Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ3512

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
01-12-2006
Zaaknummer
R200600275
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vrouw stelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die rechtvaardigen dat de echtscheiding wordt opgehouden, teneinde te bewerkstelligen dat tezamen met de nevenvoorzieningen op het echtscheidingsverzoek wordt beslist.

Het hof oordeelt dat er geen sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden:

- het maakt niet uit of de echtscheidingsbeschikking wel of niet is ingeschreven: blijkens de huwelijksvoorwaarden van partijen vindt verrekening in het geheel niet plaats nu een vordering tot echtscheiding “in rechte aanhangig” is.

- indien de man overlijdt ná inschrijving van de echtscheiding en vóórdat op de nevenvoorzieningen is beslist, heeft de vrouw voldoende financiële middelen om de door haar vermeende benadeling inzake pensioen op te vangen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 153
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WSdH

11 oktober 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200600275

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

de vrouw,

procureur mr. Z.J. Koedam,

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de man,

procureur mr. M.L.W. Weerts.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 december 2005, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 13 maart 2006, heeft de vrouw verzocht bij beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij de echtscheiding is uitgesproken en de behandeling van dit hoger beroep aan te houden tot de rechtbank een eindbeslissing over de door partijen gevraagde nevenvoorzieningen heeft genomen en dit appel tegelijk met een eventueel appel van de nevenvoorzieningen te behandelen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 2 mei 2006, heeft de man verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen en voormelde beschikking in stand te laten, met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 september 2006. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun raadslieden gehoord.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift;

- de brief met bijlagen van de procureur van de vrouw d.d. 27 maart 2006;

- het faxbericht met bijlage van de procureur van de vrouw d.d. 29 augustus 2006.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen zijn op 17 april 1990 met elkaar gehuwd.

Bij de beschikking van 13 december 2005 van de rechtbank 's-Hertogenbosch is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, is de beslissing met betrekking tot de verzochte nevenvoorzieningen aangehouden en zijn de proceskosten gecompenseerd.

De echtscheidingsbeschikking is thans nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4.2. De vrouw heeft in het petitum van haar beroepschrift het hof verzocht de echtscheiding te vernietigen en de behandeling van het hoger beroep aan te houden tot de rechtbank een eindbeslissing over de door partijen gevraagde nevenvoorzieningen heeft genomen en dit appel tegelijk met een eventueel appel van de nevenvoorzieningen te behandelen.

4.3. Het hof interpreteert voornoemd verzoek van de vrouw aldus dat zij de echtscheiding wenst op te houden, om zo te bewerkstelligen dat tezamen met de nevenvoorzieningen op het echtscheidingverzoek van de vrouw wordt beslist.

4.4. Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 2-4-1999, NJ 1999/656 en HR 9-4-1999, NJ 1999/657 en recent HR 20-1-2006, R05/111HR, LJN AU7513, FJR 2006, 69) kan, indien echtscheiding door de eerste rechter is uitgesproken voordat over nevenvoorzieningen is beslist, slechts op grond van bijzondere omstandigheden het hoger beroep worden gebezigd teneinde te bewerkstelligen dat de band tussen het verzoek tot echtscheiding en de verzochte nevenvoorzieningen wordt hersteld en dat tezelfder tijd wordt beslist op die verzoeken.

4.5. De vrouw is van mening dat er sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden.

Zij stelt hiertoe dat zij na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand geen aanspraak meer kan maken op een aantal bepalingen uit de tussen partijen op 9 april 1990 gesloten huwelijksvoorwaarden, die haar financiële positie beschermen.

4.5.1. Op grond van het artikel 13 lid 1 van de huwelijksvoorwaarden van partijen vindt er bij ontbinding van het huwelijk door de dood van één van de partijen verrekening plaats alsof algehele gemeenschap van goederen tussen partijen had bestaan, met uitzondering van hetgeen krachtens erfstelling, legaat of schenking is verkregen (etc. etc.).

De vrouw stelt -op zich genomen terecht- dat deze bepaling niet geldt, indien de man ná de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking komt te overlijden.

