Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ2819

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-11-2006
Datum publicatie
22-11-2006
Zaaknummer
C0600664
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gelet op alle omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat er in casu geen sprake van is dat [geïntimeerden] op lichtvaardige wijze verdacht worden gemaakt. Het belang van [geïntimeerden] om niet, in elk geval niet negatief, in de pers te komen moet wijken voor het belang bij, kort gezegd, een vrije meningsuiting (zie art. 10 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden - EVRM- ) waardoor misstanden in dit geval, kort samengevat, het volgens [appellanten] niet afgedragen zijn van pensioengelden, aan de kaak kunnen worden gesteld. De resultaten van onderzoeken van de curatoren en de Fiod, waarvan voorshands in elk geval niet duidelijk is wanneer die zullen zijn afgerond en/of in hoeverre die relevant zijn, behoeven niet te worden afgewacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. NJ

rolnr. KG C0600664/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

derde kamer, van 14 november 2006,

gewezen in de zaak van:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[APPELLANTE SUB 1],

gevestigd te [plaats],

2. [APPELLANT SUB 2],

wonende te [woonplaats], [gemeente],

3. [APPELLANT SUB 3],

wonende te [woonplaats], [gemeente],

appellanten bij exploot van dagvaarding van 4 mei 2006,

procureur: mr. J.E. Benner,

tegen:

1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

beiden wonende te [woonplaats], België,

geïntimeerden bij gemeld exploot,

procureur: mr. A.P.P.M. van Beurden,

op het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 7 april 2006 tussen appellanten - hierna gezamenlijk in vrouwelijk enkelvoud aangeduid als [appellanten], dan wel ieder afzonderlijk als [appellante sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] - als gedaagden en geïntimeerden - hierna aangeduid als de [geïntimeerden] - als eisers.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 109532/KG ZA 06-109)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij dagvaarding in hoger beroep heeft [appellanten], onder overlegging van drie producties, negen grieven (aangeduid met de letters a tot en met i) aangevoerd en geconcludeerd als in die memorie nader is aangegeven.

2.2. Bij memorie van antwoord hebben [geïntimeerden], onder overlegging van zes producties, de grieven bestreden en geconcludeerd als in die memorie nader aangegeven.

2.3. Daarop heeft [appellanten] bij akte houdende overlegging producties drie producties in het geding gebracht, waarna [geïntimeerden] een antwoordakte hebben genomen.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. In overweging 2 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Bij memorie van grieven (sub 6.1) heeft [appellanten] aangegeven dat zij voornemens was om in de krant van 8 april 2006 de artikelen te plaatsen die als productie 1 en 2 bij inleidende dagvaarding zijn overgelegd (waarbij in het als productie 1 overgelegde artikel uiteindelijk nog twee zinnen zijn geschrapt; prod. B dagv. h.b.). Deze artikelen zijn respectievelijk getiteld: "Pensioenpremies [naam B.V.'s] weg" en "De beerput van [naam B.V.'s]". Volgens [appellanten] maakten de ruwe concepten die door de [geïntimeerden] in eerste aanleg zijn overgelegd als productie 3 tot en met 5 bij de inleidende dagvaarding, naar het hof begrijpt ook ten tijde van de behandeling in eerste aanleg, geen deel meer uit van daadwerkelijk voorgenomen publicaties. Deze concept-artikelen dragen als titel: "Pensioenpremies [naam B.V.'s] weg" (prod. 3), "De beerput van [naam B.V.'s]" (prod. 4) en "Meer over nep-facturering, interne bedrijfsspionage, miljoenentransacties en de misleiding van de [naam]" (prod. 5). Het hof begrijpt dat [appellanten] aldus een (impliciete) grief heeft gericht tegen de vaststelling in rechtsoverweging 2.2. dat [appellanten] voornemens was om in de op 8 april 2006 volgende week nieuwe artikelen te plaatsen waarvan het onderwerp zal zijn "De miljoenen van de [naam]" en "Gesjoemel met vlees" en dat deze artikelen tegelijkertijd ook zouden worden geplaatst in het Limburgs Dagblad. Het hof zal een nieuwe samenvatting van de feiten en een omschrijving van het geschil geven. Het enkele feit dat de (impliciete) grief slaagt, brengt echter nog niet mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven.

