Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ1909

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-09-2006
Datum publicatie
09-11-2006
Zaaknummer
C200501127-BR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vraag of wn in dienst is vanaf 1 september 1981 en of dit dienstverband ondanks onderbreking van 12 februari 1995 tot 17 december 1996 heeft te gelden als ononderbroken voortdurend. Beide vragen ontkennend beantwoord. De beëindiging dienstverband is het gevolg van vrijwillig ontslag wn. Vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. NJ

rolnr. C0501127/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

achtste kamer, van 5 september 2006,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats], België,

appellant bij exploot van dagvaarding

van 17 augustus 2005,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

het rechtspersoonlijkheid bezittende UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN,

gevestigd te [vestigingsplaats], en mede gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

niet verschenen,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Breda, sec-tor kanton, locatie Breda, onder zaaknummer 316628/CV/04-4682 gewezen vonnis van 22 juni 2005 tussen appellant – [X.] – als eiser en de geïntimeerde – UWV – als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij memorie van grieven heeft appellant drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het von-nis van 22 juni 2005, waarvan beroep, en, opnieuw recht doende, te verklaren voor recht dat appellant in dienst is bij geïntimeerde vanaf 1 september 1981 en dat dit dienst-verband, ondanks de onderbreking van 12 februari 1995 tot 17 december 1996 heeft te gelden als ononderbroken voort-durend, met veroordeling van de geïntimeerde in de kosten van het geding in beide instanties.

2.2 Tegen de niet verschenen geïntimeerde is verstek verleend.

2.3 Appellant heeft daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst hiervoor naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 In overweging 3 sub a t/m v heeft de rechtbank vastge-steld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Nu daartegen geen grief is gericht vormen de door de recht-bank vastgestelde feiten ook in hoger beroep het uitgangs-punt.

4.2 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.3 [X.] is vanaf 1 september 1981 tot 12 februari 1995 bij het GAK, een rechtsvoorganger van UWV, in loon-dienst werkzaam geweest als medewerker op de afdeling Ziek-tewet van de vestiging te [vestigingsplaats]. Deze arbeidsover-eenkomst is destijds geëindigd door de opzegging daarvan door [X.] bij brief van 30 januari 1995, welke opzeg-ging door het GAK is aanvaard. Na elders werkzaam te zijn geweest is [X.] op 17 december 1996 opnieuw in loon-dienst getreden van het GAK, dit keer als medewerker op de afdeling WAO van de vestiging te [vestigingsplaats]. [X.] is van mening dat, in afwijking van de op de arbeidsovereenkomst tussen partijen toepasselijke CAO die bepaalt dat verschillende dienstverbanden bij het GAK worden samengeteld wanneer er sprake is van een onderbreking van niet meer dan één maand, zijn op 17 december 1996 met het GAK aan-gevangen arbeidsovereenkomst heeft te gelden als een niet onderbroken dienstverband vanaf 1 september 1981.

Aan dat standpunt legt [X.], kort gezegd, ten grond-slag dat hij als gevolg van mededelingen van zijn toenma-lige werkgever, welke mededelingen waren gebaseerd op een onjuiste interpretatie en toepassing van het Sociaal Plan, in de mening was komen te verkeren dat er bij zijn werkge-ver geen plaats meer voor hem was, reden waarom hij - noodgedwongen - elders een functie heeft aanvaard. De omstandigheden waaronder [X.] de keus voor een func-tie elders maakte waren naar zijn mening zodanig, in het bijzonder de omstandigheid dat hij en zijn bovental-lige collega’s op grond van het Sociaal Plan hadden dienen te worden herplaatst, dat de als gevolg daarvan ontstane onderbreking van zijn dienstverband in redelijkheid buiten beschouwing dient te blijven en dit dienstverband heeft te gelden als te zijn aangegaan op 1 september 1981 en se-dertdien als niet onderbroken voort te duren.

Voorts legt [X.] aan zijn standpunt ten grondslag dat zijn werkgever vanaf 17 december 1996 stukken heeft gehan-teerd en verstrekt op grond waarvan bij hem de gerecht-vaardigde verwachting kon en mocht ontstaan dat zijn werk-gever uitging van een niet onderbroken dienstverband vanaf 1 september 1981.

