Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ1421

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-10-2006
Datum publicatie
02-11-2006
Zaaknummer
20-000002-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

- De wijziging in de zedelijkheidswetgeving per 1 oktober 2002 aangaande afbeeldingen van seksuele handelingen waardoor ook afbeeldingen van 16- en 17-jarigen onder de werking van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht werden gebracht komt voor risico van de verdachte. Wie kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit heeft, dient zich ter dege op de hoogte te stellen en te houden van wat volgens de strafwet wel en niet is toegestaan.

- Het bestanddeel “het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde” in de zin van het in deze zaak toepasselijke artikel 250a (oud) lid 1 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht, moet aldus worden verstaan dat met “een derde” wordt bedoeld: een ander dan degene die een betrokken persoon aanwerft, meeneemt of ontvoert, derhalve een ander dan degene die het delict, al dan niet in vereniging met een ander, pleegt.

- Het bestanddeel “oogmerk” in artikel 250a (oud), lid 1 onder 2, van het Wetboek van Strafrecht omvat naar het oordeel van het hof niet mede voorwaardelijke opzet.

- Voor “bezit” in de zin van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht is bewustheid van de aanwezigheid van de betreffende afbeeldingen vereist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-000002-04

Uitspraak : 30 oktober 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 december 2003 in de strafzaak met parketnummer 01-025327-03 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie (met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde) hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de eerste rechter zal vernietigen, bewezen zal verklaren hetgeen verdachte onder 1, 2 en 3 is tenlastegelegd (feit 2: vrijspraak t.a.v. [betrokkene 1], feit 3: vrijspraak t.a.v. de digitale fotobestanden), en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaar.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd reeds omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Verdachtes raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat [verdachte] als informant door de Criminele Inlichtingendienst werd “gerund”, dat hij regelmatig sprak met de CIE-runners, dat die CIE-runners wisten dat [verdachte] betaalde voor seks met minderjarige prostitués, terwijl deze runners [verdachte] er niet op wezen dat het door een wetswijziging per 1 oktober 2000 verboden was om seks te hebben met prostitués die jonger zijn dan 18 jaar. [verdachte] was hiervan ook niet anderszins op de hoogte. Nu de runners, die professionele politiemensen zijn, welbewust [verdachte] niet hebben geïnformeerd over het strafbare karakter van diens handelen, mocht verdachte ervan uitgaan dat hij geen strafbare feiten pleegde, en dient het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard in diens strafvervolging, aldus de raadsman.

Het hof stelt voorop dat het verdachtes eigen verantwoordelijkheid is om geen strafbare feiten te plegen en om op de hoogte te zijn van de strafwetgeving. Niettemin dient, gelet op het gevoerde verweer, onderzocht te worden of door de runners bij verdachte vertrouwen is opgewekt dat hij door seksuele handelingen te verrichten met jongeren onder de achttien jaar de strafwet niet overtrad.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de verklaring van “[CIE-runner 1]” (CIE-runner van verdachte in 2001 en 2002) d.d. 25 oktober 2005 blijkt dat:

? verdachte door zijn runners niet is gevraagd of hij strafbare feiten pleegde doch dat hem telkens op het hart is gedrukt door de runners om geen strafbare feiten te plegen;

? er over gedragingen van anderen en niet over verdachte zelf werd gesproken;

? met verdachte niet is gesproken over het feit dat verdachte zelf seks zou hebben met jongens die jonger waren dan 18 jaar;

? met verdachte niet over (wijzigingen in) de zedelijkheidswetgeving is gesproken.

Ook de runner [CIE-runner 2] (CIE-runner van verdachte tot begin 2002) heeft verklaard (verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 12 november 2003) dat de verdachte er steeds op werd gewezen dat hij geen strafbare feiten mocht plegen.

[CIE-runner 2] heeft weliswaar ook verklaard dat aan verdachte is uitgelegd dat “inzake kinderporno de leeftijdsgrens bij 16 jaar lag”, doch ook dat dat in 1996 met de verdachte is besproken en voorts dat voor wat betreft seksuele handelingen verdachte er altijd op is gewezen dat hij veiligheidshalve in het geheel geen seks met minderjarigen mocht hebben. [CIE-runner 2] verklaart ook niet te hebben beschikt over concrete aanwijzingen dat verdachte zich niet aan de leeftijdsgrens van meerderjarigen hield.

