Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ1334

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-10-2006
Datum publicatie
03-11-2006
Zaaknummer
C0500195
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat [appellante] onvoldoende heeft gesteld, om in rechte te kunnen aannemen dat er sprake is van overgang op CSU van de onderneming van NVD of van een onderdeel van NVD dat een economische eenheid vormt met een eigen identiteit, zoals bedoeld in artikel 7:662 e.v. BW. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om op dit punt aan [appellante] bewijs op te dragen.

Uit hetgeen door partijen is gesteld valt enkel af te leiden dat CSU in plaats van NVD met ENCI een contract heeft gesloten terzake de beveiliging van het terrein van ENCI en dat zij een aantal van de aldaar werkzame medewerkers van NVD een contract heeft aangeboden. Zonder nadere toelichting en onderbouwing van de aard van de onderneming of organisatie van NVD waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er sprake was van een economische eenheid met een eigen identiteit binnen de onderneming van NVD die bij ENCI de beveiliging verzorgde, dient de stelling van [appellante] dat alle rechten en verplichtingen uit haar arbeidsovereenkomst met NVD van rechtswege zijn overgegaan op CSU te worden verworpen.

Hiermee faalt tevens de eerste grief die met name gegrond is op de door [appellante] gestelde overgang van de onderneming van NVD op CSU.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2007, 16

Uitspraak

typ. LD

rolnr. C0500195/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

achtste kamer, van 31 oktober 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te [woonplaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 19 januari 2005,

procureur: mr. J.E. Benner,

tegen:

CSU SECURITY BV,

gevestigd te Uden,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. E.G.M. van Ewijk,

op het hoger beroep van de door de rechtbank 's Hertogenbosch, sector kanton, locatie 's Hertogenbosch gewezen vonnissen van 6 mei 2004 en 21 oktober 2004 tussen appellante - hierna: [appellante] - als eiseres en geïntimeerde

- hierna: CSU - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr.323379 rolnr 038529)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar het proces-verbaal van comparitie van partijen d.d. 28 juni 2004, waaruit blijkt dat partijen omtrent een aantal van de geschilpunten in eerste aanleg een minnelijke regeling hebben getroffen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellante] vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen waarvan beroep en, kort gezegd, tot veroordeling van CSU bij arrest uitvoerbaar bij voorraad aan [appellante] te betalen:

- de reeds ingetreden en de nog in te treden vermogensschade, bestaande uit het verschil tussen loongerelateerde WAO-uitkering en WAO-vervolguitkering;

- het zogenaamde WAO-gat, begroot op E. 3.077,95 per jaar;

- de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

- de wettelijke rente over de hiervoor vermelde bedragen,

met veroordeling van CSU in de kosten van beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft CSU de grieven bestreden.

2.3. [appellante] heeft vervolgens een akte genomen en CSU een antwoordakte.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst hiervoor naar de memorie van grieven

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [appellante], geboren op [geboortedatum], was sinds

[datum 1] in dienst van de Nederlandse Veiligheidsdienst (hierna: NVD) en tewerk gesteld bij de ENCI in Maastricht.

CSU heeft op 1 april 2000 een contract gesloten met ENCI betreffende de beveiliging van de terreinen van ENCI. Daaraan voorafgaand werd deze beveiliging gedaan door NVD, die hiervoor gecontracteerd was door ENCI.

Een aantal werknemers die voor NVD bij ENCI werkzaam waren, zijn in dienst getreden van CSU, waaronder [appellante]. Door [appellante] is een nieuwe arbeidsovereenkomst met CSU gesloten.

4.1.2. Op de arbeidsverhouding tussen partijen is de CAO van de Particuliere Beveiligingsorganisaties (hierna: de CAO)van toepassing.

In artikel VII 2 lid 1 van de CAO 2000 - 2002 is bepaald:

1. De werkgever is verplicht, naar aanleiding van de Wet Terugdringing Beroep op Arbeidsongeschiktheidsregeling, d.d. 25 januari 1993, het ontstane zogenaamde WAO-hiaat, via een erkende verzekeringmaatschappij aan de werknemer een arbeidsongeschiktheidsverzekering aan te bieden waarmee de werknemer, indien hij in aanmerking komt voor een WAO-uitkering, dit WAO-hiaat volledig kan repareren op het niveau van het LISV vastgestelde dagloon.

