Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ1901

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-09-2006
Datum publicatie
09-11-2006
Zaaknummer
C200500651-MA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenarrest.

Ontslagbescherming van oudere wrns ogv art. 11 Sociaal Plan tot ingangsdatum prepensioen geldt in beginsel niet voor oudere wns die na reorganisatie arbeidsongeschikt zijn geworden en voor wie geen passend werk beschikbaar

Wn heeft na reorganisatie ruime restverdiencapaciteit. Hof gelast inl.comparitie ivm nadere info over passend werk bij wg en ivm bereidheid tot (aangepaste) werkhervatting door wn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

C0500651/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

achtste kamer, van 19 september 2006,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding

van 18 maart 2005,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

SAPPI NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. Benner,

op het hoger beroep tegen de door de rechtbank Maastricht, sector kanton, locatie Maastricht, gewezen vonnissen van 22 september 2004 en 19 januari 2005 tussen [X.] als eiseres en Sappi Netherlands B.V. – hierna: Sappi - als gedaagde.

Het geding in eerste aanleg (rolnr. 495/04 en zaaknr. 152321)

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen waarvan beroep.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [X.] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals aan het slot van de memorie is vermeld.

2.2. Sappi heeft de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben de gedingstukken aan het hof overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de gronden van het hoger beroep verwijst het hof naar de inhoud van de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Tegen het tussenvonnis van 22 september 2004 zijn geen grieven gericht zodat [X.] in zoverre in haar beroep niet-ontvankelijk is.

4.2. In het hoger beroep gaat het om de vraag of Sappi de arbeidsovereenkomst met [X.] al dan niet kennelijk onredelijk heeft opgezegd. [X.] heeft in dat kader het herstel van de dienstbetrekking vanaf 31 juli 2003 gevorderd, alsmede doorbetaling van haar loon vermeerderd met vakantietoeslag. Het hof gaat uit van de volgende feiten.

4.2.1. [X.], geboren [geboortejaar], is op 2 november 1964, derhalve op 17-jarige leeftijd, in dienst getreden van (de rechtsvoorgangster van) Sappi. Haar laatstgenoten salaris bedroeg € 2.259,83 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

4.2.2. Sappi heeft in 1997 een reorganisatie doorgevoerd, Project Leadership genaamd. Als gevolg daarvan kwam de functie van [X.] te vervallen. Zij heeft na de reorganisatie op diverse afdelingen van Sappi gewerkt, laatstelijk op de archiefafdeling.

4.2.3. Op grond van art. 11 van het voor de reorganisatie geldende Sociaal Plan (1997 t/m 1999) genoot [X.] ontslagbescherming voor oudere werknemers.

4.2.4. [X.] is op 17 januari 2000 arbeidsongeschikt geworden in verband met schouder- rug- en psychische klachten. Zij was aanvankelijk geheel (80-100%) en vanaf 15 juli 2001 gedeeltelijk (35-45%) arbeidsongeschikt. Tegen de afschatting van haar arbeidsongeschiktheid heeft [X.] bezwaar gemaakt. Noch Sappi noch [X.] heeft het initiatief tot herplaatsing genomen. Sappi heeft [X.] meegedeeld dat geen passend werk voorhanden was en haar geadviseerd een WW-uitkering aan te vragen. De vervolgens met ingang van 16 juli 2001 door [X.] aangevraagde WW-uitkering is afgewezen daar [X.] aangaf niet tot enige arbeid in staat te zijn.

4.2.5. Op 26 juli 2002 heeft Sappi bij de Centrale Organisatie werk en inkomen (CWI) toestemming gevraagd de arbeids- overeenkomst met [X.] op te zeggen. [X.] heeft verweer gevoerd en onder meer betoogd dat zij jegens Sappi heeft aange- geven bereid en in staat te zijn werkzaamheden voor Sappi te verrichten. De CWI heeft daarop advies gevraagd aan UWV/Gak. Bij brief van 23 december 2002 heeft UWV/Gak na een gesprek met het hoofd personeelszaken van Sappi aangegeven dat [X.] aldaar niet kan hervatten in passend werk. Bij beslissing van 3 februari 2003 heeft CWI daarop toestemming verleend de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Bij brief van 5 februari 2003 heeft Sappi de arbeidsovereen- komst met [X.] opgezegd tegen 31 juli 2003, zonder toekenning van een beëindigingsvergoeding. [X.] is dan bijna 56 jaar.

4.2.6. Sappi heeft [X.] gedurende het eerste ziektejaar het loon doorbetaald en gedurende de WAO-periode haar uitkering tot 17 januari 2003 gesuppleerd tot 100% van het laatstgenoten loon.

