Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ1916

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
04-12-2006
Zaaknummer
20-010199-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

KB-Lux zaak: verwerping niet-ontvankelijkheidsverweren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2006-2243
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-010199-05

Uitspraak : 4 juli 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Roermond van

12 juli 2005 in de strafzaak met parketnummer 04-610173-01 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (L) op [geboortedatum] 1940,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen, bewezen zal verklaren hetgeen onder 1 ten laste is gelegd -met uitzondering van de aangifte voor vermogensbelasting over het jaar 1998- en verdachte deswege zal veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, alsmede tot een geldboete van EUR 30.000,--, subsidiair

285 dagen hechtenis. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde vordert de advocaat-generaal dat het hof verdachte daarvan zal vrijspreken.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 maart 1996 en/of op of omstreeks 27 maart 1997 en/of op of omstreeks 21 april 1998 en/of op of omstreeks 27 april 1999, althans op verschillende tijdstippen, althans eenmaal, in de periode van 26 maart 1996 tot en met 27 april 1999, in de gemeente Venlo, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer rechtspersonen en/of een of meer natuurlijke personen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting over het/de jaar/jaren 1994 en/of 1995 en/of 1996 en/of 1997 en/of vermogensbelasting over het/de jaar/jaren 1995 en/of 1996 en/of 1997 en/of 1998 (telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, althans heeft laten doen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk op die/dat bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Venlo ingeleverde aangifte(n) voor de inkomstenbelasting over het/de jaar/jaren 1994 en/of 1995 en/of 1996 en/of 1997 en/of vermogensbelasting over

het/de jaar/jaren 1995 en/of 1996 en/of 1997 en/of 1998 (telkens) geen of een onjuist bedrag aan (buitenlandse) rente-inkomsten en/of het saldo/de saldi inzake (een) bankrekening(en) bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg, althans een bankinstelling te Luxemburg (onder andere met de/het rekeningnummer(s) [rekeningnummer]) opgegeven en/of vermeld, althans heeft/hebben doen of laten opgeven en/of vermelden, terwijl (respectievelijk)

- daarvan (telkens) het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven en/of

- dat feit er (telkens) toe heeft gestrekt dat te weinig belasting werd geheven;

2.

hij op of omstreeks 27 maart 2000 en/of op of omstreeks 14 mei 2001 in de gemeente Venlo, althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer rechtspersonen en/of een of meer natuurlijke personen, althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting over het/de jaar/jaren 1998 en/of 1999 en/of vermogensbelasting over het/de jaar/jaren 1999 en/of 2000 (telkens) onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, althans heeft laten doen, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk op die/dat bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Venlo ingeleverde aangifte(n) voor de inkomstenbelasting over het/de jaar/jaren 1998 en/of 1999 en/of vermogensbelasting over het/de jaar/jaren 1999 en/of 2000 (telkens) geen of een onjuist bedrag aan (buitenlandse) rente-inkomsten en/of het saldo/de saldi inzake (een) bankrekening(en) bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg, althans een bankinstelling te Luxemburg (onder andere met de/het rekeningnummer(s) [rekeningnummer]) opgegeven en/of vermeld, althans heeft/hebben doen of laten opgeven en/of vermelden, terwijl dat feit er (telkens) toe heeft gestrekt dat te weinig belasting werd geheven.

In deze weergave van de tenlastelegging zijn de door de eerste rechter aangebrachte verbeteringen begrepen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Op de gronden als in de door hem overgelegde pleitnotities vervat, heeft de raadsman bepleit dat het openbaar ministerie in zijn strafvervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard. De raadsman heeft daartoe ook gewezen op de door hem in eerste aanleg overgelegde pleitnotities.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat – naar het hof de verweren verstaat -:

A. het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden.

B. het bewijs, te weten de documenten en microfiches van de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg, bij het opsporingsonderzoek in België, welke later aan de Nederlandse autoriteiten is overgedragen, op onrechtmatige wijze is verkregen;

C. het openbaar ministerie in strijd met het zogenaamde “una via”-beginsel tot strafvervolging is overgegaan, nu over eerder gelegen jaren dan ten laste gelegd -jaren die deel uitmaken van hetzelfde feitencomplex- navorderingsaanslagen zijn opgelegd met bestuurlijke boeten.

Het hof zal de verweren bespreken onder D. tot en met G.

D.

Ten aanzien van het onder A. weergegevene, overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 30 oktober 2001, zijnde de datum waarop de woning van verdachte is doorzocht en hij voor de eerste maal als verdachte is gehoord. Op 12 juli 2005 heeft de rechtbank Roermond vonnis gewezen, derhalve ruim 3 jaar en 8 maanden later.

