Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ3468

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-09-2006
Datum publicatie
01-12-2006
Zaaknummer
C200500697
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inning sociale verzekeringspremies.

Onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd verweer, bij gebreke van memorie van antwoord.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering 347, geldigheid: 2006-09-19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

C0500697/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

achtste kamer, van 19 september 2006,

gewezen in de zaak van:

de rechtspersoon naar publiek recht UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN (UWV GAK),

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 10 mei 2005,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

[X.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. B.N.J. de Wilde,

op het hoger beroep van het door de Rechtbank ’s-Hertogenbosch, sector kanton locatie Eindhoven, onder zaaknummer 370404 en rolnummer 9443/04 gewezen vonnis van 10 maart 2005 tussen appellant, hierna: UWV, als eiser en geïntimeerde, hierna: [X.], als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de naar het vonnis waarvan beroep.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. In de appeldagvaarding, heeft UWV vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van [X.] bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad aan UWV te voldoen een bedrag groot € 3.010,27 vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.203,84 vanaf 1 oktober 2004 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [X.] in de kosten van beide instanties.

2.2. [X.] heeft afgezien van het nemen van een memorie van antwoord.

2.3. Partijen hebben vervolgens processtukken aan het hof overgelegd en om arrest verzocht.

3. De gronden van het hoger beroep.

Hiervoor wordt verwezen naar de in de appeldagvaarding opgenomen grieven.

4. De beoordeling

4.1. In rechte kan, als zijnde enerzijds gesteld en anderzijds niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, van de navolgende feiten worden uitgegaan:

4.1.1. UWV is krachtens aanwijzing bij besluit van het Landelijk Instituut Sociale Volksverzekeringen, belast met de uitvoering van de sociale (volks)verzekeringen en de inning van – onder meer - daarmee verband houdende premies.

4.1.2. UWV heeft facturen aan [X.] gezonden waarbij aan [X.] premies in rekening worden gebracht van in totaal € 2.203,84:

- op 2 januari 2003 terzake een voorschot SV 2003 ad € 1.998,96

- op 14 januari 2003 terzake een voorschot correctie 2002 ad € 206,04 en

- op 7 maart 2003 volgt een afrekening SV 2002 ad € 1,16 ten gunste van [X.].

4.1.3. Ondanks herhaalde sommaties van zowel UWV als van het door UWV ingeschakelde incassobureau dat getracht heeft [X.] tot het treffen van een buitengerechtelijke betalingsregeling te bewegen, heeft [X.] deze facturen niet voldaan.

4.2.1. UWV heeft [X.] voor de kantonrechter gedagvaard en heeft naast de hoofdsom aan premies ad € 2.203,84 betaling van € 207,01 gevorderd terzake rente berekend tot en met 30 september 2004 en € 599,42 terzake incassokosten, in totaal

€ 3.010,27. Volgens UWV had [X.] niet binnen de daarvoor openstaande termijn bezwaar aangetekend, zodat haar vordering vaststaat en aan de facturen formele rechtskracht toekomt.

4.2.2. [X.] heeft hiertegen ingebracht dat de nota's een werknemer betreffen, [Z.], die vanwege een auto-ongeluk in 2002 lange tijd niet heeft gewerkt en tijdelijk in de WAO en WW is terecht gekomen. [X.] heeft UWV na ontvangst van de facturen medegedeeld dat die facturen niet klopten, en te laag waren, omdat [Z.] inmiddels na integratie weer volledig werkzaam was. De facturering is volgens haar uiteindelijk in oktober 2004 aangepast. Zij verwijst hiervoor naar een overgelegde kopie van een acceptgiro.

4.2.3. De kantonrechter heeft de vordering van UWV afgewezen op de grond dat uit het verweer van [X.] en bij gebreke van repliek door UWV, moet worden afgeleid dat [X.] overeenkomstig de wettelijke bepalingen bezwaar heeft gemaakt tegen de nota’s van UWV. Indien dit mogelijk bij de verkeerde instantie zou zijn geweest, kan dat [X.] niet worden tegengeworpen omdat op de aan de kantonrechter overgelegde nota’s niet overeenkomstig artikel 3:45 Algemene wet bestuursrecht is vermeld hoe daartegen bezwaar kan worden gemaakt.