4.2. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.2.1. [geïntimeerden] zijn directeur geweest van een aantal B.V.'s, hierna gezamenlijk aan te duiden als [naam B.V.'s], waarvan in juli 2005 het faillissement is uitgesproken.

4.2.2. [appellante sub 1] is een uitgeversmaatschappij die het dagblad [naam dagblad] uitgeeft. [appellante sub 1] is een volledige dochter van [naam moederonderneming] [appellante sub 1] is tevens aandeelhoudster van [appellante sub 1], dat het dagblad [naam dagblad] uitgeeft. [appellant sub 3] is waarnemend hoofdredacteur van [naam dagblad]. [appellant sub 2] is verslaggever in dienst van [naam moederonderneming]

4.2.3. Op initiatief van [geïntimeerden], die hadden vernomen van het voornemen tot publicatie van artikelen, heeft hierover op [datum 1] een gesprek plaatsgevonden tussen [geïntimeerden], bijgestaan door hun communicatie-adviseur [naam communicatie-adviseur], [appellant sub 2] en verslaggever [naam verslaggever]. In dat kader hebben [geïntimeerden] aan de verslaggevers een document overhandigd (prod. 8 inl. dagv.) met een weergave van hun visie op de historie en de ondergang van [naam B.V.'s]. Naar aanleiding van die bespreking zijn de eerste concepten van de artikelen aan [geïntimeerden] toegezonden voor commentaar. Het hof begrijpt dat het hier gaat om de artikelen die bij inleidende dagvaarding als producties 3, 4 en 5 zijn overgelegd. De raadsman van [geïntimeerden] heeft vervolgens [appellanten] bij brief van [datum 2] (prod. 6 inl. dagv.) gesommeerd om de 'voorgenomen publicaties' niet te plaatsen. Op [datum 3] hebben [geïntimeerden] een aangepaste versie van twee artikelen ontvangen voor commentaar. Het gaat hier om de artikelen "Pensioenpremies [naam B.V.'s] weg" en "De beerput van [naam B.V.'s]" (prod. 1 en 2 inl. dagv.) [appellanten] waren voornemens om deze artikelen, met een kleine wijziging, op 8 april 2006 te plaatsen in de beide hiervoor genoemde kranten.

4.2.4. Bij dagvaarding d.d. 6 april 2006 hebben [geïntimeerden] [appellanten] in kort geding gedagvaard en, na wijziging van eis, vorderen zij dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1. [appellanten] hoofdelijk wordt verboden om de publicaties "Pensioenpremies [naam B.V.'s] weg" en "De beerput van [naam B.V.'s]" en "De miljoenen van de [naam] en gesjoemel met vlees" in de komende (zaterdag)editie van of elders in [naam dagblad] te (doen) plaatsen of op enige andere wijze te (doen) publiceren, of door derden te doen gebruiken, zulks met onmiddellijke ingang, althans direct na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, dit alles op straffe van verbeurt van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van E. 50.000,-- althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag voor iedere overtreding van dat verbod na betekening van het te dezen te wijzen vonnis aan [appellanten];

2. [appellanten] hoofdelijk wordt verboden om over deze kort geding procedure - hetgeen ter zitting in kort geding aan de orde is gekomen, alsook de besprekingen die in het kader van deze procedure zijn gevoerd, de correspondentie in dat verband en de (inhoud van de) processtukken - publicaties te (doen) verschijnen in de komende (zaterdag)editie van of elders in [naam dagblad] of op enige andere wijze te (doen) publiceren, of door derden te doen gebruiken, zulks met onmiddellijke ingang, althans direct na betekening van het te dezen te wijzen vonnis, dit alles op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van E. 50.000,--, althans een door de voorzieningenrechter, in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere overtreding van dat verbod na betekening van het te dezen te wijzen vonnis aan [appellanten]; en subsidiair;

3. [appellant sub 2] wordt veroordeeld om de door hem voor publicatie aan [appellante sub 1] aangeboden artikelen in te trekken en deze artikelen niet opnieuw voor publicatie aan de [appellante sub 1], en [appellant sub 3] dan wel derden aan te bieden dan nadat de artikelen zodanig zijn aangepast dat de visie van [geïntimeerden] over de gang van zaken binnen [naam B.V.'s] en de in de artikelen aan de orde gestelde kwesties juist en volledig zijn verwoord, zulks met onmiddellijke ingang, althans direct na het betekenen van het in dezen te wijzen vonnis, dit alles op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van E. 50.000,--, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere overtreding van dat verbod na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [appellant sub 2];