De verdachte zelf heeft op de terechtzitting van het hof van 20 juni 2005 verklaard dat hem niet door zijn runners is gezegd dat hij betaalde seks mocht hebben met jongens van 16 tot 18 jaar.

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat het onaannemelijk is dat de runners bekend waren met het feit dat [verdachte] betaalde seks had met minderjarigen, terwijl wel blijkt dat verdachte door de runners expliciet is geïnstrueerd om zelf geen strafbare feiten te plegen.

Het hof is derhalve van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de CIE-runners bij verdachte vertrouwen hebben opgewekt dat hij door zijn handelwijze de strafwet niet overtrad. Het hof verwerpt mitsdien het verweer.

Verdachtes raadsman heeft ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde voor wat betreft de afbeeldingen op de videoband getiteld “Das Schloss der geilen Boys” betoogd dat ten aanzien van het bezit van deze videoband het openbaar ministerie eveneens niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte deze videoband in 1996 ter beschikking heeft gesteld aan de politie, dat hij deze band vervolgens heeft teruggekregen en dat de politie daarbij niet heeft verklaard dat het bezit van deze videoband strafbaar zou zijn.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het proces-verbaal van [verbalisant] d.d. 7 december 2005 blijkt dat verdachte inderdaad op 16 december 1996 een videoband ter beschikking heeft gesteld aan de politie en deze band heeft teruggekregen van de politie. Op deze videoband zijn volgens de verbalisant [verbalisant] seksuele handelingen te zien van jongens die vermoedelijk de leeftijd van 16 jaren hadden bereikt. Het bezit van dergelijke afbeeldingen was tóen niet strafbaar, omdat artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht toentertijd zag op afbeeldingen van kinderen kennelijk jonger dan 16 jaar, aldus de verbalisant.

Het hof kan niet vaststellen of de bij verdachte aangetroffen videoband “Das Schloss der geilen Boys” dezelfde videoband is als de band die in 1996 aan de politie ter beschikking is gesteld. Daarnaast is het hof van oordeel dat – aangenomen dat het dezelfde videoband is – de wijziging in de zedelijkheidswetgeving per 1 oktober 2002 aangaande afbeeldingen van seksuele handelingen waardoor ook afbeeldingen van 16- en 17-jarigen onder de werking van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht werden gebracht voor risico van de verdachte komt. Wie kinderpornografische afbeeldingen in zijn bezit heeft, dient zich ter dege op de hoogte te stellen en te houden van wat volgens de strafwet wel en niet is toegestaan. Anders gezegd, het bezit van een in 1996 legale videoband kan door een wetswijziging in 2002 illegaal worden, wat voor risico van de verdachte komt. Daarbij neemt het hof ook in aanmerking dat inmiddels sinds het onderzoek door de politie in 1996 zeven jaren waren verstreken.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 oktober 2000 tot en met 25 oktober 2002 in de gemeente Eindhoven en/of in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, (meermalen) ontucht heeft gepleegd met een persoon, genaamd [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1984), die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en welke persoon de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van 18 jaren had bereikt, bestaande die ontucht daarin dat hij, verdachte, (telkens)

- die [slachtoffer 1] heeft gepijpt, althans de penis van die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, mond heeft genomen en/of die [slachtoffer 1] heeft afgetrokken, althans de penis van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en/of aangeraakt en/of

- zich door die [slachtoffer 1] heeft laten pijpen, althans die [slachtoffer 1] zijn, verdachtes, penis in de mond heeft laten nemen en/of zich door die [slachtoffer 1] heeft laten aftrekken, althans zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 1] heeft laten aftrekken, althans zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 1] heeft laten vastpakken en/of aanraken.

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2002 tot en met 17 juni 2003 in Tsjechië tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, één of meer personen genaamd [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] (uit Tsjechië) heeft aangeworven, mede genomen en/of heeft ontvoerd met het oogmerk die personen in een ander land (Nederland) ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling.

