Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ2634

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-09-2006
Datum publicatie
21-11-2006
Zaaknummer
05/00602
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het geschil tussen partijen betreft uitsluitend nog het antwoord op de vraag of de Rechtbank bij de beoordeling van het gewicht van de zaak terecht de factor 0,5 (licht) heeft toegepast. Belanghebbende meent dat een wegingsfactor van 0,5 teleurstellend laag is en dat deze, gelet op de dossiervorming en de hoogte van het bestreden bedrag, in redelijkheid moet worden vastgesteld op 1,5 (zwaar). De Inspecteur acht de door de Rechtbank toegepaste wegingsfactor van 0,5 juist.

Voor de vaststelling van de kosten van rechtsbijstand dient naar het oordeel van het Hof uitgegaan te worden van een gemiddeld gewicht van de zaak in de zin van onderdeel C1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. De wegingsfactor biedt immers de mogelijkheid om recht te doen aan de verschillen tussen zaken. Het gewicht van een zaak wordt bepaald door het belang en de ingewikkeldheid. Zowel het belang als de ingewikkeldheid van de onderhavige zaak zijn gemiddeld, zodat naar het oordeel van het Hof de wegingsfactor moet worden vastgesteld op 1. Er is daarbij in casu geen reden om onderscheid te maken tussen de bezwaar- en de beroepsfase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Derde meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 05/00602

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 27o van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op het hoger beroep van:

De erven van X,

Laatstelijk gewoond hebbende te Y en overleden op 6 november 2005, hierna: belanghebbenden,

tegen de mondelinge uitspraak van de Rechtbank Breda van

1 december 2005, kenmerk: AWB 05/2101 inzake het geding tussen:

belanghebbenden

en

de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst Z van de rijksbelastingdienst, hierna: de Inspecteur.

met betrekking tot:

de uitspraken van de Inspecteur van 3 juni 2005 op de bezwaarschriften van de heer X, voornoemd, tegen de boetebeschikkingen in verband met te late betaling van omzetbelasting over het tijdvak 1 april 1998 tot en met 30 juni 1998 en 1 januari 1999 tot en met 31 december 2002.

Het onderzoek ter zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 31 augustus 2006 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbenden, alsmede de Inspecteur.

Na behandeling van de zaak heeft het Hof heden, 14 september 2006, de volgende mondelinge uitspraak gedaan.

De beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch enkel voor wat betreft de beslissing omtrent de proceskosten;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbenden, vastgesteld op in totaal € 1.449,=, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

- gelast dat de Staat aan belanghebbenden het door hen ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 207,= vergoedt.

De gronden

1. Tussen partijen is enkel in geschil de hoogte van de door Rechtbank toegekende proceskostenvergoeding.

2. Ter zitting hebben belanghebbenden bij monde van hun gemachtigde uitdrukkelijk verklaard dat zij alsnog instemmen met de beslissing van de Rechtbank om beide bezwaarschriften gedurende de gehele loop van het geding als één samenhangende zaak te beschouwen en deswege de factor 1 (minder dan 4 samenhangende zaken) toe te passen.

3. Het geschil tussen partijen betreft uitsluitend nog het antwoord op de vraag of de Rechtbank bij de beoordeling van het gewicht van de zaak terecht de factor 0,5 (licht) heeft toegepast. Belanghebbende meent dat een wegingsfactor van 0,5 teleurstellend laag is en dat deze, gelet op de dossiervorming en de hoogte van het bestreden bedrag, in redelijkheid moet worden vastgesteld op 1,5 (zwaar). De Inspecteur acht de door de Rechtbank toegepaste wegingsfactor van 0,5 juist.

4. Voor de vaststelling van de kosten van rechtsbijstand dient naar het oordeel van het Hof uitgegaan te worden van een gemiddeld gewicht van de zaak in de zin van onderdeel C1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht. De wegingsfactor biedt immers de mogelijkheid om recht te doen aan de verschillen tussen zaken. Het gewicht van een zaak wordt bepaald door het belang en de ingewikkeldheid. Zowel het belang als de ingewikkeldheid van de onderhavige zaak zijn gemiddeld, zodat naar het oordeel van het Hof de wegingsfactor moet worden vastgesteld op 1. Er is daarbij in casu geen reden om onderscheid te maken tussen de bezwaar- en de beroepsfase.

5. Wat betreft de veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten zal het Hof de uitspraak van de Rechtbank vernietigen. Mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, stelt het Hof de kosten van de bezwaarfase op € 161,= (1 punt voor het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 161,= en een wegingsfactor van 1), de kosten van de beroepsfase op € 644,= (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,= en een wegingsfactor 1) en de kosten van de hoger beroepsfase eveneens op € 644,= (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,= en een wegingsfactor 1).

De proceskostenvergoeding bedraagt derhalve in totaal

€ 1.449,=.

Het griffierecht

Gelet op artikel 27p, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dient de Staat aan belanghebbenden het door hen ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 207,= te vergoeden.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

Aldus gedaan door A.J. van Soest, voorzitter, N. van Beelen en J.W. Zwemmer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 september 2006.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden

op: 21 september 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht.

d. de gronden van het beroep in cassatie

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.