2. De premie voor de onder 1. bedoelde verzekering zal worden berekend en geheven over de WAO-grondslag en wordt betaald door de werknemer.

3 (...)

4. De werknemer ontvangt dit aanbod op datum indiensttreding. Voor de nieuwe werkgever geldt het aanbod vanaf de eerste dag dat personeel in dienst wordt genomen.

5. Bij aanvang van de onder 1. bedoelde verzekering zullen alle in dienst zijnde werknemers, zonder acceptatiekeuring deel kunnen nemen. Werknemers die later in dienst treden danwel om andere oorzaken later deel wensen te nemen, kunnen deelnemen op basis van de zogenaamde aanstellingskeuring.

6. de werknemer is vrij om van het onder 1. bedoelde werkgeversaanbod gebruik te maken.

7. (...)

4.1.3. Voordat [appellante] in dienst trad bij CSU heeft zij in een kennismakingsgesprek met de heer [werknemer 1 CSU] van CSU medegedeeld dat zij via NVD een WAO-hiaat verzekering had. [werknemer 1 CSU] heeft bevestigd dat CSU deze eveneens had.

Op de eerste salarisafrekening werd geen premie voor de WAO-hiaat verzekering ingehouden. [appellante] heeft daarover navraag gedaan. [appellante] heeft diverse malen bij CSU geïnformeerd, doch haar werd tot december 2000 door CSU geen aanbod gedaan tot het sluiten van deze verzekering.

4.1.4. Op 1 december 2000 ontving zij een schrijven van CSU (productie 1 bij inleidende dagvaarding), waarin onder meer staat:

Zoals u weet is het een CAO-afspraak dat werkgevers aan medewerkers een WAO-hiaatverzekering aanbieden.

Recentelijk hebben wij een aantal vragen van medewerkers gehad betreffende de voorziening welke CSU security aan haar medewerkers aanbiedt. Reden voor ons om onze WAO-hiaatvoorziening nog eens bij u onder de aandacht te brengen. (...)"

(Alleen blad 1 van die brief is overgelegd.)

4.1.5. [appellante] heeft vervolgens een aanvraagformulier van de OHRA (waar die WAO-hiaat verzekering door CSU zou zijn ondergebracht) ontvangen van een ex-collega, en heeft dit samen met de werkgeversverklaring naar CSU gestuurd.

Op 12 februari 2001 heeft CSU dat aanvraagformulier met de ingevulde werkgeversverklaring aan haar teruggestuurd.

4.1.6. [appellante] is op [datum 2] voor haar werk uitgevallen in verband met ziekte. Zij had toen geen WAO-hiaat verzekering.

Inmiddels is [appellante] teruggevallen op de WAO-vervolguitkering, en ontvangt zij geen aanvulling tot het LISV dagloon.

4.1.7. Op 20 december 2001 verneemt [appellante] van [werknemer 2 CSU], regiomanager van CSU, dat zij niet bij OHRA was verzekerd voor het WAO-gat.

4.1.8. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg op 28 juni 2004 met onderling goedvinden beëindigd.

4.2.1. [appellante] stelt, dat door CSU ten onrechte aan haar bij indiensttreding niet direct een WAO-hiaat verzekering als voormeld is aangeboden. Zij stelt bij haar vorige werkgeefster, NVD, wel een WAO-hiaatverzekering te hebben afgesloten. Zij verwijst ten bewijze hiervan naar door haar overgelegde salarisstroken van NVD. Volgens haar is deze verzekering van rechtswege opgehouden te bestaan toen de arbeidsovereenkomst met NVD eindigde. Het betrof een collectieve verzekering die niet eigenmachtig kon worden voortgezet na beëindiging van het dienstverband. [appellante] stelt ook dat CSU de administratieve omzetting van haar lopende WAO-hiaatverzekering had moeten regelen.

In een brief d.d. 9 juli 2004 van OHRA aan [appellante] (productie bij conclusie na comparitie zijdens [appellante]), geeft OHRA de volgende redenen voor de afwijzing van [appellante] de WAO-hiaatverzekering:

"Volgens het aanvraagformulier voor de collectieve aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering van 12 februari 2001 is uw cliënt reeds sinds [datum 1] in dienst van CSU Security. Naar aanleiding van dat aanvraagformulier en de ingevulde gezondheidsverklaring hebben wij u cliënt met de brief van 8 juni 2001 laten weten de aanvraag terzijde te hebben gelegd.

