Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ3470

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-07-2006
Datum publicatie
01-12-2006
Zaaknummer
R200500508
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werknemer vordert na 19 jaar nakoming van toezegging dat hij recht heeft op een gedeelte van de aandelen van het bedrijf waarin hij werkzaam was. Kantonrechter geeft bewijsopdracht aan werkgever dat er sprake is van een beëindigingsovereenkomst, maar wijst beroep op verjaring respectievelijk rechtsverwerking af. Hof vernietigt en acht beroep op verjaring gegrond omdat met het feitelijk invullen van die afspraak voldoende duidelijk was dat het niet de bedoeling was dat de nakoming op de lange baan werd geschoven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnr. C0500508/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

achtste kamer, van 11 juli 2006,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 23 maart 2005,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. C.J.W. Henderson,

op het hoger beroep van het door de rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton, locatie ’s-Hertogenbosch, gewezen vonnis van 27 januari 2005 tussen appellant - [X.] - als gedaagde en geïntimeerde - [Y.] - als eiser.

Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 282713 rolnr. 268/03)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] negen grieven aangevoerd, producties overgelegd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vorderingen van [Y.] en diens veroordeling in de proceskosten van de beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Y.] de grieven bestreden, producties overgelegd en zijn eis gewijzigd. Daarna heeft hij nog een akte tot rectificatie van zijn vordering genomen.

2.3. Partijen hebben daarna hun stellingen mondeling bepleit aan de hand van pleitnota’s op 8 maart 2006; [X.] door zijn raadsman mr. Halsema en [Y.] door zijn raadsman mr. Hendriks. Vervolgens zijn de gedingstukken overgelegd en is uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

[Y.] is per 1 mei 1980 in dienst getreden bij [X.]’s Distributie Maatschappij B.V. te [vestigingsplaats] als hoofd administratie, nadat hij daartoe overeenstemming had bereikt met [X.]. Laatstgenoemde, die destijds enig aandeelhouder was zowel in voornoemde onderneming als in [X.]’s Groothandelscentrum B.V. (thans [X.] Beheer B.V. genaamd), heeft in het kader van de onderhandelingen leidend tot het aangaan van een arbeidsovereenkomst met [Y.] de afspraak gemaakt dat aan [Y.] 10% van de aandelen (“een pakket aandelen” genoemd in de door [X.] als productie 2 bij CvA overgelegde, maar door partijen niet ondertekende arbeidsovereenkomst) in voornoemde vennootschappen zouden worden overgedragen. Overdracht van deze aandelen heeft nimmer plaatsgevonden. [Y.] heeft op 8 november 1999 door het uitbrengen van de inleidende dagvaarding jegens [X.] aanspraak gemaakt op levering van de aandelen. De arbeidsovereenkomst tussen [Y.] en [X.]’s Distributie Maatschappij B.V. is per 1 oktober 2000 geëindigd door ontbinding door de kantonrechter.

4.2. [Y.] vorderde in eerste aanleg (na wijziging van eis) primair overdracht van 10% van de geplaatste aandelen (onbezwaard en niet gecertificeerd) in beide vennootschappen (waarbij [X.]’s Groothandelscentrum B.V. in verband met de gestelde naamswijziging van die BV is aangeduid als [X.] Beheer B.V.) tegen betaling door hem van een bedrag van € 18.983,63 (fl. 41.790,-) en vergoeding van de schade geleden door het uitblijven van dividenduitkeringen vanaf 1999. Subsidiair (voorzover levering van die aandelen niet meer mogelijk zou blijken te zijn) vorderde [Y.] een bedrag van € 3.406.969,30 (fl. 7.500.000,-) zijnde het equivalent van de waarde van die aandelen en vergoeding van de hiervoor genoemde dividendschade.