4.4.1 Het hof zal de eerste en tweede grief gezamenlijk be--handelen. Deze komen erop neer dat de rechtbank ten on-rechte heeft overwogen dat niet van belang is de uitvoe-ring in het algemeen van het toenmalige Sociaal Plan en als onvoldoende feitelijk gegrond heeft verworpen de stel-ling van [X.] dat de onderbreking van zijn dienstver-band hem in redelijkheid niet kan worden tegengeworpen om-dat [X.] geen informatie heeft verschaft over de wij-ze waarop het GAK zich in het kader van de toenmalige re-or-ganisatie jegens hem heeft gedragen.

4.4.2 [X.] heeft als toelichting op de grieven aange-voerd dat het GAK jegens een ieder, dus ook jegens [X.], de indruk heeft gewekt dat zij moesten solliciteren en dat jegens [X.] in het bijzonder de indruk is ge-wekt dat voor hem geen plaats meer was binnen het GAK. Dit terwijl het toepasselijke Sociaal Plan uitging van een verplicht herplaatsingsbeleid van de overtollige werkne-mers. Hij stelt daartoe in eerste aanleg in ieder geval één getuige, de heer [A.] van De Unie te hebben genoemd die kan verklaren omtrent de door zijn werkgeefster jegens [X.] gehanteerde argumenten (zie de overgelegde ver-kla-ring van [A.] bij conclusie van repliek). [X.] stelt door het GAK op het verkeerde been te zijn gezet en dat hij omtrent de feiten en omstandigheden heeft ge-dwaald, reden waarom hij een functie elders heeft aan-vaard.

Voorts stelt [X.] dat de door de kantonrechter geci-teerde brieven van 30 januari 1995 en 26 februari 1995 van [X.] inderdaad niet inhouden dat het GAK zich des-tijds ten opzichte van hem niet aan de regels heeft ge-houden, doch dat [X.] die brieven ook niet heeft ge-noemd, en dat die brieven voor het onderhavige geschil niet van belang zijn, omdat deze brieven voor een ander doel zijn geschreven. De door [X.] gestelde feiten en omstandigheden rechtvaardigen volgens [X.] de conclu-sie dat het UWV (voorheen het GAK) in redelijkheid niet de on-derbreking van het dienstverband aan [X.] kan tegenwerpen.

4.4.3 Het hof oordeelt als volgt.

[X.] heeft op grond van de overgelegde stukken en verklaringen tegenover de betwisting daarvan door UWV in eerste aanleg niet aannemelijk gemaakt dat het GAK des-tijds in concreto heeft gehandeld in strijd met het toen vigerende Sociaal Plan en de inspanningsverplichting van de werkgeefster om tot herplaatsing binnen de organisatie te komen. Veeleer blijkt uit de overgelegde en in eer-ste aanleg geciteerde brieven dat [X.] zelf eieren voor zijn geld heeft gekozen door elders te gaan werken toen hij zag dat een interne sollicitatie naar de afdeling WW zou gaan mislukken.

Ook de in eerste aanleg overgelegde schriftelijke verkla-ring van de heer [A.], waar [X.] zich ook in hoger beroep op beroept, spreekt niet van nalatig functioneren van het GAK. Daaruit blijkt slechts van zijn indruk dat men eigenlijk niet bereid was om de heer [X.] een an-dere functie aan te bieden en dat hij hem heeft geadvi-seerd om een toen bestaande aanbieding om als schadere-gelaar bij een andere werkgever te beginnen aan te nemen.

UWV heeft nog aangevoerd dat zij bij brief van 31 ok-to-ber 1994 aan [X.] heeft meegedeeld dat hij voor deze functie (nog) niet geschikt werd geacht en hem voorgesteld te bezien op welke punten hij zich kon verbeteren (zie pro-ductie 6 bij dupliek). [X.] heeft dit in appel niet weersproken.

Al met al heeft [X.] vrijwillig een dienstverband bij een andere werkgeefster verkozen op een moment dat er nog geen sprake was van een boventallig verklaring.