4. [appellanten] hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

4.2.5. Bij vonnis van 7 april 2006, waarvan de schriftelijke weergave is afgegeven op 13 april 2006, heeft de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, kort gezegd:

1. [appellanten] hoofdelijk verboden om de publicaties "Pensioenpremies [naam B.V.'s] weg" en "De beerput van [naam B.V.'s]" en "De miljoenen van de [naam] en gesjoemel met vlees" in de komende (zaterdag)editie van of elders in [naam dagblad] te (doen) plaatsen of op enige andere wijze te (doen) publiceren, of door derden te doen gebruiken, zulks met onmiddellijke ingang althans direct na betekening van dit vonnis, dit alles op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van E. 50.000,-- voor iedere overtreding van dat verbod na betekening van dit vonnis aan [appellanten];

1. [appellanten] hoofdelijk verboden om over deze kort geding procedure - hetgeen ter zitting in kort geding aan de orde is gekomen, alsook de besprekingen die in het kader van deze procedure zijn gevoerd, de correspondentie in dat verband en de (inhoud van de) processtukken - publicaties te (doen) verschijnen in de komende (zaterdag) editie van of elders in [naam dagblad] of op enige andere wijze te (doen) publiceren, of door derden te doen gebruiken, zulks met onmiddellijke ingang, althans direct na betekening van dit vonnis, dit alles op straffe van verbeurte van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van E. 50.000,-- voor iedere overtreding van dat verbod na betekening van dit vonnis aan [appellanten];

3. [appellanten] veroordeeld in de proceskosten.

4.3. [appellanten] is het niet eens met het op 7 april 2006 door de voorzieningenrechter gewezen vonnis en is daarvan tijdig in hoger beroep gekomen. In de kern ligt (ook) in hoger beroep ter beantwoording voor de vraag of de voorgenomen krantenpublicaties jegens [geïntimeerden] onrechtmatig zijn. Gelet op hetgeen het hof in rechtsoverweging 4.1 heeft overwogen, gaat het hier (uitsluitend) om de artikelen "Pensioenpremies [naam B.V.'s] weg" en "De beerput van [naam B.V.'s]".

4.4. [appellanten], gedaagden in eerste aanleg, zijn gevestigd in Nederland. De Nederlandse rechter is derhalve bevoegd het geschil te beoordelen.

4.5. De onderhavige casus heeft internationale aspecten. [geïntimeerden] zijn immers in België woonachtig. Gelet op het bepaalde in art. 3, lid 1 van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad is in casu Nederlands recht van toepassing.

4.6. Voorop wordt gesteld dat in hoger beroep niet beslissend is of in eerste aanleg al dan niet terecht een spoedeisend belang is aangenomen. Het gaat erom of ten tijde van de uitspraak in hoger beroep een spoedeisend belang aanwezig moet worden geacht (vgl. o.a. HR 30-6-2000, NJ 2001, 389, HR 29-11-2003, NJ 2003, 78). Naar het oordeel van het hof is dit spoedeisend belang aanwezig. [appellanten] heeft bij dagvaarding in hoger beroep (sub 8.2) immers gesteld dat de concept-artikelen, zoals die als producties 1 en 2 bij de inleidende dagvaarding zijn overgelegd, 'niet meer letter voor letter in de krant zullen verschijnen', maar dat dat natuurlijk niet wil zeggen dat de inhoud van die concept-artikelen achterhaald is. Het hof begrijpt daaruit dat [appellanten] nog steeds en op zo kort mogelijke termijn voornemens is om artikelen te publiceren met een inhoud die in essentie overeenkomt met de beide als productie 1 en 2 bij inleidende dagvaarding overgelegde concept-artikelen en voorzover aangepast als in productie B, overgelegd bij dagvaarding in hoger beroep. In hoger beroep is derhalve het spoedeisend belang aanwezig.