4.3. [X.] heeft bij exploot van 29 januari 2004 Sappi gedagvaard voor de kantonrechter Maastricht en gevorderd te bepalen dat het door Sappi aan haar verleende ontslag kennelijk onredelijk is en Sappi te veroordelen tot herstel van de dienstbetrekking vanaf 31 juli 2003 onder verbeurte van een dwangsom alsmede doorbetaling van salaris en vakantiegeld onder aftrek van haar arbeidsongeschiktheidsuitkering, (het saldo) te vermeerderen met de wettelijke verhoging, wettelijke rente en kosten. Sappi heeft verweer gevoerd. Bij tussenvonnis van 22 september 2004 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gelast, welke op 10 november 2004 heeft plaatsgevonden. Daaraan voorafgaand hebben partijen notities in het geding gebracht. Het proces-verbaal van de inlichtingencomparitie bevindt zich bij de stukken. Bij eindvonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vorderingen van [X.] afgewezen.

4.4. Grief 1 luidt dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [X.] geen beroep meer kan doen op de bijzondere bescherming uit het Sociaal Plan 1997-1999 van het Project Leadership. [X.] voert aan dat de kantonrechter het Sociaal Plan op dit punt onjuist heeft geïnterpreteerd. Het kan niet zo zijn dat zij slechts gedurende de looptijd van het Sociaal Plan een bijzondere bescherming genoot en daarna zou kunnen worden ontslagen. De bedoeling van het Sociaal Plan is om oudere werknemers een bijzondere positie te geven en tegen ontslag te beschermen, ook wanneer een werknemer, zoals [X.], arbeidsongeschikt raakt. Zij biedt omtrent bedoeling en opzet van het Sociaal Plan bewijs aan.

4.5. Het hof overweegt als volgt.

4.5.1. Als maatstaf bij de uitleg van het Sociaal Plan geldt dat de bewoordingen, gelezen in het licht van de gehele tekst, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. Voorts is van belang de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen van de ene of andere interpretatie. Het Sociaal Plan is naar haar aard bestemd de rechtspositie van derden (werknemers) te beïnvloeden zonder dat die derden invloed hebben op de inhoud of de formulering van de overeenkomst of de regeling terwijl de onderliggende partijbedoeling voor die derden niet kenbaar is. Dit betekent dat de bedoeling van de contractsluitende partijen slechts van belang is voor zover deze volgt uit de woorden van de tekst en uit de eventuele voor derden kenbare toelichting op de regeling. Voorts zijn alle omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de redelijkheid en billijkheid meebrengen, van belang (vgl. HR 28-2-2004, LJN AO1427 en HR 8-7-2005, LJN AT3512).

4.5.2. Partijen hebben slechts een bladzijde uit het Sociaal Plan in het geding gebracht, te weten artikel 11. Het hof is dan ook niet in staat de tekst van art. 11 in het licht van de gehele tekst van het Sociaal Plan uit te leggen. Het hof is van oordeel dat uit de bewoordingen van artikel 11 volgt dat de ontslagbescherming van oudere werknemers in het kader van de herstructurering van Sappi moet worden gezien, waarbij ten aanzien van die ontslagbescherming blijkens de laatste zinsnede een garantie is afgegeven tot aan de ingangsdatum van het prepensioen. Dit betekent derhalve niet dat oudere werknemers onder alle omstandigheden tegen ontslag zijn beschermd. Een redelijke uitleg van voormeld art. 11 brengt mee dat deze ontslagbescherming in beginsel niet zover gaat dat ook oudere werknemers die zoals [X.] na de reorganisatie arbeidsongeschikt zijn geworden en voor wie geen passend werk beschikbaar is, tot aan de ingangsdatum van hun prepensioen tegen ontslag worden beschermd.

Nu de partijbedoeling van de bij het Sociaal Plan betrokken partijen - voor zover niet objectief kenbaar uit de tekst - niet relevant is, zal het hof het door [X.] op dit punt gedane bewijsaanbod passeren.

Grief 1 wordt op grond van het voorgaande verworpen.

4.6. Grief 2 komt op tegen de overweging van de kantonrechter dat niet van belang is dat bij Sappi nog werknemers met een lagere anciënniteit en/of uitzendkrachten werken. [X.] voert aan dat het UWV passende functies heeft geduid, ook in de administratieve sfeer, werk dat [X.] bij Sappi heeft verricht en met haar restverdiencapaciteit kan verrichten. [X.] biedt aan te bewijzen dat administratieve werkzaamheden die door haar verricht kunnen worden gedaan worden door medewerkers met een lagere anciënniteit en/of uitzendkrachten. Dit terwijl voor haar, [X.], een bijzondere ontslagbescherming op basis van het Sociaal Plan geldt.

4.7. Grief 3 richt zich tegen de overweging in het eindvonnis dat in geval van langdurige arbeidsongeschiktheid en een daarop volgend ontslag na twee jaar, alleen sprake is van een kennelijk onredelijk opzegging indien er een verband bestaat tussen de arbeidsongeschiktheid en de werkomstandigheden dan wel indien komt vast te staan dat een werkgever onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht. [X.] voert aan dat het ontslag ook kennelijk onredelijk kan zijn indien de gevolgen daarvan te ernstig zijn voor de werknemer in verhouding tot de belangen van de werkgever bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst. [X.] heeft in dit verband aangevoerd dat zij een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt die tijdelijk wordt aangevuld met een uitkering krachtens de WW waarna zij zal terugvallen op een inkomen dat lager is dat het sociaal minimum. Voorts zijn haar kansen op de arbeidsmarkt gelet op haar eenzijdig arbeidsverleden en haar leeftijd zeer gering. Niettemin heeft Sappi niets gedaan om de gevolgen van het ontslag voor [X.] op te vangen. Zij heeft slechts de arbeidsongeschiktheidsuitkering van [X.] aangevuld waartoe zij op grond van de CAO was gehouden.