Doordat de aanvraag van uw cliënt zo veel jaar na indiensttreding is gedaan zouden wij, op grond van de Wet op de Medische Keuringen, de aanvraag alleen na een medische keuring eventueel hebben geaccepteerd. Naar aanleiding van de inhoud van de door uw cliënt ingevulde gezondheidsverklaring hebben wij echter reeds besloten de aanvraag niet verder in behandeling te nemen en dit schriftelijk aan uw cliënt meegedeeld. Om privacy redenen heeft de medewerker met wie uw cliënt telefonisch contact heeft opgenomen slechts mee kunnen delen dat de aanvraag om technische redenen was afgewezen. Doordat uw cliënt nooit om een nadere uitleg met betrekking tot deze afwijzing heeft gevraagd, mag verondersteld worden dat uw cliënt de afwijzing om deze reden heeft geaccepteerd."

4.2.2. [appellante] stelt CSU aansprakelijk voor de gevolgen van het niet hebben kunnen sluiten van een WAO-hiaatverzekering, welke gevolgen zij ondervindt nu zij sinds [datum 2] onafgebroken arbeidsongeschikt is, en thans is aangewezen op een WAO-vervolguitkering.

Volgens [appellante] heeft de heer P. Jacobs van OHRA aan haar medegedeeld dat, indien haar aanvraag binnen 60 dagen na indiensttreding zou zijn binnengekomen, deze gewoon zou zijn geaccepteerd.

Zij stelt niet om medische redenen te zijn geweigerd, maar omdat CSU verzuimd heeft haar tijdig aan te melden en zij ten tijde van de aanmelding reeds arbeidsongeschikt was.

CSU heeft het risico heeft genomen dat er een mogelijk WAO-hiaat zou optreden door aan [appellante] niet direct de WAO-hiaatverzekering bij indiensttreding aan te bieden, toen er nog geen sprake was van arbeidsongeschiktheid. Dit risico dient voor rekening van CSU te komen.

4.2.3. [appellante] vordert de schade die zij lijdt bestaande uit het verschil tussen de loongerelateerde WAO-uitkering en de WAO-vervolguitkering, die een uitkering bedraagt ter grootte van het minimumloon plus een toeslag gelijk aan 2% van het verschil tussen het dagloon en het minimumloon maal het aantal jaren dat zij op de eerste WAO-dag ouder was dan 15 jaar. Zij begroot deze schade op E. 5.077,95 per jaar (productie 4 bij repliek in eerste aanleg).

In een gesprek op 14 december 2000, waarbij aanwezig waren de heren [werknemer 3 CSU], [persoon 1], [werknemer 2 CSU], [persoon 2], [persoon 3] en [persoon 4], heeft [werknemer 3 CSU] aan [appellante] verzekerd dat hij ervoor zou zorgen dat alles met betrekking tot de WAO-hiaatverzekering zou worden geregeld.

4.3.1. CSU brengt hiertegen het volgende in:

Aan [appellante] is een arbeidsovereenkomst aangeboden, waarmee rekening werd gehouden met de arbeidsvoorwaarden die voor haar golden bij NVD.

[appellante] heeft bij in diensttreding aan CSU geen enkele informatie verschaft met betrekking tot enige lopende WAO-hiaat verzekering, zodat CSU dit eenvoudig zou hebben kunnen laten omzetten en voortaan voor de verzekeringmaatschappij als werkgever zou zijn genoteerd in plaats van NVD. CSU betwist dat [appellante] deze voorziening niet eigenmachtig had kunnen continueren na het einde van haar dienstverband met NVD. Het is immers geen sociale verzekering maar een individuele polis ter dekking van inkomensschade bij arbeidsongeschiktheid.

4.3.2. CSU beschikt al sinds 1993 over een collectief contract met OHRA met betrekking tot de WAO-hiaat verzekering. OHRA heeft [appellante] geweigerd als deelneemster vanwege de inschatting van het medisch risico, gebaseerd op het door [appellante] ingevulde formulier. CSU gaat ervan uit dat [appellante] daarvan op de hoogte is gesteld door OHRA.

4.3.3. [appellante] had bij iedere willekeurige verzekeraar een WAO-hiaat verzekering kunnen afsluiten. Het is een vrijwillige verzekering, waarvan de premies geheel voor rekening van de werknemer komen. Het is aan [appellante] zelf te wijten dat zij deze verzekering niet tijdig heeft afgesloten.

