Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ2860

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-11-2006
Datum publicatie
22-11-2006
Zaaknummer
C0401666
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Getuige [getuige 1] is als adviseur betrokken geweest bij de verkoop van de boerderij. Volgens hem was er geen bepaalde aanleiding voor. Uit zijn verklaring blijkt niet van enig verband met de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger. Dat laatste geldt ook voor de verklaring van [getuige 2], die verder aangeeft dat hij niet weet wat de aanleiding voor de verkoop van de boerderij was. Voor hem was er niets bijzonders aan de transactie op te merken. De getuigenverklaringen van [appellant sub 1] en beide [appellanten sub 2 en 3] houden evenmin in dat bij de totstandkoming van de koopovereenkomst voor [appellanten sub 2 en 3] op enigerlei wijze de schuld aan de belastingdienst een rol heeft gespeeld of dat zij hadden moeten onderkennen dat de koopovereenkomst daarvoor consequenties kon hebben. Alles overziende, ook in onderling verband en in samenhang met hetgeen verder in de procedure naar voren is gekomen, komt het hof tot de conclusie dat de Ontvanger er niet in is geslaagd het gevraagde bewijs te leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. LD

rolnr. C0401666/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vijfde kamer, van 14 november 2006,

gewezen in de zaak van:

1. [APPELLANT SUB 1],

2. [APPELLANT SUB 2],

3. [APPELLANT SUB 3],

allen wonende te [woonplaats], g[emeente],

appellanten,

procureur: mr. W.M. Welage,

t e g e n :

de ontvanger van de BELASTINGDIENST/OOST-BRABANT,

mede kantoorhoudende te 's-Hertogenbosch,

geïntimeerde,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 14 februari 2006 inzake het hoger beroep van het door de rechtbank te 's-Hertogenbosch tussen partijen onder nummer 91750/HA ZA 03-389 (DB) gewezen vonnis van 24 maart 2004.

6. Het verdere verloop van het proces

Bij genoemd arrest heeft het hof de Ontvanger een bewijsopdracht verstrekt.

In verband hiermee heeft de Ontvanger vijf getuigen doen horen. Van de afgelegde verklaringen is proces-verbaal opgemaakt. Van de contra-enquête is geen gebruik gemaakt.

De Ontvanger heeft vervolgens onder overlegging van één productie een memorie na enquête genomen en appellanten een antwoordmemorie.

Ten slotte hebben partijen opnieuw de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

7. De verdere beoordeling

7.1 Bij brief van 4 augustus 2006 heeft de raadsman van de Ontvanger erop gewezen dat de brief waarnaar onder 4.14 wordt verwezen als productie 4 bij conclusie van antwoord niet dateert van 23 juli 2003 maar van 25 juli 2001. Dit is juist en het hof herstelt deze verschrijving hierbij.

7.2 Het hof heeft de Ontvanger toegelaten te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat [appellanten sub 2 en 3] ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst behoorden te weten dat deze tot benadeling van de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger zou leiden.

7.3 In zijn memorie na enquête merkt de Ontvanger op dat hij de bewijsopdracht aldus leest dat deze benadeling van één of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden betreft en niet alleen benadeling van de Ontvanger. Deze lezing is niet juist. De bewijsopdracht is, aansluitend bij de desbetreffende stellingen van de Ontvanger, toegespitst op de benadeling van de Ontvanger in zijn verhaalsmogelijkheden.

7.4 De Ontvanger heeft naast [appellant sub 1] en beide [appellanten sub 2 en 3] als getuigen voorgebracht de heren [getuige 1], destijds boekhouder van appellanten sub 1 en 2, en [getuige 2], contactpersoon van appellant sub 2 bij de Rabobank.

7.5 Getuige [getuige 1] is als adviseur betrokken geweest bij de verkoop van de boerderij. Volgens hem was er geen bepaalde aanleiding voor. Uit zijn verklaring blijkt niet van enig verband met de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger. Dat laatste geldt ook voor de verklaring van [getuige 2], die verder aangeeft dat hij niet weet wat de aanleiding voor de verkoop van de boerderij was. Voor hem was er niets bijzonders aan de transactie op te merken. De getuigenverklaringen van [appellant sub 1] en beide [appellanten sub 2 en 3] houden evenmin in dat bij de totstandkoming van de koopovereenkomst voor [appellanten sub 2 en 3] op enigerlei wijze de schuld aan de belastingdienst een rol heeft gespeeld of dat zij hadden moeten onderkennen dat de koopovereenkomst daarvoor consequenties kon hebben. Alles overziende, ook in onderling verband en in samenhang met hetgeen verder in de procedure naar voren is gekomen, komt het hof tot de conclusie dat de Ontvanger er niet in is geslaagd het gevraagde bewijs te leveren.

7.6 In zijn memorie na enquête stelt de Ontvanger de getuigenverklaringen van vader en [appellanten sub 2 en 3] niet geloofwaardig te achten. Ook indien juist is wat de Ontvanger in dit verband naar voren brengt (hetgeen door appellanten wordt bestreden), leidt dat niet tot een andere conclusie dan hiervoor weergegeven. Immers, ook in het geval dat aan de verklaringen van drie van de vijf door de Ontvanger voorgebrachte getuigen geen geloof kan worden gehecht, ontbreekt het bewijs dat de Ontvanger dient te leveren.

7.7 Aansluitend bij hetgeen het hof hierover in het tussenarrest van 14 februari 2006 onder 4.16 heeft overwogen komt het hof tot de slotsom dat de vordering van de Ontvanger afgewezen dient te worden. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd met veroordeling van de Ontvanger als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van beide instanties.

8. De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

wijst de vordering van de Ontvanger af;

veroordeelt de Ontvanger in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van appellanten begroot op E. 184,= aan verschotten en op E. 780,= aan salaris procureur in eerste aanleg en op E. 371,78 aan verschotten en op E. 2.682,= aan salaris procureur in hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. Meulenbroek, Feddes en Goyaerts-Antens en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 14 november 2006.