[Y.] stelt daartoe dat hij ingevolge zijn arbeidsovereenkomst aanspraak kon maken op levering van die aandelen en dat partijen het daartoe in 1981 eens zijn geworden over de koopprijs, maar dat [X.] hem sedertdien voortdurend aan het lijntje heeft gehouden. [X.] heeft de vorderingen van [Y.] betwist. Hij betwist – hoewel hij bij pleidooi in eerste aanleg eveneens de koopsom van fl. 41.790,- noemt - de destijds overeengekomen koopprijs (volgens hem bedroeg deze destijds fl. 57.085,-) – eerst in hoger beroep heeft er op gewezen dat het zou gaan om certificaten (van aandelen) -. Voorts heeft hij betoogd dat hij met [Y.] begin 1983 heeft afgesproken dat [Y.] zijn aanspraken zou laten varen. Verder beroept [X.] zich op verjaring en subsidiair op rechtsverwerking. Voor wat dit laatste verweer betreft, omdat [X.] door het jarenlange stilzitten van [Y.] er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat [Y.] geen aanspraak meer zou maken op de bewuste aandelen. Tenslotte volgt uit het verweer van [X.] dat hij (inmiddels) geen eigenaar meer is van de bedoelde aandelen (en hij derhalve – mogelijk - feitelijk niet meer in staat is te leveren.

4.3. De kantonrechter heeft het beroep van [X.] op verjaring en rechtsverwerking verworpen en [X.] bewijs opgedragen van zijn stelling dat er tussen partijen een nadere overeenkomst is gesloten waarbij de leveringsverplichting van [X.] ongedaan is gemaakt.

Aan [Y.] is bewijs opgedragen van zijn stelling dat partijen destijds een koopprijs zijn overeengekomen van fl. 41.790,- voor de aandelen. De kantonrechter overwoog verder dat [X.] nog steeds in staat geacht moet worden de betreffende aandelen te leveren.

Tegen dit vonnis komt [X.] op.

4.4.1. Het hof zal eerst de grieven 1 tot en met 4 bespreken, die het oordeel van de kantonrechter omtrent de (niet ingetreden) verjaring bestrijden. [X.] stelt ter toelichting op deze grieven allereerst dat de verplichting tot levering van de (certificaten van) aandelen (in wezen) dadelijk opeisbaar werd met het aangaan van de arbeidsovereenkomst, zodat reeds vanaf dat moment ingevolge artikel 3:307 lid 1 BW de verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen. De omstandigheid dat niet expliciet een termijn van levering van (die certificaten van) aandelen is afgesproken maakt dat niet anders en mag gezien de aard van de rechtsverhouding tussen partijen niet leiden tot de conclusie dat eerst (uitdrukkelijk) opgeëist moet worden vooraleer deze verjaringstermijn gaat lopen (zoals voortvloeit uit artikel 3:307 lid 2 BW).

4.4.2. [Y.] heeft als reactie op deze stelling er nog op gewezen dat [X.] bij gelegenheid van het pleidooi in eerste aanleg erkend heeft dat geen termijn voor levering van de aandelen was afgesproken waaraan [X.] nog heeft toegevoegd dat was afgesproken dat partijen na het aangaan van de arbeidsovereenkomst daartoe eerst hun samenwerking nog een jaar zouden aanzien. [Y.] heeft daaraan de conclusie verbonden dat daarmee vast staat dat het hierbij gaat om een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd, zodat eventuele verjaring pas is gaan lopen op het moment dat hij de aandelen heeft opgeëist (derhalve 8 november 1999).

4.4.3. Het hof stelt voorop dat de levering van de aandelen (dan wel de certificaten) een verbintenis tot nakoming inhoudt, die derhalve onderworpen is aan de (korte) verjaringstermijn van vijf jaren als bedoeld in artikel 3:307 lid 1 BW. Omdat het hier een verplichting betreft voortvloeiend uit overeenkomst is deze in beginsel dadelijk opeisbaar ingevolge artikel 6:38 BW. De vraag die in deze zaak partijen (op dit punt) verdeeld houdt betreft de gevolgen die verbonden moeten worden aan de omstandigheid dat voor de levering geen expliciete termijn is bepaald.

Het hof overweegt daartoe het volgende.

