eerdere verklaringen in het nadeel van de moeder handhaaft hij. Hij had deze ingetrokken onder druk van de ex-partner van de moeder. Hij is het eens met de -verlengde- uithuisplaatsing.

4.4. Het hof overweegt als volgt.

4.4.1. Zowel in haar beroepschrift als ter zitting heeft de moeder betwist dat er harerzijds sprake zou zijn van alcoholmisbruik. Daarbij heeft de moeder aangevoerd dat de stichting haar stelling, dat de moeder overmatig alcohol zou gebruiken, niet heeft onderbouwd met enig bewijs, maar bij de aanname van deze stelling volledig is uitgegaan van vermoedens en geruchten, die naar de stelling van de moeder vooral door [C.] worden verspreid als reactie op het verbreken van de relatie met de moeder. Daarnaast heeft de moeder aangegeven dat het voor haar vrijwel onmogelijk is aan te tonen dat er geen sprake is van alcoholmisbruik, nu de gezinsvoogdijwerker na herhaaldelijke verzoeken daartoe geen contact heeft opgenomen met de huisarts van de moeder, terwijl de huisarts ervan overtuigd is dat er bij de moeder geen sprake is van alcoholmisbruik. Voorts doet de gezinsvoogdijwerker de negatieve resultaten van de op initiatief van de moeder afgenomen bloedtesten af met het argument dat de moeder zelf het tijdstip van het onderzoek heeft kunnen bepalen, zodat zij op dat moment uiteraard nuchter was.

Aan het hof is gebleken dat de moeder in het verleden is aangehouden wegens rijden onder invloed. Voorts heeft de gezinsvoogdijwerker verklaard voorafgaand aan de zitting van 1 november 2005 de geur van alcohol bij de moeder te hebben waargenomen en heeft de politie blijkens de evaluatierapportage van de stichting van 31 maart 2006 bij een incident tussen de moeder van de moeder en de broer van de moeder geconstateerd dat de moeder sterk onder invloed van alcohol verkeerde. Daarnaast blijkt uit de brief van [H.] mede namens kinderarts [I.] van 28 augustus 2006, gevoegd als bijlage bij de fax van de stichting d.d. 6 september 2006, dat de moeder reeds langer bekend zou zijn met alcoholmisbruik en dat met betrekking tot [E.] gedacht wordt aan een foetaal alcohol syndroom.

Het hof is van oordeel dat hoewel feitelijk en sluitend bewijs van structureel alcoholmisbruik in de onderhavige zaak ontbreekt, de voornoemde constateringen en feiten het thans voldoende aannemelijk maken dat er aan de zijde van de moeder sprake is van tenminste enig alcoholmisbruik tijdens een langere periode.

4.4.2. De moeder heeft voorts ter zitting naar voren gebracht dat haar persoonlijke situatie ingrijpend is gewijzigd, nu zij nadat de relatie met [C.] definitief is verbroken sinds medio 2006, in [woonplaats] samenwoont met een nieuwe partner en aldaar een baan heeft. Naar de stelling van de moeder heeft haar verhuizing niet alleen tot gevolg dat haar familie en met name haar moeder minder contact en daardoor minder invloed op haar kunnen hebben, doch ook dat de voorheen problematische relatie met [C.] niet alleen door de beëindiging van de relatie, maar ook door de afstand minder van invloed is op haar persoonlijke situatie. Bovendien zijn alle schulden van de moeder afbetaald met behulp van giften van de moeder van de moeder. De moeder is dan ook van mening dat aan alle voorwaarden voor thuisplaatsing zoals opgesomd in het raadsrapport met betrekking tot [E.] van 15 mei 2006 is voldaan, zodat de uithuisplaatsing van [F.] dient te worden beëindigd.

Aan het hof is uit de diverse rapportages gebleken dat [F.], en overigens ook [E.], veel hebben meegemaakt in het verleden. Aangezien [F.] nog een jong kind is, is het met name voor haar ontwikkeling op sociaal-emotioneel gebied van belang dat zij in een stabiele, rustige en veilige situatie kan verblijven. Hoewel de moeder heeft gesteld dat daarvan bij haar thans sprake is, is het hof van oordeel dat de nieuwe situatie van de moeder, gelet op de korte duur daarvan tot heden, thans (nog) niet als stabiel kan worden gekwalificeerd. Bovendien is naar het oordeel van het hof (nog) onduidelijk hoe deze nieuwe situatie zich zal ontwikkelen.

4.4.3. Nu het hof het thans voldoende aannemelijk acht dat er aan de zijde van de moeder sprake is van tenminste enig alcoholmisbruik en haar persoonlijke levenssituatie op het moment (nog) niet als stabiel kan worden aangemerkt, acht het hof het vooralsnog in het belang van [F.] dat haar uithuisplaatsing wordt gecontinueerd. Het hof zal de bestreden beschikking voor zover in hoger beroep aan de orde dan ook bekrachtigen.

4.4.4. Uit de diverse rapportages is het hof overigens gebleken dat de moeder zeer betrokken is bij [F.] en ook [E.] en dat zij hen goed verzorgde. Naar het oordeel van het hof dient er dan ook niet op voorhand van te worden uitgegaan dat [F.] niet op enig moment bij de moeder thuisgeplaatst zou kunnen worden. Om daarover een weloverwogen besluit te kunnen nemen, acht het hof het van groot belang dat de stichting het initiatief neemt om serieus en objectief onderzoek te (laten) doen naar het vermeende alcoholmisbruik door de moeder. Het hof wijst er in dat kader op dat de moeder zowel ter zitting alsook in haar beroepschrift expliciet heeft aangegeven graag te willen meewerken aan iedere vorm van onderzoek of controle, waaronder de zogenaamde CDT-test, teneinde de vermoedens van alcoholmisbruik weg te nemen. Daarnaast acht het hof het van belang dat de stichting de ontwikkeling van de persoonlijke levenssituatie van de moeder blijft volgen.

4.4.5. Gelet op hetgeen hiervoor onder overweging 4.4.3. is overwogen beslist het hof als volgt.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Roermond van 24 mei 2006 voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-Van der Weijden, Draijer-Udo en Philips en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 04 oktober 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.