UWV heeft bij dupliek nog aangevoerd dat de bewuste solli-citatiegesprekken met de collega’s van [X.] eerst heb-ben plaatsgevonden nadat [X.] reeds elders in dienst was getreden. Derhalve kan niet worden gezegd dat UWV (GAK) zich jegens [X.] zodanig heeft gedragen dat zij hem in redelijkheid niet kon houden aan de toepasse-lij---ke CAO-bepaling. Voorts kan het beroep op dwaling niet slagen reeds omdat [X.] niet de buitengerechtelijke of gerechtelijke vernietiging heeft gevorderd van de opzegging van zijn dienstverband op 30 januari 1995, welke opzegging door het GAK is aanvaard.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat uit de in het beroepen vonnis geciteerde brieven van [X.] van 30 januari 1995 en van 26 februari 1995, net zo min als uit enig ander geproduceerd stuk afkomstig uit die perio-de, blijkt dat het GAK zich jegens [X.] niet aan de regels heeft gehouden.

4.4.4 Het hof deelt eveneens het oordeel van de rechtbank dat het door [X.] bij conclusie van repliek gedane be-wijsaanbod feiten en omstandigheden betreffen die, ook als zij zouden komen vast te staan, hem niet kunnen baten. Nog daargelaten dat [X.] zich bij zijn keuze om el-ders een functie te aanvaarden niet kan hebben laten lei-den door achteraf gebleken feiten, doet in dit geschil niet ter zake of diverse personeelsleden destijds door het GAK ten onrechte wegens disfunctioneren zijn ontslagen en later al dan niet weer in dienst zijn genomen; of dat in een individueel geval al dan niet ten onrechte een jubi-leumuitkering werd verstrekt; dan wel dat aan andere vrij-willig vertrokken werknemers wel een vertrekpremie zou zijn toegekend.

Voor wat betreft die vertrekpremie heeft bovendien te gel-den dat [X.] er blijkens zijn mededeling in het slot van zijn op 23 maart 2005 in eerste aanleg genomen akte des-tijds bewust van heeft afgezien zijn vermeende aan-spraak ter zake in rechte geldend te maken.

4.4.5 Bij zijn bewijsaanbod heeft [X.] tevens aange-boden om zijn toenmalige raadsman [A.] als getuige te doen horen, evenwel zonder aan te geven wat deze getuige nog zou kunnen verklaren in aanvulling op of anders dan hetgeen hij ([A.]) heeft geschreven in zijn bij conclu-sie van repliek overgelegde brief aan [X.] van 6 december 2004.

4.4.6 In deze brief komt tot uitdrukking dat [X.] [A.], die uit hoofde van zijn toenmalige functie van re-gio-manager van de Unie al eerder bij de betreffende re-or-ganisatie bij het GAK te [plaatsnaam] was betrokken en van me-ning was dat het GAK het Sociaal Plan op onderdelen niet volgde, heeft ingeschakeld om te bemiddelen nadat [X.] na een interne sollicitatie was afgewezen, terwijl het Sociaal Plan aangaf “dat de werkgever de verplichting had de werknemers middels scholing geschikt te maken voor de nieuwe functies.”

4.4.7 Voorts blijkt uit deze brief dat na het kennelijk door [X.] in de stukken bedoelde gesprek van hem en [A.] met het hoofd afdeling P&O, waarin naar voren kwam dat het GAK “eigenlijk niet bereid was” om [X.] een an-dere functie aan te bieden, [A.] aan [X.] heeft geadviseerd om “gelet op bovenstaande omstandigheden”, het aanbod om als letselschaderegelaar bij een andere werkge-ver te beginnen te aanvaarden, welk advies [X.] blijk-baar heeft opgevolgd.

4.4.8 Hetgeen in het voorgaande is overwogen leidt het hof tot de conclusie dat, indien en voor zover het GAK te [plaatsnaam] als rechtsvoorganger van UWV bij de reorganisatie in 1994/1995 het Sociaal Plan al onjuist zou hebben geïnter-pre-teerd en jegens [X.] toegepast, zulks niet is te beschouwen als een zodanig onredelijke gedraging dat dit ertoe zou moeten leiden dat het dienstverband geacht moet worden vanaf 1 september 1981 ononderbroken te heb-ben voortgeduurd, nu [X.] ondanks die vermeend onjuiste toepas-sing er bewust en gesteund door zijn adviseur voor heeft gekozen vrijwillig ontslag te nemen. De grieven 1 en 2 worden mitsdien verworpen.

4.5 Met zijn derde grief maakt [X.] bezwaar tegen de overweging van de rechtbank dat de door [X.] bij dag-vaar-ding in eerste aanleg overgelegde stukken niet ondub-bel-zinnig inhouden dat het UWV met voorbijgaan aan de CAO de datum 1 september 1981 als de begindatum van een nadien ononderbroken voortdurend dienstverband heeft aangemerkt.