3.

hij op of omstreeks 17 juni 2003 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland, één of meermalen een afbeelding en/of een gegevensdrager, bevattende één of meer afbeeldingen van seksuele gedragingen, te weten een of meer videoband(en) en/of een of meer digitale fotobestand(en), met daarop (onder meer) (telkens)

- twee jongens van 14 jaar en een van 16 jaar die elkaar aftrekken, pijpen en anaal neuken, en/of

- een volwassen man en twee jongens met geschatte leeftijd van 15 à 16 jaar die elkaar aftrekken, pijpen en anaal neuken, en/of

- een meisje met geschatte leeftijd van 10 jaar zit, enkel gekleed in een hesje, met gespreide benen op een stoel, terwijl ze met haar rechterhand een groot model kunstpenis vasthoudt die gedeeltelijk in haar vagina is ingebracht, en/of

- een jongen met geschatte leeftijd van 10 jaar zit naakt op zijn hurken en houdt een stijve penis van een kennelijk volwassen man tegen zijn geopende mond, en/of

bij welke vorenbedoelde afbeelding(en) (telkens) een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken of schijnbaar was betrokken, (telkens) heeft verspreid en/of heeft vervaardigd en/of ingevoerd en/of uitgevoerd en/of in bezit gehad.

Vrijspraak en nadere overwegingen

Feit 2.

Het hof merkt het volgende op ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde, strafbaar gesteld bij artikel 250a (oud) van het Wetboek van Strafrecht:

De onderhavige strafbepaling was aanvankelijk opgenomen in artikel 250ter van het Wetboek van Strafrecht, met ingang van 1 oktober 2000 is zij opgenomen in artikel 250a lid 1 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht, met ingang van 1 januari 2005 in artikel 273a, lid 1 onder 3 van het Wetboek van Strafrecht en met ingang van 1 september 2006 in artikel 273f, eerste lid, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

Een “derde” in de zin van artikel 250a (oud), eerste lid onder 2, van het Wetboek van Strafrecht

Zowel de advocaat-generaal als de raadsman hebben aangevoerd dat verdachte noch zijn medeverdachte als “derde” in de zin van voornoemd artikel zijn aan te merken. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Deze strafbepaling is in de Nederlandse strafwetgeving opgenomen om uitvoering te geven aan het Internationaal Verdrag nopens de bestrijding van de handel in meerderjarige vrouwen, Genève, 11 oktober 1933, Staatsblad 1935, 598 (zie kamerstukken 25437, nr. 17, brief van de minister van justitie van 1 februari 1999, blz.4-5 en kamerstukken 29291, nr. 3 memorie van toelichting, blz.9).

Artikel 1 van dit Verdrag luidt: “Gestraft wordt ieder, die ter voldoening van eens anders lusten, eene meerderjarige vrouw of meisje, zelfs met haar goedvinden, met het oog op het plegen van ontucht in een ander land heeft aangeworven, medegenomen of ontvoerd, zelfs dan wanneer de verschillende handelingen, die de bestanddelen van het strafbare feit uitmaken, in verschillende landen gepleegd zijn. (…)”.

In artikel 2 van het Verdrag verbinden de verdragsluitende partijen zich tot strafbaarstelling van deze feiten.

Uit de tekst van artikel 1 van bovengenoemd Verdrag, met name de passage “ter voldoening van eens anders lusten”, en uit de strekking van het Verdrag, te weten de bestrijding van de handel in meerderjarige vrouwen, vloeit voort dat strafbaar moest worden gesteld – kort gezegd – het aanwerven, meenemen of ontvoeren van een vrouw met de bedoeling dat deze in een ander land ontucht zal plegen met anderen dan degene die de vrouw heeft aangeworven, meegenomen of ontvoerd.

Dit brengt mee dat het bestanddeel “het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde” in de zin van het in deze zaak toepasselijke artikel 250a (oud) lid 1 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht, aldus moet worden verstaan dat met “een derde” wordt bedoeld: een ander dan degene die een betrokken persoon aanwerft, meeneemt of ontvoert, derhalve een ander dan degene die het delict, al dan niet in vereniging met een ander, pleegt.

Voor zover verdachte en zijn medeverdachte de Tsjechische jongens hebben meegenomen met het oogmerk om zelf met hen in Nederland tegen betaling seks te hebben, vallen die gedragingen niet onder het in genoemde strafbepaling omschreven verwijt, aangezien verdachte en zijn medeverdachte niet als “derde” in de zin van bedoelde verbodsbepaling zijn aan te merken.

