Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ1332

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-10-2006
Datum publicatie
03-11-2006
Zaaknummer
C0600785
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof heeft in het tussenarrest van 11 maart 2003 reeds een groot aantal eindbeslissingen genomen. Zo oordeelde het hof voor zover thans van belang - kort samengevat - dat [appellante] jegens [geïntimeerde sub 1] de verplichtingen van art. 7:17 BW had geschonden, en dat [appellante] in beginsel verplicht is aan [geïntimeerde sub 1] c.q. [geïntimeerde sub 2] de volledige schade te vergoeden die hij (c.q. zij) door deze schending heeft geleden [..]

Omdat in de schadestaatprocedure reeds een vonnis is gewezen (welk vonnis, naar thans blijkt, is gewezen met inachtneming van de door het hof thans bekrachtigde beslissing omtrent de omvang van de aansprakelijkheid van [appellante]), is het de meest geëigende weg dat partijen over de schade verder procederen in de schadestaatprocedure, welke thans reeds in hoger beroep bij dit hof aanhangig is. Zulks geldt temeer, nu het hof over de overige geschilpunten die partijen verdeeld hielden, reeds een oordeel heeft gegeven in het tussenarrest van 11 maart 2003.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. NJ

rolnr. C0600785/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

eerste kamer, van 31 oktober 2006,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap [APPELLANTE],

gevestigd te [plaats],

principaal appellante,

geïntimeerde in incidenteel appel,

procureur: mr. J.E. Benner,

tegen:

1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

wonende te [woonplaats],

2. de besloten vennootschap [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

gevestigd te [plaats],

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

als vervolg op het tussen partijen onder rolnummer C0100486 gewezen arrest van dit hof van 11 maart 2003,

op het hoger beroep tegen de door de rechtbank Maastricht gewezen vonnissen van 2 januari 1997, 20 augustus 1998 en 8 februari 2001.

1. Het arrest van 11 maart 2003 (rolnr. C0100486)

In genoemd arrest heeft het hof de zaak verwezen naar

de rol van 8 april 2003 voor uitlating aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] als bedoeld in r.o. 4.11.3 van dat arrest, en iedere verdere beslissing aangehouden.

2. Het vervolg van de procedure

2.1. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben een akte uitlating genomen, en [appellante] een antwoordakte uitlating. [appellante] heeft daarbij een productie overgelegd.

2.2.1. Ter rolle van 6 januari 2004 is de zaak - toen nog dienend onder rolnummer C01/00486 - is geschorst in verband met het instellen van cassatie tegen het arrest van het hof van 11 maart 2003.

Uit door het hof ambtshalve ingewonnen informatie bij de Hoge Raad blijkt evenwel dat geen cassatie is ingesteld.

2.2.2. De zaak is ter rolle van 3 januari 2006 ambtshalve doorgehaald omdat er door partijen gedurende geruime tijd geen proceshandelingen meer waren verricht. Hierbij is aan partijen gemeld door het hof dat zij de procedure desgewenst in een later stadium konden hervatten.

2.2.3. De procedure is door partijen hervat ter rolle van 4 juli 2006 en voorzien van het nieuwe rolnummer C06/00785.

2.3. Partijen hebben de gedingstukken wederom overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel appel

3.1.1. Het hof heeft in het tussenarrest van 11 maart 2003 reeds een groot aantal eindbeslissingen genomen. Zo oordeelde het hof voor zover thans van belang - kort samengevat - dat [appellante] jegens [geïntimeerde sub 1] de verplichtingen van art. 7:17 BW had geschonden, en dat [appellante] in beginsel verplicht is aan [geïntimeerde sub 1] c.q. [geïntimeerde sub 2] de volledige schade te vergoeden die hij (c.q. zij) door deze schending heeft geleden (r.o. 4.8.3. jo r.o. 4.11.1).

3.1.2. Voorts oordeelde het hof dat grief VII in incidenteel appel gedeeltelijk slaagt, en grief VI in principaal appel derhalve faalt, in die zin dat thans (dat wil zeggen in de onderhavige procedure) de door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gevorderde schadevergoeding, alsmede de verweren die daartegen door [appellante] zijn opgeworpen, dienen te worden beoordeeld.

3.1.3. Omdat [appellante] in haar memorie van antwoord in incidenteel appel gewag maakte van een inmiddels door [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] bij de rechtbank geëntameerde schadestaatprocedure, wenste het hof daarover te worden ingelicht, waartoe de zaak voor akte zijdens [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] naar de rol werd verwezen.