Naar het oordeel van het hof is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn geschonden. Bij dit oordeel heeft het hof rekening gehouden met de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de processuele houding van verdachte, de aard en ernst van het ten laste gelegde, de ingewikkeldheid van de zaak, de vraag of verdachte al dan niet preventief is gedetineerd en de mate van voortvarendheid waarmee deze strafzaak door de justitiële autoriteiten is behandeld. Het hof merkt in dit verband op dat de behandeling in eerste aanleg niet is afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de hiervoor genoemde termijn, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht, die deze overschrijding rechtvaardigen.

Bij afweging van de betrokken belangen, te weten het belang dat de gemeenschap

ook na overschrijding van de redelijke termijn behoudt bij normhandhaving door

berechting enerzijds en anderzijds het belang van de verdachte bij het verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, zou een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie geen passende reactie vormen.

Het verweer wordt verworpen.

E.

Ten aanzien van het onder B. weergegevene, overweegt het hof als volgt.

E.1.

De Belgische justitie is -zonder wetenschap of bemoeienis van Nederlandse opsporingsambtenaren of ambtenaren van het openbaar ministerie– op enig moment in 1995 in het bezit gekomen van documenten en microfiches van de Kredietbank Luxembourg, en wel via een inbeslagname in een justitieel onderzoek. De Belgische belastingdienst heeft vervolgens in 2000 de gegevens, voorzover die betrekking hebben op Nederlandse belastingplichtigen, ter beschikking gesteld van de Nederlandse Belastingdienst.

Op grond hiervan is vervolgens in Nederland een opsporingsonderzoek gestart naar onder andere verdachte. Het door het hof gebezigde bewijsmateriaal is in het kader van dat onderzoek verkregen.

Het hof is van oordeel dat onder de genoemde omstandigheden de Nederlandse autoriteiten erop mochten vertrouwen dat de gegevens rechtmatig door de Belgische autoriteiten zijn verkregen en derhalve op die startinformatie mochten afgaan in die zin dat op grond van de daardoor gerezen verdenking een opsporingsonderzoek in Nederland mocht worden ingesteld en dat, ook al zou later blijken dat aan de verkrijging van die informatie in België enig gebrek zou kleven, zulks niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn strafvervolging kan leiden. Hetgeen in het verweer is aangevoerd (dat de documenten en de microfiches zouden zijn gestolen door personeel van de Kredietbank Luxembourg) leidt tot geen andere conclusie. Immers, niet valt in te zien welk rechtens te beschermen belang van verdachte door deze beweerdelijke onrechtmatigheid vanwege de (Belgische en/of Nederlandse) overheid is geschonden, nu deze diefstal zou hebben plaatsgevonden door natuurlijke personen in een bedrijf in het buitenland dat toebehorende aan een ander dan aan verdachte.

E.2.

De raadsman heeft in hoger beroep nog betoogd dat het niet is uit te sluiten dat in het zogenaamde “Rekeningenproject”, van welk project de onderhavige strafzaak tegen verdachte deel uit maakt, eveneens sprake is van onrechtmatig handelen jegens verdachte door de Nederlandse overheid. Het hof overweegt hieromtrent dat gebleken noch aannemelijk is geworden dat het openbaar ministerie kennis heeft gehad van de vermeende onrechtmatigheden in België. De van de zijde van de verdachte daartoe aangevoerde omstandigheden zijn op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk geworden. De enkele verwijzing van de raadsman naar een zinsnede uit een krantenartikel is voor het hof geen aanleiding om hierover een ander standpunt in te nemen.

Het hof verwerpt het verweer.

E.3.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi het hof nogmaals verzocht om in dit verband nader onderzoek te doen en een zestal getuigen te horen over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de Belgische justitie aan het bewijsmateriaal is gekomen dan wel over de vraag of en zo ja, in hoeverre de Nederlandse autoriteiten binnen het zogenaamde Rekeningenproject onrechtmatig hebben gehandeld.

Het hof overweegt dat de noodzaak niet is gebleken en wijst dit verzoek af, onder verwijzing naar de hiervoor onder E.1. en E.2. reeds weergegeven overwegingen.

F.

Ten aanzien van het onder C. weergegevene, overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt voorop dat ingevolge het in artikel 167 van het Wetboek van Strafvordering vervatte opportuniteitsbeginsel het openbaar ministerie is belast met de vervolging van strafbare feiten, en dat het op gronden aan het maatschappelijk belang ontleend, van een dergelijke vervolging kan afzien. Het openbaar ministerie komt bij de in dit verband te nemen beslissingen een ruime beleidsvrijheid toe, welke vrijheid slechts een begrenzing vindt in de beginselen van een goede procesorde.

Het hof overweegt dat de omstandigheid dat in het verleden boetes zijn opgelegd, zoals door de raadsman in hoger beroep is gesteld, er niet aan in de weg staat dat het openbaar ministerie ten aanzien van andere jaren tot vervolging over gaat.