4.7.1. Rechtsoverweging 4.2 van het bestreden vonnis luidt als volgt:

'De beantwoording van de vraag of de voorgenomen krantenpublicaties onrechtmatig zijn, ligt in het spanningsveld tussen het recht op vrijheid van meningsuiting enerzijds en het recht op bescherming van de eer en goede naam en de persoonlijke levenssfeer anderzijds. Hierbij staan derhalve twee hoogwaardige maatschappelijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang dat individuele burgers niet door publicaties in de pers worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen; aan de andere kant het belang dat men zich (in het openbaar) kritisch, informerend, opiniërend, of waarschuwend moet kunnen uitlaten, bijvoorbeeld om te voorkomen dat door een gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, misstanden die de samenleving raken, kunnen blijven voortbestaan, de zogenaamde "waakhondfunctie" van de informatiemedia. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van de in onderling verband te beschouwen omstandigheden. De juistheid van de aantijgingen, althans de feitelijke grondslag en de inkleding daarvan, vormt onder meer een omstandigheid die in de afweging van de hiervoor genoemde belangen dient te worden betrokken.'

4.7.2. Deze overweging van de rechtbank is in hoger beroep niet door een grief bestreden en vormt ook in appel het uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of de voorgenomen krantenpublicaties "Pensioenpremies [naam B.V.'s] weg" (prod. 1 inl. dagv. en prod. B dagv h.b.) en "De beerput van [naam B.V.'s]" (prod. 2 inl. dagv.) jegens [geïntimeerden] onrechtmatig zijn. [appellanten] hebben in dit verband negen grieven opgeworpen, die het hof hierna gezamenlijk zal behandelen. Waar nodig zal op de grieven afzonderlijk worden ingegaan.

Artikel "Pensioenpremies [naam B.V.'s] weg"

4.8.1. Blijkens het door [appellant sub 2] (appellant sub 2) geschreven (concept-)artikel, waarvan de subkop luidt: "Fiod doet vooronderzoek naar faillissement vleesverwerker [plaats]", heeft het inmiddels failliete vleesverwerkend bedrijf [naam B.V.'s] uit [plaats] volgens bronnen zeker anderhalf jaar geen pensioenpremies voor het personeel betaald, dit terwijl in 2004 en 2005 de premies wel werden ingehouden op het salaris van de personeelsleden. Blijkens het artikel zijn voorts in 2003 en ook in 2004 en 2005 grote bedragen (hoger dan voorheen) gestort op de pensioen-BV's van [geïntimeerden] en explodeerden de geld- en goederenstromen tussen [naam B.V.'s] [plaats] en de Belgische zusterbedrijven van enkele tonnen in 2002 naar 6 miljoen euro in 2003 en 10 miljoen euro in 2004.

4.8.2. Voor het antwoord op de vraag of voormeld artikel, waarvan de publicatie wordt beoogd, onrechtmatig is jegens [geïntimeerden], acht het hof de volgende omstandigheden van belang.

4.8.3. In de eerste plaats is het hof van oordeel dat uit de aard der zaak het thema 'verdwenen pensioengelden' een misstand betreft die de samenleving raakt, zeker nu het blijkens het artikel om circa 200 personeelsleden zou gaan, welk aantal door [geïntimeerden] niet gemotiveerd is bestreden. Dat mogelijk, zoals [geïntimeerden] stellen (MvA sub 57), veel werknemers lid zijn van een vakbond, maakt dit oordeel niet anders.

4.8.4. Voorts acht het hof relevant dat op diverse plaatsen in het artikel de bronnen worden vermeld waarop [appellanten] zich baseert. In de eerste alinea wordt vermeld dat de Fiod een vooronderzoek naar het faillissement is gestart, terwijl in dezelfde alinea melding wordt gemaakt van mededelingen van personeelsleden, de uitkeringsinstantie UWV en de pensioenverzekeraar Aegon. Blijkens de derde en vierde alinea werden inlichtingen ingewonnen bij de Kamer van Koophandel en bij het functioneel parket. De laatste instantie bevestigde dat de Fiod een vooronderzoek was gestart in de zaak [naam B.V.'s], maar de woordvoerster wilde niet ingaan 'op de inhoud en de aanleiding van het onderzoek'. In de vijfde alinea wordt wederom het UWV als bron vermeld, voorts worden de jaarrekeningen van [naam B.V.'s] en een (anonieme) accountant als bron opgevoerd. In de zevende alinea worden documenten in het bezit van de krant vermeld, volgens welke de directeuren van [naam B.V.'s] in 2002 werden beschuldigd van oplichting van huisbankier Fortis, terwijl ook in de negende en slotalinea van het artikel, waar het gaat over de geld- en goederenstromen tussen [naam B.V.'s] Landgraaf en de Belgische zusterbedrijven, wordt verwezen naar gegevens in het bezit van de krant. Ten slotte wordt in de achtste alinea nog de faillissementscurator [naam] als bron aangehaald.