Ook deze grief faalt.

4.5.1 Blijkens de toelichting op de grief is [X.] de mening toegedaan dat hij, in de wetenschap dat het GAK c.q. het UWV kon en diende in te zien dat de onderbreking van zijn dienstverband een rechtstreeks gevolg was van het onjuist handelen van het GAK, kon en mocht veronderstellen en verwachten dat zijn werkgever het dienstverband ondanks de feitelijke onderbreking zou blijven aanmerken als niet onderbroken. Zoals in het voorgaande overwogen is niet ko-men vast te staan dat de beëindiging van zijn arbeidsover-een-komst per 12 februari 1995 met de daaropvolgende onder-breking een rechtstreeks gevolg is geweest van onjuist han---delen van het GAK, zodat het GAK zich zulks bij of na de wederindiensttreding van [X.] op 17 december 1996 niet bewust kon zijn en zich evenmin bewust behoefde te zijn.

4.5.2 In zijn verweer heeft het UWV in eerste aanleg een ge-noegzame en door [X.] niet bestreden verklaring ge-geven voor de vermelding na zijn wederindiensttreding op 17 december 1996 van de datum 1 september 1981 als datum van indiensttreding op door hem overgelegde stukken, zoals zijn vakantie- en snipperdagenkaart, alsmede enige corres-pon-dentie, namelijk dat het centrale, geautomatiseerde personeelsregistratiesysteem een oud-medewerker bij weder-indiensttreding “herkent” en hem automatisch zijn oude personeelsnummer toekent, welk personeelsnummer in het systeem correspondeert met de datum van de eerste in-dienst-treding. Aan [X.] kan worden toegegeven dat het op de weg van het UWV ligt om een dergelijke toepassing van het systeem te voorkomen en zonodig te herstellen, doch anderzijds geeft een dergelijke evidente vergissing aan [X.] niet het recht daarop zonder meer af te gaan. Met betrekking tot alle desbetreffende door [X.] overgelegde stukken staat vast dat de vermelding van 1 september 1981 als datum van indiensttreding is ontleend aan dit personeelsregistratiesysteem (en niet aan het personeelsdossier).

4.5.3 In aanvulling op hetgeen door de rechtbank is over-wogen met betrekking tot de door [X.] overgelegde e-mail van 1 juli 2004 van P&O adviseur Pruijn geldt nog dat vrij kort nadien, de zomerperiode in aanmerking nemen-de, aan [X.] op 10 september 2003 per e-mail is be-richt dat 17 december 1996 geldt als zijn datum van in-dienst-treding.

4.5.4 Met de rechtbank is het hof dan ook van oordeel dat de door [X.] overgelegde stukken niet ondubbelzinnig inhouden dat het UWV met voorbijgaan aan de toepasselijke CAO de datum 1 september 1981 als de begindatum van een na-dien ononderbroken voortdurend dienstverband heeft aan-gemerkt en dat [X.] zulks ook niet kon en mocht ver-on-derstellen. Het had op de weg van [X.] gelegen om, indien hij toen reeds van mening was dat de onderbreking van zijn dienstverband een rechtstreeks gevolg was van on-juist handelen van het GAK, zulks bij voorkeur bij, of bin-nen redelijke termijn na, zijn wederindiensttreding bij het GAK aan de orde te stellen. In elk geval, immers be-ter wetende, had [X.] navraag behoren te doen naar de be-tekenis van de vermelding op die stukken van 1 september 1981 als datum van indiensttreding voor de bepaling van zijn anciënniteit. Dat [X.] dienaangaande, anders dan pas in 2003, enige actie heeft ondernomen is niet komen vast te staan, noch gebleken.

4.6 Aan het door [X.] in hoger beroep herhaalde be-wijs-aanbod, voor zover nog niet besproken, wordt als zijnde te vaag en/of niet ter zake dienend voorbijgegaan.

4.7 Nu geen van de grieven slaagt zal het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigen onder aanvulling van de gronden. [X.] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep te worden veroordeeld.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep onder aanvulling van de gronden;

veroordeelt [X.] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van UWV begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. Koster-Vaags, Waaijers en Van Voorst van Beest en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 5 september 2006.