4.3.4. CSU betwist verder de omvang van de schade.

4.4. De kantonrechter heeft de vordering van [appellante] inzake de WAO-hiaatverzekering afgewezen. In essentie heeft de kantonrechter overwogen, dat voor de vraag of CSU aansprakelijk is voor de schade die [appellante] stelt te hebben geleden van belang is of, indien zij kort na de overname door CSU van NVD het formulier had ontvangen en CSU dat tijdig had geretourneerd, wel een WAO-hiaat verzekering had kunnen afsluiten bij OHRA. Nu OHRA heeft geschreven dat zij reeds enkel op grond van de door [appellante] ingevulde gezondheidsverklaring de aanvraag niet verder in behandeling wilde nemen, is de vraag of de gezondheidstoestand van [appellante] in april 2000 zodanig was dat zij door OHRA tot de verzekering zou zijn toegelaten. Daaromtrent heeft [appellante] volgens de kantonrechter onvoldoende gesteld, zodat haar vordering door de kantonrechter onvoldoend onderbouwd werd geacht en is afgewezen.

4.5.1. In hoger beroep stelt [appellante] dat er sprake was van een overgang van rechtswege van de werknemers van NVD op CSU, omdat CSU de beveiliging van ENCI in plaats van NVD is gaan doen, en dat CSU daarom voor [appellante], indien zij geen andere WAO-hiaat verzekering meer zou kunnen afsluiten, een gelijkwaardige voorziening diende te treffen als ware zij nog altijd deelnemer van een dergelijke verzekering.

4.5.2. CSU bestrijdt dat er sprake was van overgang van de onderneming van NVD. Zij heeft een opdracht verworven van ENCI tot beveiliging van de terreinen van ENCI en heeft in dat kader aan een aantal werknemers van NVD een contract aangeboden, waarbij rekening is gehouden met de arbeidsvoorwaarden die bestonden bij NVD. Zij verwijst naar de stellingen van [appellante] in eerste aanleg, waar zij spreekt over het aan "een aantal werknemers" aanbieden van een contract.

4.5.3. Het hof is van oordeel dat [appellante] onvoldoende heeft gesteld, om in rechte te kunnen aannemen dat er sprake is van overgang op CSU van de onderneming van NVD of van een onderdeel van NVD dat een economische eenheid vormt met een eigen identiteit, zoals bedoeld in artikel 7:662 e.v. BW. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om op dit punt aan [appellante] bewijs op te dragen.

Uit hetgeen door partijen is gesteld valt enkel af te leiden dat CSU in plaats van NVD met ENCI een contract heeft gesloten terzake de beveiliging van het terrein van ENCI en dat zij een aantal van de aldaar werkzame medewerkers van NVD een contract heeft aangeboden. Zonder nadere toelichting en onderbouwing van de aard van de onderneming of organisatie van NVD waaruit zou kunnen worden afgeleid dat er sprake was van een economische eenheid met een eigen identiteit binnen de onderneming van NVD die bij ENCI de beveiliging verzorgde, dient de stelling van [appellante] dat alle rechten en verplichtingen uit haar arbeidsovereenkomst met NVD van rechtswege zijn overgegaan op CSU te worden verworpen.

Hiermee faalt tevens de eerste grief die met name gegrond is op de door [appellante] gestelde overgang van de onderneming van NVD op CSU.

4.5.4. De grieven 2 tot en met 4 hebben in essentie betrekking op de hiervoor onder 4.4 vermelde overwegingen van de kantonrechter en worden besproken in samenhang met de uitgebreide toelichting van [appellante] die aan de grieven voorafgaat.

[appellante] voert aan, dat zij in het geheel niet gekeurd zou zijn indien zij direct bij het aangaan van de dienstbetrekking door CSU zou zijn aangemeld, zodat de kantonrechter ten onrechte van belang acht of [appellante] de verzekering wel had kunnen afsluiten indien zij kort na in diensttreding het formulier had ontvangen. Zij beroept zich op het verbod van een medische keuring vervat in artikel 4 lid 4 van de Wet op de medische keuringen.

Het is dan ook ten onrechte dat de kantonrechter overweegt dat OHRA ook in geval van aanmelding bij indiensttreding reeds op grond van de gezondheidsverklaring geconcludeerd zou hebben haar aanvraag niet in behandeling te nemen.