4.8.5. Afgezien van deze bronvermeldingen wordt in het (concept-)artikel op diverse plaatsen melding gemaakt van de andersluidende visie van [geïntimeerden]. In de eerste alinea wordt aangegeven dat [geïntimeerden] zeggen er niet van op de hoogte te zijn dat een bedrag van circa één miljoen euro aan pensioengelden niet is uitbetaald. Verder wordt in de achtste alinea één van de beide broers geciteerd. (geïntimeerde sub 1) zegt daar het volgende:

'We hebben alles op alles gezet om te overleven. En daarin zijn we heel erg ver gegaan. Maar we hebben niets illegaals gedaan.'

Even verderop wordt nog vermeld dat volgens [geïntimeerden] 'nooit één euro illegaal naar België [hof: is] gegaan'. Dat de standpunten van [geïntimeerden] aldus niet of niet juist zouden zijn weergegeven, is door hen niet (gemotiveerd) gesteld.

4.8.6. Ten slotte acht het hof relevant dat ook [geïntimeerden] (MvA sub 24) zèlf melding maken van een vordering terzake achterstallige pensioenpremies van de pensioenverzekeraar Aegon; een vordering die [geïntimeerden] overigens betwisten.

4.8.7. Gelet op alle omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, is het hof van oordeel dat er in casu geen sprake van is dat [geïntimeerden] op lichtvaardige wijze verdacht worden gemaakt. Het belang van [geïntimeerden] om niet, in elk geval niet negatief, in de pers te komen moet wijken voor het belang bij, kort gezegd, een vrije meningsuiting (zie art. 10 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden - EVRM- ) waardoor misstanden in dit geval, kort samengevat, het volgens [appellanten] niet afgedragen zijn van pensioengelden, aan de kaak kunnen worden gesteld. De resultaten van onderzoeken van de curatoren en de Fiod, waarvan voorshands in elk geval niet duidelijk is wanneer die zullen zijn afgerond en/of in hoeverre die relevant zijn, behoeven niet te worden afgewacht. [geïntimeerden] betwisten weliswaar de feitelijke juistheid van de door [appellanten] vertolkte standpunten, maar het gaat in het bewuste artikel in elk geval om een gedocumenteerde interpretatie van de feiten en [appellanten] hebben, door de voormelde weergave van de standpunten van [geïntimeerden], voldoende melding gemaakt van de op een andersluidende interpretatie van de feiten gebaseerde mening van [geïntimeerden]. Uit het voorgaande volgt dat de beoogde krantenpublicatie "Pensioenpremies [naam B.V.'s] weg" jegens [geïntimeerden] voorshands niet onrechtmatig is. In zoverre falen de opgeworpen grieven dan ook.

"De beerput van [naam B.V.'s]"

4.9.1. Volgens dit (concept-)artikel was er, toen in augustus 2005 het doek viel voor [naam B.V.'s] uit [plaats], 'een gapend gat van ongeveer 45 miljoen euro. Volgens directeuren [geïntimeerden] ligt de oorzaak buiten het bedrijf. Ex-medewerkers en zakencontacten denken daar anders over en trekken de beerput open', aldus de eerste alinea van de concept-publicatie.

4.9.2. Voor het antwoord op de vraag of deze beoogde krantenpublicatie jegens [geïntimeerden] al dan niet onrechtmatig is, acht het hof de volgende omstandigheden relevant.

4.9.3. Allereerst is het hof van oordeel dat het onderwerp van het betreffende artikel, kort gezegd, de vraag waardoor het faillissement van [naam B.V.'s] uit Landgraaf werd veroorzaakt, een thema is dat, gelet op de omvang van de onderneming en de gevolgen die haar faillissement dientengevolge voor anderen heeft gehad, nog steeds een misstand betreft die de samenleving raakt.