Uit hetgeen partijen terzake hebben aangevoerd en uit de daartoe overgelegde stukken valt eenduidig de conclusie te trekken dat [Y.] dadelijk bij zijn indiensttreding op 1 mei 1980 bij [X.]’s Distributie Maatschappij B.V. aanspraak kon maken op levering van 10% van de aandelen in de beide door [X.] (volledig) beheerste vennootschappen. Het moge zo zijn dat [X.] heeft aangegeven op afspraak met [Y.] de zaak een jaar te hebben willen aanzien, doch enige grond om te veronderstellen dat [Y.] niet dadelijk aanspraak op de aandelen kon maken valt uit de stellingen van partijen verder niet af te leiden. Hoogstens zou hieruit kunnen volgen dat de aanspraak op levering met een jaar is uitgesteld, hetgeen voor de beoordeling verder geen (wezenlijk) verschil maakt. Vast staat in ieder geval dat reeds in november 1980 de accountant [Z.] (vroegere werkgever van [Y.] en tevens accountant van [X.] zowel in privé als bij diens vennootschappen) aan zowel [X.] als [Y.] aangeeft wat de waarde van 35 certificaten van aandelen was, terwijl daarbij tevens reeds rekening werd gehouden met het dividend over 1980 (productie 1 bij conclusie van eis). Dit vormt naar het oordeel van het hof een aanwijzing zoal niet een bevestiging van de omstandigheid dat [Y.] een aanspraak op dadelijke levering van deze certificaten had. Kennelijk zijn er vervolgens door [Z.] (al dan niet in opdracht van [X.]) stappen ondernomen om ook daadwerkelijk tot levering van die (certificaten van) aandelen te geraken getuige het feit dat door notaris [A.] een conceptakte daartoe is opgemaakt. Immers de daarin genoemde (of te noemen) koopprijs is voor [Z.] aanleiding geweest bij brief van 22 april 1981 het volgende te berichten:

“hierbij verklaren wij ons accoord met de inhoud van de bij bovengenoemde brief gevoegde bijlagen behoudens dat in bijlage genummerd A8 de prijs voor de certificaten van aandelen f 35/100,-- bedraagt f 38.290,-- zodat de totaal vermelde koopsom wordt f 41.790,--.

Het recht op dividend 1980 wordt mee gekocht.”.

Afschrift van dit schrijven (productie 2 bij inleidende dagvaarding) is gezonden aan [X.] en [Y.].

Partijen twisten nog over de vraag of genoemde bijlage A8 betrekking heeft op de hier bedoelde conceptakte ([Y.] zegt deze nooit ontvangen te hebben), doch [Y.] stelt zich wel op het standpunt dat partijen blijkens bedoeld schrijven het eens zijn over de koopprijs. Tevens gaat (ook) hij ervan uit dat alle stukken gereed lagen bij de notaris (zie vijfde gedachtebolletje op pagina 5 van de inleidende dagvaarding). Blijkens de uitlatingen van beide partijen ter gelegenheid van het pleidooi voor het hof is verder vast komen staan dat [Z.] door beide partijen als bij uitstek deskundig is aangemerkt om de waarde van de aandelen in de beide vennootschappen te kunnen bepalen.

4.4.4. Naar het oordeel van het hof kan gezien deze nadere invulling van de betreffende overeenkomst (waarde van de te verwerven certificaten van aandelen staat tussen partijen vast evenals het recht op dividend over 1980) redelijkerwijs niet meer gesproken worden van een overeenkomst met een verplichting om na onbepaalde tijd na te komen. Immers het is duidelijk dat de koopprijs van de aandelen is gerelateerd aan de waarde op dat moment (april 1980) terwijl tevens uitdrukkelijk in de koop besloten lag het recht op dividend over 1980. In een dergelijk geval is (uiteraard) geen sprake van een situatie waarbij het overeenkomstig de bedoeling van partijen is om niet op korte termijn nakoming te verlangen. Daarbij komt nog dat voor [Y.] naar eigen zeggen de toezegging dat hij (tegen betaling van de actuele waarde) 10 procent van de aandelen zou krijgen een belangrijke, zoal niet doorslaggevende reden vormde om een dienstverband aan te gaan met [X.]’s Distributie Maatschappij en het ligt daarbij niet voor de hand te veronderstellen dat hij die aanspraak (met de mogelijkheid van onmiddellijke vermogensopbouw en het recht op dividend) voor onbepaalde tijd zou willen uitstellen. Met het oog daarop heeft [Y.] en (mogelijk ook) [X.] gehandeld en alles in gereedheid gebracht om een en ander te effectueren. Aldus doet zich naar het oordeel van het hof niet (meer) de situatie voor dat er sprake is van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd, omdat de aard van de (nader ingevulde) overeenkomst in deze zich daartegen verzet.