4.5.5. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of CSU aansprakelijk is voor de schade die [appellante] lijdt tengevolge van het niet hebben kunnen afsluiten van de WAO-hiaatverzekering na haar in diensttreding bij CSU is of [appellante] die verzekering wèl had kunnen afsluiten als CSU haar daartoe direct in de gelegenheid zou hebben gesteld.

Van belang oordeelt het hof, dat de CAO voorschrijft dat de werkgever gehouden is aan de werknemer een WAO-hiaatverzekering via een erkende verzekeringmaatschappij aan te bieden.

4.5.5. Volgens CSU is zij geen partij bij die overeenkomst, maar incasseert zij als werkgever slechts de premie. Zij heeft hiertoe een collectieve verzekering gesloten met OHRA (productie 9 bij dagvaarding 1e aanleg).

4.5.6. Deze WAO-hiaat verzekering die bij de aanvang van de arbeidsovereenkomst aan [appellante] behoorde te worden aangeboden, betreft naar het oordeel van het hof een aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering die aan de arbeidsverhouding tussen partijen is verbonden, in de zin van artikel 4 lid 4 Wet op de medische keuringen.

Het betoog van CSU met een beroep op de CAO, art. VII.2 lid 5 dat het de verzekeraar zou vrijstaan om de werknemer die nieuw bij een werkgever in dienst treedt te keuren dan wel vragenlijsten te laten invullen teneinde te bezien of deze tot de verzekering kan worden toegelaten oordeelt het hof dan ook niet juist, aangezien dit in strijd is met het verbod van artikel 4 lid 4 Wet op de medische keuringen, dat ook betrekking heeft op het stellen van vragen over de gezondheidstoestand van keurlingen.

Anders dan CSU meent, is in de CAO bepaald dat werknemers die later in dienst treden, kunnen deelnemen op basis van de zogenaamde aanstellingskeuring. Dat is niet hetzelfde als een afzonderlijke medische keuring waaronder begrepen het moeten invullen van vragenlijsten over de gezondheid ten behoeve van de verzekeraar. CSU had met die bepaling rekening te houden bij het aangaan van de WAO-hiaatverzekeringsovereenkomst met OHRA. Gelet op het feit dat [appellante] bij CSU is aangesteld, moet worden aangenomen dat zij voldeed aan de eisen die daaraan gesteld zouden zijn in een aanstellingskeuring (voorzover deze al toegestaan zou zijn op grond van de Wet op de medische keuringen).

Het feit dat in het collectief contract dat CSU met OHRA heeft gesloten in artikel 3 anders is bepaald, doet hieraan niet af, nu dit in strijd is met een dwingendrechtelijke wettelijke bepaling. Deze is gegeven op grond van de in het algemeen belang gewenste bescherming van de sociaal en economisch zwakkere partij. Evenmin is relevant dat deelname door de werknemer op vrijwillige basis geschiedde. Het hof verwijst hier naar de uitspraak van de Raad van Toezicht Verzekeringen 2000/31. Een gedwongen aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft immers geen wettelijke basis. Het verbod van artikel 4 lid 4 van de Wet op de medische keuringen is voorts evenmin beperkt tot verzekeringen waarvan de premies door de werkgever worden betaald.

De stelling van CSU dat er geen sprake is van een verzekering die onlosmakelijk verbonden is aan de arbeidsovereenkomst of daaruit voorvloeit, gaat uit van een onjuist criterium. Artikel 4 lid 4 van de Wet op de medische keuringen is onder meer bedoeld voor aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen die aan de dienstbetrekking zijn verbonden. De WAO-hiaat verzekering die CSU voor haar werknemers dient te faciliteren, is bedoeld voor de werknemers van CSU en uit dien hoofde zonder meer verbonden aan de met CSU gesloten arbeidsovereenkomst.

Het argument van CSU dat [appellante] ook zelf op individuele basis een dergelijke verzekering zou hebben kunnen afsluiten wordt verworpen als zijnde niet van belang, aangezien het belang van [appellante] juist was gelegen in het kunnen deelnemen in een collectieve verzekering, zodat medische keuring niet was toegestaan.