“Oogmerk” in de zin van artikel 250a (oud), eerste lid onder 2, van het Wetboek van Strafrecht

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat haars inziens verdachte en zijn medeverdachte (reis naar Nederland in mei 2003) [betrokkene 2] en [betrokkene 3] naar Nederland hebben meegenomen terwijl zij wisten dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] prostitués waren en hun duidelijk was dat [betrokkene 2] en [betrokkene 3] mede naar Nederland wilden om als prostitués enkele in Nederland wonende klanten te bezoeken. Het oogmerk van verdachte en zijn medeverdachte, toen zij in Praag waren, was derhalve dat zij [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zouden meenemen naar Nederland om hen ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met derden (de klanten in Nederland), aldus de advocaat-generaal.

Verdachtes raadsman heeft betoogd dat er bij het meenemen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] geen “oogmerk” was om hen ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling. Het feit dat verdachte op de hoogte was van de wens van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] om in Nederland geld te verdienen middels prostitutie houdt niet in dat verdachtes oogmerk hierop gericht was. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] waren immers vrij om te gaan en te staan waar zij wilden - ze logeerden niet eens bij verdachte - noch heeft hij hen gedwongen zich te prostitueren, aldus de raadsman. Verdachte zou daarom moeten worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het bestanddeel “oogmerk” in artikel 250a (oud), lid 1 onder 2, van het Wetboek van Strafrecht omvat naar het oordeel van het hof niet mede voorwaardelijke opzet. Dit kan worden afgeleid uit het feit dat in andere in artikel 250a (oud) van het Wetboek van Strafrecht opgenomen strafbaarstellingen het woord “opzet” wordt gebruikt, terwijl in lid 1 onder 2 de term “oogmerk” wordt gebezigd. Dit vloeit tevens voort uit de tekst van artikel 1 van bovengenoemd Verdrag, met name de passage “met het oog op het plegen van ontucht in een ander land”.

Derhalve is de enkele wetenschap bij degene die meeneemt van de aanmerkelijke kans dat de meegenomen persoon zich in het andere land zal overgeven aan prostitutie tegen betaling niet voldoende om te kunnen spreken van “oogmerk”.

Aldus brengt de enkele wetenschap bij verdachte en zijn medeverdachte van de aanmerkelijke kans dat de door hen meegenomen jongens zich in Nederland zouden prostitueren niet met zich dat bij verdachte en zijn medeverdachte het in artikel 250a (oud) lid 1 onder 2 van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oogmerk aanwezig was.

Evenmin is gebleken dat het verdachte en zijn medeverdachte er bij het meenemen van de Tsjechische jongens juist om ging dat deze jongens in Nederland tegen betaling met derden seks zouden hebben. Het bestanddeel “oogmerk” kan daarom niet worden bewezen.

Het hof is aldus van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Feit 3

Ten aanzien van de in feit 3 genoemde gegevensdrager bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, te weten verdachtes Compaq computer met daarop kinderporno, overweegt het hof het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de tenlastegelegde afbeeldingen als genoemd in feit 3 onder gedachtenstreepjes 3 en 4, niet opzettelijk in het geheugen van zijn computer heeft opgeslagen. De verdediging heeft betoogd dat verdachte, nu hij niet wist dat deze afbeeldingen in zijn computer waren opgeslagen, de betreffende afbeeldingen niet in bezit heeft gehad, noch deze heeft verspreid, vervaardigd of in- of uitgevoerd. Nu deze bestanddelen niet kunnen worden bewezen, moet verdachte van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken, aldus de raadsman. De advocaat-generaal heeft op dezelfde grond eveneens vrijspraak gevorderd ten aanzien van dit onderdeel.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De deskundige R.J. Tijs heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 16 oktober 2006 verklaard dat tijdens het bekijken van een website de op het beeldscherm van de computer zichtbare afbeeldingen automatisch kunnen worden opgeslagen in zogenaamde “temporary files” (tijdelijke bestanden) in het geheugen van de computer, zonder dat de eigenaar van de computer daarvoor enige (bewuste) opslaghandeling hoeft uit te voeren. De computergebruiker hoeft derhalve niet op de hoogte te zijn van het feit dat de afbeeldingen – door het enkel bekijken op het beeldscherm – in de computer zijn opgeslagen.