Over de ten laste gelegde perioden -de jaren 1994, 1995, 1996, 1997, 1998 en 1999 voor inkomstenbelasting en de jaren 1995, 1996, 1997, 1998, 1999 en 2000 voor vermogensbelasting-, welke perioden naar het oordeel van het hof telkens een ander feitencomplex betreft, heeft de belastingdienst geen bestuurlijke boeten opgelegd. Er is aldus geen sprake van schending van het zogenaamde “una via”-beginsel en het stond het openbaar ministerie derhalve vrij om te beslissen tot strafrechtelijke vervolging van laatstgenoemde tijdvakken.

Het hof verwerpt het verweer.

G.

Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd of anderszins aannemelijk zijn geworden die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Vrijspraak

Het hof is van oordeel dat bij gebrek aan voldoende wettige bewijsmiddelen niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Het hof komt tot deze conclusie op grond van het volgende. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep is genoegzaam gebleken dat verdachte in de tweede helft van 1997 alle gelden van de desbetreffende rekening bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg, heeft opgenomen. Hoewel die rekening daarna nog kleine restbedragen vertoont, is naar het oordeel van het hof ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde pleegdata aan de zijde van verdachte geen sprake geweest van enig opzet op het doen van een onjuiste en onvolledige aangifte voor de inkomstenbelasting en vermogensbelasting. Dit geldt eveneens ten aanzien van het doen van een onjuiste en onvolledige aangifte van de vermogensbelasting over het jaar 1998, zoals onder 1 is ten laste gelegd, zodat verdachte ook van dit deel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 26 maart 1996 en op 27 maart 1997 en op 21 april 1998 en op 27 april 1999, in de gemeente Venlo, telkens opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 1994 en 1995 en 1996 en 1997 en vermogensbelasting over de jaren 1995 en 1996 en 1997 telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft hij, verdachte, telkens opzettelijk op die bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Venlo ingeleverde aangiften voor de inkomstenbelasting over de jaren 1994 en 1995 en 1996 en 1997 en vermogensbelasting over de jaren 1995 en1996 en 1997 telkens geen bedrag aan buitenlandse rente-inkomsten en geen saldo inzake een bankrekening bij de Kredietbank Luxembourg te Luxemburg, met het rekeningnummer [rekeningnummer], opgegeven en vermeld, terwijl

- daarvan telkens het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven of

- dat feit er telkens toe heeft gestrekt dat te weinig belasting werd geheven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Het hof leest verbeterd tussen de zinsdelen “rente-inkomsten en” en “saldo inzake” in de negende regel van de bewezenverklaring, in het woord “geen”. Nu het slechts een grammaticale verbetering betreft, is verdachte door deze verbetering niet in zijn belangen geschaad.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is ten aanzien van de pleegdata 26 maart 1996 en 27 maart 1997 voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 68 (zoals dat luidde ten tijde van het bewezen verklaarde), eerste lid, aanhef en onder a en laatste volzin, juncto tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 57, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 1 is ten aanzien van de pleegdata 21 april 1998 en 27 april 1999 voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 69 (zoals dat luidde ten tijde van het bewezen verklaarde), tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto artikel 57, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij met zijn handelwijze de Staat en daarmee indirect de Nederlandse samenleving, gedurende enkele jaren ernstig financieel nadeel heeft toegebracht.

Bij de straftoemeting heeft het hof anderzijds rekening gehouden met de omstandigheid dat het hof minder bewezen heeft geacht dan de eerste rechter.

Voorts ziet het hof in de termijnoverschrijding, zoals hiervoor onder D weergegeven, aanleiding een lagere straf op te leggen dan het hof zonder deze verdragsschending zou hebben opgelegd. Het hof is van oordeel dat voor het bewezen verklaarde een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, alsmede een geldboete van EUR 30.000,--, subsidiair 285 dagen hechtenis, passend zou zijn, doch in verband met de hiervoor geconstateerde schending van het recht van de verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn zullen slechts de in de beslissing te noemen straffen worden opgelegd.

Anders dan de raadsman, is het hof van oordeel dat naast het opleggen van een geldboete, het opleggen van een taakstraf, bestaande uit het verrichten van een werkstraf, geboden is. Het hof ziet geen aanleiding om van dit standpunt af te wijken.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 9, 22c, 22d, 23, 24, 24c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 bewezen verklaarde oplevert:

? ten aanzien van de pleegdata 26 maart 1996 en 27 maart 1997:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven, meermalen gepleegd;

en

? ten aanzien van de pleegdata 21 april 1998 en 27 april 1999:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van

160 (honderdzestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 80 (tachtig) dagen hechtenis.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 30.000,00 (dertigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 285 (tweehonderdvijfentachtig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. H. Harmsen, voorzitter,

mr. A. de Lange en mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend,

in tegenwoordigheid van mr. N. van der Velden, griffier,

en op 4 juli 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.