De in eerste aanleg geponeerde stelling van CSU dat [appellante] haar had dienen te informeren over de eerder door haar via NVD gesloten WAO-hiaatverzekering zodat CSU deze eenvoudig had kunnen overnemen, wordt door het hof verworpen, aangezien het zonder meer aannemelijk is dat de verzekering die [appellante] via NVD had afgesloten niet kon worden voortgezet bij indiensttreding elders. De verzekeringmaatschappijen beoordelen hun risico's voor dit soort collectieve verzekeringen immers per bedrijf en beïnvloeden daarbij tevens de wijze waarop bedrijven met arbeidsongeschiktheid omgaan. Bovendien heeft CSU steeds gesteld zelf zo een - vrijwillig collectieve - verzekering bij OHRA te kunnen aanbieden, en was CSU daartoe zonder meer op grond van de CAO verplicht.

De stelling van [appellante] dat OHRA geen keuring zou hebben geëist, cq mogen eisen indien de aanvraag tijdig, dat wil zeggen bij indiensttreding bij CSU, zou zijn ingediend bij OHRA is dan ook juist. Gelet op het feit dat [appellante] vanaf de aanvang van haar dienstverband te kennen heeft gegeven zich voor het WAO-hiaat te willen verzekeren, betekent dit dat [appellante], indien CSU haar verplichtingen op dit punt tijdig zou zijn nagekomen, zich zou hebben kunnen verzekeren en in rechte dient te worden aangenomen, nu zulks niet wordt betwist, dat zij zich ook verzekerd zou hebben voor het WAO-hiaat.

CSU is dan ook aansprakelijk te achten voor de gevolgen van het feit dat [appellante] zich pas meer dan 10 maanden na indiensttreding als deelneemster bij OHRA kon aanmelden. Aangezien zij inmiddels reeds 3/4 jaar arbeidsongeschikt was, is de afwijzing door OHRA op een moment dat het risico waartegen de aanvullende WAO-verzekering dekking diende te bieden zich verwezenlijkt had, te wijten aan het talmen van CSU. De stelling van CSU dat de schade het gevolg is van de arbeidsongeschiktheid van [appellante] wordt verworpen. CSU is hiervoor aansprakelijk jegens [appellante] en dient de schade aan [appellante] te vergoeden die zij hierdoor heeft geleden.

Het hoger beroep slaagt en het eindvonnis waarvan beroep kan in zoverre niet in stand blijven.

4.5.7. Voor wat betreft de berekening van de omvang van de door [appellante] gevorderde schadevergoeding, welke hoogte door CSU in eerste aanleg is betwist, behoeft het hof deskundige voorlichting, aangezien de berekening die [appellante] daarvan heeft gemaakt in productie 4 bij dagvaarding het hof niet juist voorkomt, omdat [appellante] daarin geen rekening heeft gehouden met de toeslag over het aantal jaren dat de WAO-gerechtigde ouder is dan 15 jaar, noch met de bespaarde premies.

Het hof beschikt over onvoldoende gegevens en deskundigheid om de omvang van de schade zelf te bepalen. Het hof stelt daarom voor een deskundige benoemen ter berekening van de inkomens- en vermogensschade die [appellante] lijdt tengevolge van het niet op 1 april 2000 afgesloten hebben van de WAO-hiaatverzekering bij OHRA en rekening houdend met het niet betaald hebben van de verzekeringspremies over de periode vanaf 1 april 2000 tot het moment waarop deze volgens de destijds door OHRA voor werknemers van CSU gehanteerde verzekeringsvoorwaarden zou zijn verschuldigd door [appellante], indien zij per 1 april 2000 de gewenste WAO-hiaat verzekering zou zijn overeengekomen.

OHRA dient daartoe alle door de deskundige gewenste documenten en informatie te vertrekken.

Alvorens over te gaan tot de benoeming van een deskundige worden partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het aantal van de te benoemen deskundigen en zo mogelijk gezamenlijk een deskundige voor te dragen. Partijen kunnen tevens voorstellen doen voor wat betreft de vraagstelling.

De kosten van de te benoemen deskundige zullen voorlopig ten laste worden gebracht van CSU.

4.5.8. Tegen het tussenvonnis d.d. 2 mei 2004 zijn geen grieven gericht, zodat het hoger beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk is.

4.5.9. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 2 mei 2004;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 21 november 2006, opdat partijen zich zullen uitlaten over de te benoemen deskundige en de aan deze te stellen vragen, zoals hiervoor onder r.o. 4.5.6. is overwogen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Koster-Vaags, Aarts, Spoor en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 31 oktober 2006.