4.9.4. Voorts acht het hof (ook hier) relevant dat op diverse plaatsen in het concept-artikel de bronnen worden vermeld waarop [appellanten] zich baseert en dat die bronnen op een aantal plaatsen ook worden geciteerd. Zo wordt melding gemaakt van oud-medewerkers, waarvan sommigen met de voornamen [naam 1], [naam 2], [naam 3] en [naam 4] worden aangeduid en worden zij ook een aantal malen geciteerd (bijvoorbeeld: [naam 2] op pagina 2 en [naam 4] op pagina 3). Ook wordt een Italiaanse tussenhandelaar in de vleessector met de naam [naam tussenhandelaar] aangehaald. In het artikel wordt verder het relaas vermeld van de oud-medewerker [naam 5] die op het vliegveld van Nice een bedrag van ongeveer 200.000 gulden in Franse francs van deze [naam tussenhandelaar] overhandigd heeft gekregen en die dit bedrag vervolgens aan zijn baas (geïntimeerde sub 1) heeft overhandigd. [naam tussenhandelaar] wordt vervolgens in het artikel geciteerd als hij, geconfronteerd met de geldvluchten, als volgt antwoordt:

'Ik weet niet wat u bedoelt. Ja, dat is misschien één keer gebeurd, maar ik wil daar niet aan de telefoon over praten.'

Ook andere bronnen worden vermeld. De woordvoerster van het functioneel parket, [naam], bevestigt volgens het artikel dat de Fiod een vooronderzoek is begonnen in de zaak [naam B.V.'s], maar wil niet ingaan op de inhoud en aanleiding van dat onderzoek. De jaarrekening over 2002, die volgens het artikel pas in oktober 2004 werd gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel, wordt vermeld en ook de accountant die in 2002 de jaarrekening controleerde, wordt geciteerd. Deze accountant gaf 'geen oordeel [...] omtrent de getrouwheid van de jaarrekening als geheel', volgens het artikel vanwege de administratieve chaos bij [naam B.V.'s]. Ook wordt geciteerd uit brieven van [datum 4] en [datum 5] die Fortis als toenmalige huisbankier aan [naam B.V.'s] te [plaats] schreef. De brief van [datum 4], door [appellanten] overgelegd als productie C bij dagvaarding in hoger beroep, was volgens het artikel geschreven nadat op basis van een rekening van [naam B.V.'s] van 1,6 miljoen euro ingediend vanwege vlees dat nooit was verkocht, Fortis een voorschot had verstrekt. Het citaat luidt als volgt:

'Indien wij hetgeen ten aanzien van deze facturatie gepasseerd is, concreet bij de naam noemen, dan komen wij op het terrein van het wetboek van Strafrecht en wel artikel 326 waarin het delict Oplichting is bepaald. Een en ander is voor ons dan ook de aanleiding geweest om thans definitief het vertrouwen in u als directie op te zeggen.'

Op [datum 5] stuurt Fortis blijkens het artikel weer een brief naar [naam B.V.'s]. In het artikel wordt uit die brief als volgt geciteerd:

'Fortis Commercial Finance nv is geconfronteerd met een fors bedrag aan fake facturatie, waardoor wij thans in de kredietlijnen een overschrijding administreren ten bedrage van ongeveer 2,5 miljoen (zeggen twee en een half miljoen Euro!!!) Bij directe invordering van dat bedrag is een faillissement van het bedrijf onafwendbaar hetgeen, ook gelet op de belangen van de werknemers, de andere crediteuren en gelet op de saneringsronde in de sector, niet wenselijk is.'

Blijkens het artikel zijn [geïntimeerden] vervolgens onder druk van Fortis afgetreden, hetgeen [geïntimeerden] op hun beurt overigens ook erkennen (MvA sub 29).