Zij is voorts de mening toegedaan dat de bepaling wél geldt, indien de echtscheidingsbeschikking nog niet is ingeschreven en de man komt te overlijden. Om deze reden wenst zij de echtscheiding op te houden.

Dit laatste snijdt naar het oordeel van het hof echter geen hout, nu uit artikel 13 lid 8 van de huwelijksvoorwaarden blijkt dat géén verrekening plaatsvindt indien op het tijdstip van de ontbinding van het huwelijk -onder meer- een vordering tot echtscheiding “in rechte aanhangig” is. Het maakt derhalve niet uit of de echtscheidingsbeschikking wel of niet is ingeschreven: verrekening conform artikel 13 lid 1 van de huwelijksvoorwaarden vindt in het geheel niet plaats nu een vordering tot echtscheiding in rechte aanhangig is.

4.5.2. Voorts volgt volgens de vrouw uit de huwelijksvoorwaarden dat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding van toepassing is.

De vrouw stelt -kort samengevat- dat zij een bedrag van ongeveer € 28.000,= inzake pensioenverevening zal mislopen, indien de man zal overlijden ná de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en vóórdat de rechtbank inzake de pensioenverevening een nevenvoorziening heeft getroffen. Zij doelt hiermee op het verschil tussen het weduwenpensioen dat zij bij het overlijden van de man tijdens het huwelijk zou ontvangen (door de vrouw in de stukken gesteld op

€ 37.500,=) en het bijzonder weduwenpensioen dat zij bij het overlijden van de man ná echtscheiding zou ontvangen (blijkens de stukken door de accountant van de man gesteld op € 9.204,=). De vrouw betwist overigens de hoogte van dit bijzonder weduwenpensioen (zij heeft de rechtbank verzocht een pensioendeskundige te benoemen), maar zij voert aan dat zij er wel mee zal worden geconfronteerd indien de man overlijdt ná de echtscheiding en zolang de rechtbank nog geen nevenvoorziening heeft getroffen. De man betwist van zijn kant de hoogte van het weduwenpensioen waarop de vrouw recht zou hebben bij het overlijden van de man tijdens het huwelijk (door de vrouw op € 37.500,= gesteld).

Wat er ook van de juistheid van de pensioenbedragen zij, het hof is van oordeel dat, mocht de man inderdaad komen te overlijden ná inschrijving van de echtscheidingsbeschikking en vóórdat de rechtbank op de nevenvoorzieningen heeft beslist (de man stelt overigens kerngezond te zijn), de vrouw de door haar vermeende benadeling voldoende kan opvangen met de financiële middelen die haar ter beschikking staan. Het hof doelt hiermee op de te verwachten overbedeling van de vrouw bij de boedelverdeling, de door haar onweersproken ontvangen gelden uit een erfenis en het gegeven dat de vrouw een eigen woning vrij van hypothecaire lasten bezit.

4.5.3. Het hof neemt voorts in aanmerking dat de vrouw thans zelf een spoedige beslissing van de rechtbank verwacht. Zij heeft een brief van de rechtbank van 23 juni 2006 overgelegd waarin de rechtbank bericht voornemens te zijn een actuaris voor de pensioenvoorziening en een registeraccountant voor de waardering van de B.V.’s van de man te benoemen. Voorts heeft de vrouw ter zitting in hoger beroep verklaard dat een actuaris niet meer dan 6 uur nodig zal hebben voor de beantwoording van de vragen van de rechtbank inzake de pensioenvoorziening.

4.6. Op grond van het vorenoverwogene is het hof van oordeel dat de door de vrouw aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden vormen die rechtvaardigen dat de echtscheiding nog langer wordt opgehouden.

Het hof zal het verzoek van de vrouw derhalve afwijzen.

4.7. De beschikking waarvan beroep, dient dus te worden bekrachtigd.

Proceskosten

4.8. Het hof ziet geen aanleiding om de vrouw te veroordelen in de proceskosten van dit hoger beroep, nu het hof het door de vrouw ingestelde hoger beroep op zich niet onredelijk acht. Het hof zal de proceskosten van dit hoger beroep compenseren, omdat partijen thans nog echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gewezen beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 13 december 2005 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Bijleveld-van der Slikke en Van der Linden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 11 oktober 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.