4.4.5. Het gevolg van dit oordeel is dat moet worden aangenomen dat op de datum dat vastgesteld kan worden dat partijen het eens waren over de aankoopprijs van de certificaten van aandelen, in dit geval af te leiden uit de brief van [Z.] van 22 april 1981, de verjaringstermijn als bedoeld in artikel 3:307 lid 1 BW is gaan lopen, zodat het instellen van de vordering in 1999 is geschied na afloop van die verjaringstermijn. Dat de verjaring op enigerlei wijze gedurende de tussenliggende periode is gestuit is niet gebleken. De stelling van [Y.] dat hij meermalen om effectuering van de overeenkomst heeft verzocht is daartoe onvoldoende, omdat stuiting van de verjaring dient te geschieden door een schriftelijke aanmaning (artikel 3:317 BW) en vast staat dat [Y.] nimmer schriftelijk heeft gemaand. Voorzover [Y.] zou willen stellen dat stuiting heeft plaatsgevonden door erkenning van de schuld door [X.] (“het komt wel goed” of “vertrouw je mij niet”) is die stelling onvoldoende feitelijk onderbouwd al was het maar omdat [Y.] heeft nagelaten aan te geven op welk(e) moment(en) hij een dergelijk verzoek (kennelijk via [Z.]) tot [X.] heeft gericht en [X.] daar op de door hem aldus omschreven wijze heeft gereageerd en bovendien deze stelling zich (zonder nadere toelichting door [Y.] en die ontbreekt) slecht verdraagt met de door [Z.] schriftelijk afgelegde verklaring (productie 5 bij CvA) waarin wordt aangegeven dat [X.] reeds begin jaren 80 had medegedeeld dat [Y.] had afgezien van zijn aanspraken in dit verband.

4.5. Het beroep op verjaring zijdens [X.] slaagt, zodat de grieven 1 tot en met 4 gegrond zijn. Voorzover [Y.] met het aanvoeren van zijn angst voor de woede-uitbarstingen van [X.] en de gevolgen voor de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst het beroep op verjaring zou willen pareren met een beroep op artikel 6:248 BW verwerpt het hof dat beroep. Het moge zo zijn dat [X.] mogelijk een autoritaire wijze van bedrijfsvoering aan de dag legt, waarbij het dringende verzoek van [Y.] om nakoming van de destijds gesloten overeenkomst tot een breuk in de vertrouwensrelatie en daarmee mogelijk ook in de arbeidsrelatie zou kunnen leiden, doch die enkele omstandigheid is gezien de leidinggevende positie van [Y.] in het bedrijf van [X.] en beschermende bepalingen van de wet met betrekking tot de arbeidsrelatie ten enenmale onvoldoende om te oordelen dat hierin een grond is gelegen om aan te nemen dat het beroep van [X.] op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het beroepen vonnis dient derhalve te worden vernietigd en de vorderingen van [Y.] dienen alsnog te worden afgewezen.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende :

wijst de vorderingen van [Y.] af;

veroordeelt [Y.] in de kosten van de procedure in de beide instanties, voor de eerste aanleg vastgesteld op € 426,55 aan griffierecht en € 2.900,= aan salaris gemachtigde en voor het hoger beroep op € 244,= aan griffierecht en € 9.633,= aan salaris procureur;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Slootweg en De Wolff en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 11 juli 2006.