4.9.5. Ook in de publicatie "De beerput van [naam B.V.'s]" wordt op verschillende plaatsen melding gemaakt van het standpunt van [geïntimeerden]. In de eerste alinea (zie r.o. 4.9.1) wordt al gemeld dat volgens de directeuren, [geïntimeerden], de oorzaak van het gat van circa 45 miljoen euro buiten het bedrijf ligt. Op pagina 2 van het concept-artikel wordt een alinea gewijd aan het standpunt van [geïntimeerden] naar aanleiding van het relaas over de geldvluchten:

' "Niets aan de hand", is [hof: geïntimeerde sub 1] reactie. [naam tussenhandelaar] heeft hem vlak voor het gesprek ingelicht dat hij contact heeft gehad met deze krant. "Het klopt dat we regelmatig geld gingen halen bij [naam tussenhandelaar]. Hij was onze tussenpersoon in Italië. In landen als Italië en Griekenland gaat niets zonder zwart geld." Volgens [naam B.V.'s] werd het geld van [naam tussenhandelaar] gebruikt als smeergeld, met medeweten van de fiscus. Het geld zou gestort zijn op Zwitserse rekeningen. Maar de bewering dat het om tonnen ging, is volgens hem onzin.'

Verderop in de publicatie, waar het gaat over de niet afgedragen pensioenpremies - circa één miljoen euro pensioengelden zouden zijn verdwenen - volgt wederom het standpunt van [geïntimeerden]:

'De directeuren [naam B.V.'s] zeggen van niks te weten en willen de zaak uitzoeken. Maar ruim anderhalve week na het interview hebben ze nog niets laten horen.'

Wat betreft het jaar 2002 volgt op de passage dat de accountant geen oordeel gaf over de getrouwheid van de jaarrekening als geheel het standpunt van (geïntimeerde sub 1):

' "Ach 2002 was een moeilijke tijd", blikt [geïntimeerde sub 1] terug "In de cijfers kun je dan wat spelen met voorraden, afschrijving, vorderingen en schulden." '

Wat betreft de kwestie rond Fortis luidt het standpunt van [geïntimeerden] blijkens het artikel als volgt:

'Het hele Fortis-verhaal berust volgens oud-directeur [geïntimeerde sub 1] op een misverstand. Een koper had hen laten zitten met het vlees.'

Dat de standpunten van [geïntimeerden] aldus niet of niet juist zouden zijn weergegeven, is door hen niet (gemotiveerd) gesteld.

4.9.6. Gelet op alle omstandigheden van het geval, in onderlinge samenhang bezien, is het hof, ook wat betreft de onderhavige publicatie, van oordeel dat er niet sprake is van lichtvaardige verdachtmakingen van [geïntimeerden]. Ook hier geldt dat het belang van [geïntimeerden] om niet, althans niet negatief, in de pers te komen moet wijken voor het belang bij, kort gezegd, een vrije meningsuiting (zie art. 10 EVRM), waardoor misstanden, in casu, kort gezegd, verdwenen gelden, een onduidelijke administratie en gefingeerde facturen betreffende de onderneming [naam B.V.'s] te [plaats], aan de kaak kunnen worden gesteld. De resultaten van eventuele onderzoeken van de curatoren en de Fiod, waarvan voorshands niet duidelijk is wanneer die zullen zijn afgerond en/of in hoeverre die relevant zijn, behoeven dan ook niet te worden afgewacht. [geïntimeerden] betwisten weliswaar de feitelijke juistheid van de door [appellanten] vertolkte standpunten, maar het gaat ook in dit artikel in elk geval om een gedocumenteerde interpretatie van de feiten en [appellanten] hebben, door de voormelde weergave van de standpunten van [geïntimeerden], voldoende melding gemaakt van de op een andersluidende interpretatie van de feiten gebaseerde mening van [geïntimeerden]. Ook hier komt het hof tot het oordeel dat de beoogde krantenpublicatie "De beerput van [naam B.V.'s]" jegens [geïntimeerden] voorshands niet onrechtmatig is. Ook in zoverre falen de grieven.

Slotsom

4.10. Uit al het voorgaande volgt dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De vorderingen van [geïntimeerden] dienen alsnog te worden afgewezen; de vordering terzake de publicatie "De miljoenen van de [naam] en gesjoemel met vlees" wegens gebrek aan belang. [geïntimeerden] dienen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep te worden veroordeeld.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het tussen partijen door de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 7 april 2006;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerden] af;

veroordeelt [geïntimeerden] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van [appellanten] worden begroot op

E. 248,-- aan verschotten en E. 816,-- aan salaris procureur in eerste aanleg en op E. 585,86 aan verschotten en E. 1.341,-- aan salaris procureur voor het hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Zwitser-Schouten, Venner-Lijten en H. Vermeulen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 14 november 2006.