Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ1415

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-10-2006
Datum publicatie
02-11-2006
Zaaknummer
20-001477-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Namens de verdachte is aangevoerd dat de verfeitelijking van de ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, niet spoort met het verwijt, vervat in het kwalificatieve gedeelte. De feitelijkheden kunnen namelijk geen bedreiging als evengenoemd opleveren.

Het hof verwerpt het verweer als volgt. Naar algemene ervaringsregelen is het immers heel wel denkbaar dat een persoon als gevolg van een slag met een hark, in het bijzonder met het metalen deel daarvan, zwaar lichamelijk letsel bekomt of zelfs dodelijk wordt getroffen. Het maken van slaande bewegingen met een hark in de richting van een persoon kan derhalve in het algemeen bij die persoon redelijkerwijs de vrees doen ontstaan dat hij als gevolg daarvan het leven zal laten dan wel zwaar lichamelijk letsel zal bekomen. Van enige innerlijke tegenstrijdigheid in de tenlastelegging is alzo geen sprake.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 20-001477-06

Uitspraak : 26 oktober 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Hertogenbosch van 30 maart 2006 in de strafzaak met parketnummer 01-857395-05 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep moet, blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, worden begrepen als uitdrukkelijk te zijn beperkt tot de veroordeling ter zake van hetgeen aan de verdachte onder 1. en 2. is ten laste gelegd. Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte terzake van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een geldboete ter hoogte van EUR 500,-- subsidiair 10 dagen hechtenis, alsmede tot één week gevangenisstraf, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en dat het de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

Namens de verdachte is ten verweer betoogd dat de dagvaarding, voor zover deze het onder 2. ten laste gelegde betreft, nietig behoort te worden verklaard. Daartoe is aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat de verfeitelijking van de ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, niet spoort met het verwijt, vervat in het kwalificatieve gedeelte. De feitelijkheden kunnen namelijk geen bedreiging als evengenoemd opleveren.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het betoog faalt.

Naar algemene ervaringsregelen is het immers heel wel denkbaar dat een persoon als gevolg van een slag met een hark, in het bijzonder met het metalen deel daarvan, zwaar lichamelijk letsel bekomt of zelfs dodelijk wordt getroffen.

Het maken van slaande bewegingen met een hark in de richting van een persoon kan derhalve in het algemeen bij die persoon redelijkerwijs de vrees doen ontstaan dat hij als gevolg daarvan het leven zal laten dan wel zwaar lichamelijk letsel zal bekomen. Van enige innerlijke tegenstrijdigheid in de tenlastelegging is alzo geen sprake.

Het verweer wordt bijgevolg verworpen

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 08 augustus 2005 te Heeswijk, gemeente Bernheze, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd: "Kom maar eens naar beneden, dan zal ik je eens met de schop bewerken" en/of "Ik sla je met mijn schop van de steiger af", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.

hij op of omstreeks 09 september 2005 te Heeswijk, gemeente Bernheze, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend meerdere malen, althans eenmaal, slaande bewegingen met een hark en/of stok richting die [slachtoffer 2] gemaakt en/of (daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd: "Ik sla je met die hark hufter", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof acht uit het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2. ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 8 augustus 2005 te Heeswijk, gemeente Bernheze, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden toegevoegd :"Kom maar eens naar beneden, dan zal ik je eens met de schop bewerken", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen worden in het geval van beroep in cassatie vermeld in de aanvulling als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering, welke aanvulling in dat geval aan het arrest wordt gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1. bewezen verklaarde is telkens als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 285, eerste lid (oud), van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Op grond daarvan acht het hof oplegging van een deels voorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte passend en geboden.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Met oplegging van een gedeeltelijk voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ingesteld. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen vordering.

De vordering is naar het oordeel van het hof niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. De benadeelde partij [slachtoffer 1] kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het hof zal de benadeelde partij veroordelen in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a (oud), 14b (oud), 14c, 23 (oud), 24, 24c en

285 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2. ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het onder 1. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Bedreiging met zware mishandeling.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt, dat een gedeelte van de geldboete, groot EUR 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer 1], in haar vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte ten behoeve van zijn verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. F. van Beuge, voorzitter,

mr. H.D. Bergkotte en mr. R.R. Everaars-Katerberg,

in tegenwoordigheid van dhr. R.H. Boekelman, griffier,

en op 26 oktober 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.