Op grond van bovenstaande verklaring van de deskundige Tijs – welke verklaring de lezing van de verdachte (dat hij de betreffende afbeeldingen niet bewust heeft opgeslagen en dat hij ook niet op de hoogte was van het feit dat die in de computer waren opgeslagen) niet uitsluit – is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte de betreffende afbeeldingen minst genomen in zijn bezit heeft gehad, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. Voor “bezit” in de zin van artikel 240b van het Wetboek van Strafrecht is immers bewustheid van de aanwezigheid van de betreffende afbeeldingen vereist.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 26 oktober 2000 tot en met 25 oktober 2002 in de gemeente Eindhoven en/of in de gemeente Weert (meermalen) ontucht heeft gepleegd met een persoon, genaamd [slachtoffer 1] (geboren op 26 oktober 1984), die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en welke persoon de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van 18 jaren had bereikt, bestaande die ontucht daarin dat hij, verdachte, (telkens)

- die [slachtoffer 1] heeft gepijpt en/of die [slachtoffer 1] heeft afgetrokken en/of

- zich door die [slachtoffer 1] heeft laten pijpen en/of zich door die [slachtoffer 1] heeft laten aftrekken.

3.

hij op 17 juni 2003 in de gemeente Weert een gegevensdrager bevattende afbeeldingen van seksuele gedragingen, te weten videobanden met daarop

- twee jongens van 14 jaar en een van 16 jaar die elkaar aftrekken, pijpen en anaal neuken en

- een volwassen man en twee jongens met geschatte leeftijd van 15 à 16 jaar die elkaar aftrekken, pijpen en anaal neuken,

bij welke vorenbedoelde afbeeldingen telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, was betrokken, in zijn bezit heeft gehad.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Verdachte heeft verklaard dat de onder 3 bewezenverklaarde zogenaamde “titelloze videoband” hem niet bekend was en dat hij ook niet op de hoogte was van het feit dat deze videoband in zijn huis aanwezig was.

Het hof overweegt ten aanzien van deze “titelloze videoband” het volgende.

De betreffende videoband toont een man van ongeveer 25 jaar en twee jongens van de geschatte leeftijd 15 à 16 jaar, terwijl de man en de jongens seksuele handelingen met elkaar verrichten. Deze band maakt deel uit van een hoeveelheid van 30 bij de verdachte in zijn slaapkamer aangetroffen videobanden en één videoband die onder de televisie in de woning van verdachte lag (doorgenummerd proces-verbaal blz. 42).

Het hof overweegt daarnaast dat verdachte alleen woont en hij voorts ter terechtzitting niet heeft aangevoerd dat een ander de betreffende videoband in zijn huis zou hebben neergelegd.

Het hof acht op grond van het bovenstaande niet aannemelijk dat verdachte in het geheel niet op de hoogte was van het feit dat hij deze band bezat en verwerpt het verweer van de verdachte.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde onder 1 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 248b (oud) juncto artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 3 is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 240b (oud), eerste lid, juncto artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Op te leggen straf of maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof en conform de vordering van de advocaat-generaal kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de mate waarin het bewezen verklaarde persoonlijk leed teweeg kan brengen bij de minderjaren die zich – al dan niet uit armoede – beschikbaar stellen voor prostitutie;

- en de maatschappelijke onrust die het gevolg is van kinderprostitutie;

- de aan de gelijktijdig berechte mededader [naam mededader] opgelegde straf (gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk) – zoals opgelegd door de rechtbank – waarbij het hof de ernst van de feiten in beide zaken gelijk acht.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Niettegenstaande de hierna te geven deelvrijspraak ter zake van feit 3 (voor wat betreft kinderporno op verdachtes computer), vormt de inbeslaggenomen computer met daarop kinderporno een voorwerp van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet nu het hof heeft vastgesteld dat de computer strafbare afbeeldingen bevat. Het hof zal daarom deze computer aan het verkeer onttrokken verklaren.

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen (videobanden bevattende kinderporno) met betrekking tot twee banden waarvan het onder 3 bewezen verklaarde is begaan terwijl de overige banden eveneens kinderpornografische afbeeldingen bevatten, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36b, 36c, 57, 240b en 248b van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het onder 1 en 3 bewezen verklaarde oplevert:

1: Ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien maar nog niet van 18 jaren heeft bereikt, meermalen gepleegd.

en

3: een gegevensdrager bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt is betrokken, in bezit hebben, meermalen gepleegd.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten: een computer, merk Compaq, bevattende kinderporno en 5 videobanden bevattende kinderporno.

Aldus gewezen door

mr. J.C.A.M. Claassens, voorzitter,

mr. M.A. Wabeke en mr. S.B.M. Voorhoeve,

in tegenwoordigheid van mr. B.M. Hoekstra, griffier,

en op 30 oktober 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. S.B.M. Voorhoeve is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.