De kantonrechter oordeelt dat in rechte niet kan worden aangenomen dat de beschikkingen van UWV formele rechtskracht hebben, zodat de vorderingen worden afgewezen.

4.3.1. In hoger beroep heeft UWV erop gewezen dat [X.] de premienota’s blijkens haar verweer heeft ontvangen. Op de achterzijde van deze nota’s is vermeld dat indien men het niet eens is met de nota’s hiertegen binnen zes weken bij UWV een bezwaarschrift kan worden ingediend en wat daarvan de inhoud moet zijn. Zij legt in hoger beroep de achterzijde van die premienota’s over, waarop dit staat vermeld.

UWV stelt dat er in het geheel geen bezwaarschrift is ingediend door [X.] tegen deze nota’s.

Grief II is gericht tegen de conclusies die de kantonrechter trekt terzake de formele rechtskracht van de nota’s. Volgens UWV had de kantonrechter haar een bewijsopdracht dienen te geven overeenkomstig haar bewijsaanbod.

Het hof is van oordeel dat de kantonrechter op grond van het uitblijven van repliek zijdens UWV mocht aannemen dat UWV de stelling van [X.] dat “het niet waar is dat zij daarover binnen gestelde geen correspondentie heeft gevoerd met UWV” niet weersprak en mocht concluderen dat [X.] wel tijdig schriftelijk bezwaar heeft gemaakt. De kantonrechter hoefde dit niet nader te verifiëren.

4.3.2. De overige grieven zijn gericht tegen de niet ontvankelijk verklaring van UWV in haar vordering.

UWV voert thans in hoger beroep aan, dat haar in het geheel niet is gebleken van bezwaren zijdens [X.] tegen de betreffende premienota’s. Het door [X.] overgelegde afschrift van een acceptgirokaart is gedateerd 13 oktober 2004 en heeft betrekking op de SV-premies 2003 ten bedrage van € 3.206,04. Deze acceptgiro vervangt niet de eerder verzonden premienota’s. Het verweer van [X.] is dan ook niet steekhoudend. De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat de beschikkingen waarop de premienota’s zijn gebaseerd geen formele rechtskracht hadden.

4.3.3. Het hof oordeelt als volgt:

Gelet op de gemotiveerde ontkenning in hoger beroep van UWV dat door [X.] tijdig bezwaar is gemaakt tegen de premienota’s waarvan zij betaling vordert, ligt het op de weg van [X.] om haar stelling in eerste aanleg, die erop neerkomt dat zij wèl tijdig een bezwaarschrift zou hebben ingediend, nader te adstrueren en te onderbouwen. Nu [X.] dit nalaat, wordt haar verweer verworpen. De door [X.] in eerste aanleg overgelegde kopie van een acceptgiro met de vermelding “SV –premies 2003” biedt immers onvoldoende aanknoping om in rechte te kunnen aannemen dat deze de premienota’s waarvan betaling wordt gevorderd vervangt, temeer daar de vordering deels betrekking heeft op sociale verzekeringspremies over 2002.

4.3.4. Het hof oordeelt de gevorderde buitengerechtelijke kosten en rente eveneens toewijsbaar aangezien deze niet zijn weersproken.

4.3.5. Uit het bovenstaande volgt, dat het hoger beroep gegrond is en dat de vordering van UWV dient te worden toegewezen. [X.] wordt als de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep gevallen aan de zijde van UWV.

5. De beslissing:

het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en, opnieuw recht doende, veroordeelt [X.] tot betaling aan UWV van een bedrag groot

€ 3.010,27 (drieduizend en tien euro en zevenentwintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.203,84 vanaf 1 oktober 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [X.] in de proceskosten gevallen aan de zijde van UWV, welke tot op heden worden vastgesteld in eerste aanleg op € 281,51 terzake verschotten en op € 227,- terzake salaris gemachtigde en in hoger beroep op € 329,60 terzake verschotten en op € 632,00 terzake salaris procureur;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de uitgesproken veroordelingen.

Dit arrest is gewezen door mrs. Koster-Vaags, Aarts en Spoor en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 19 september 2006.