[X.] betoogt voorts dat de omstandigheid dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen de verlaging van haar arbeidsongeschiktheids (uitkering) niet maakt dat zij niet bij Sappi wilde reïntegreren. De arbeidsdeskundige van het UWV heeft aangegeven door verlaging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering meer druk te willen zetten richting Sappi om tot herplaatsing van [X.] te komen. Meerdere werknemers zijn bij Sappi op grond van de bijzondere ontslagbescherming binnenboord gehouden terwijl voor hen geen werkzaamheden meer beschikbaar waren. Hun situatie is volgens [X.] identiek aan de hare.

Voorts kan [X.] zich niet verenigen met de afweging van de kantonrechter over de positie van de gedeeltelijk arbeidsonge- schikte werknemer en de reïntegratie inspanningen van de werkgever. De kantonrechter had Sappi moeten laten aantonen welke inspanning zij heeft verricht om tot reïntegratie te komen. Of [X.] een aanbod heeft gedaan om passend werk te verrichten is niet van belang bij de beantwoording van de vraag of sprake is van kennelijk onredelijke ontslag.

4.8. Het hof oordeelt ten aanzien van de grieven 2 en 3, die zich voor gezamenlijke behandeling lenen als volgt. Voorop staat dat [X.] vanaf de afschatting een ruime restverdiencapaciteit heeft en dat Sappi na de afschatting heeft aangegeven geen passend werk voor [X.] te hebben, terwijl [X.] ten tijde van de CWI-procedure heeft aangegeven in staat en bereid te zijn passend, administratief, werk te verrichten. Het UWV/Gak heeft in de CWI-procedure aangegeven dat er geen mogelijkheden zijn te hervatten in eigen of ander passend werk bij Sappi. Anderzijds is [X.] door het UWV/Gak in het kader van de afschatting arbeidsgeschikt verklaard voor diverse werkzaamheden, waaronder administratief medewerker (zie samenvatting arbeidsmogelijkhedenlijst d.d. 6 februari 2003, productie bij conclusie van repliek). Sappi stelt zich op het standpunt dat zij licht administratief werk niet beschikbaar heeft.

Het hof oordeelt het aannemelijk dat [X.] nu zij licht administratief werk kan verrichten ruim inzetbaar is. Het hof heeft omtrent de vraag waarom Sappi geen passend werk voor [X.] beschikbaar heeft behoefte aan nadere inlichtingen. Het hof zal daartoe een inlichtingencomparitie gelasten. Daarbij zal ook aan de orde komen de mate van arbeidsongeschiktheid van [X.] gelet op haar bezwaar/beroep tegen de afschatting van haar arbeidsongeschiktheid alsmede de vraag of [X.] daadwerkelijk herstel van de dienstbetrekking wenst dan wel in geval van kennelijk onredelijk ontslag de voorkeur geeft aan een financiële vergoeding.

4.9. Sappi wordt verzocht twee weken voor de te houden comparitie een lijst naar het hof en de wederpartij te sturen waarin per 31 juli 2003 (ontslagdatum) de namen en geboortedata van haar medewerkers inclusief uitzendkrachten zijn opgenomen, de datum van hun indiensttreding, hun functie en het soort dienstverband dat deze medewerkers uitoefenden.

De door Sappi in eerste aanleg overgelegde lijst (overgelegd als kopie bij de brief van 4 november 2004 gericht aan de kantonrechter) voldoet niet daar deze kennelijk niet uitsluitend betrekking heeft op werknemers die per 31 juli 2003 in dienst waren. Voorts valt uit de in die lijst opgenomen functie-aanduiding niet op te maken welke functies van (licht) administratieve aard zijn.

4.10. In afwachting van het verloop van de inlichtingencomparitie wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

5. De uitspraak

Het hof:

bepaalt dat partijen in persoon dan wel deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is, zullen verschijnen voor mr. Waaijers als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum, met de hiervoor onder rechtsoverwegingen 4.8. en 4.9. vermelde doeleinden;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 3 oktober 2006 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf en hun raadslieden op maandagen en donderdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de procureur van [X.] bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van de comparitie zal vaststellen;

verzoekt Sappi kopieën van de hiervoor onder rechtsoverweging 4.9. bedoelde informatie uiterlijk twee weken voor de comparitie te doen toekomen aan de wederpartij en aan de raadsheer-commissaris;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Koster-Vaags, Waaijers en Slootweg en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 19 september 2006.