Nadat aan het hof de gewenste inlichtingen over de schadestaatprocedure waren verstrekt, hebben partijen in de onderhavige (hoofd)zaak geen verdere proceshandelingen verricht, en met name hebben partijen het hof niet ingelicht omtrent het navolgende.

3.1.4. Partijen hebben, zo is het hof inmiddels ambtshalve bekend, in de schadestaatprocedure verder geprocedeerd. Tegen het vonnis van de rechtbank in die procedure - van 23 april 2003, rolnummer 70293/HA ZA 01-1103 - is door beide partijen hoger beroep ingesteld bij dit hof.

In die appelprocedures, die gevoegd zijn beoordeeld, is door de zesde kamer van dit hof op 13 juni 2006 onder rolnrs. C0301002 en C0301022 arrest gewezen. Het hof heeft daarin de behandeling van de beide beroepen aangehouden totdat in de thans voorliggende (hoofd)zaak zou zijn beslist. Het hof is hierbij niet inhoudelijk op de vorderingen ingegaan. Aan partijen is medegedeeld dat zij om voortzetting in het hoger beroep in de schadestaatprocedure kunnen verzoeken zodra in de hoofdzaak eindarrest is gewezen.

3.2.1. Met de hierboven kort aangehaalde eindbeslissing, gegeven in het tussenarrest van 11 maart 2003, heeft het hof zijn oordeel reeds gegeven over de omvang van de aansprakelijkheid van [appellante] jegens [geïntimeerde sub 1] c.q. [geïntimeerde sub 2]. Dit oordeel impliceert dat in het eindarrest in de hoofdzaak op dit punt de beroepen vonnissen van de rechtbank dienen te worden bekrachtigd.

3.2.2. Omdat in de schadestaatprocedure reeds een vonnis is gewezen (welk vonnis, naar thans blijkt, is gewezen met inachtneming van de door het hof thans bekrachtigde beslissing omtrent de omvang van de aansprakelijkheid van [appellante]), is het de meest geëigende weg dat partijen over de schade verder procederen in de schadestaatprocedure, welke thans reeds in hoger beroep bij dit hof aanhangig is. Zulks geldt temeer, nu het hof over de overige geschilpunten die partijen verdeeld hielden, reeds een oordeel heeft gegeven in het tussenarrest van 11 maart 2003.

3.3.1. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben, terwijl zij een incidentele grief in deze hoofdprocedure hadden gericht tegen het oordeel van de rechtbank om niet inhoudelijk op de schade in te gaan, nagenoeg tegelijkertijd een schadestaatprocedure bij de rechtbank gestart.

3.3.2. Het eerder gegeven oordeel in het tussenarrest dat grief VII in incidenteel appel gedeeltelijk slaagt en dat grief VI in principaal appel derhalve faalt, is daarmee door de procedurele verwikkelingen achterhaald. Immers, naar 's hofs oordeel hebben [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] thans geen processueel belang bij hun incidentele grief om de schade (alsnog) in deze hoofdzaak te laten vaststellen. Grief VII in incidenteel appel faalt derhalve en grief VI in principaal appel zal wegens gebrek aan belang niet worden behandeld, nu het hof de zaak alsnog naar de schadestaatprocedure zal verwijzen.

3.4.1. Het tussenarrest van 11 maart 2003 dient gecorrigeerd te worden in dier voege, dat in r.o. 4.8.3. niet is vermeld dat uit het vorenoverwoge eveneens voortvloeit dat grief VI in incidenteel appel slaagt voorzover deze grief zag op het in de voorgaande rechtsoverwegingen beoordeelde onderdeel van het geschil, en in r.o. 4.8.4. niet is vermeld dat deze grief voor het overige geen behandeling meer behoeft.

3.4.2. Voorts bevat het arrest een kennelijke verschrijving in r.o. 4.9.1., nu het aldaar beoordeeld ziet op grief VI in principaal appel (en niet, zoals vermeld, grief IV).

3.5.1. Door het gewijzigde oordeel omtrent de grieven VII in incidenteel appel, en VI in principaal appel, wijzigt niet het oordeel dat het hof reeds heeft gegeven in zijn tussenarrest in r.o. 4.12.1 - 4.12.3 omtrent de proceskostenveroordeling, nu nog steeds heeft te gelden dat [appellante] voor het overgrote deel in het ongelijk is gesteld.

3.5.2. Het eindvonnis zal worden vernietigd voor zover het de proceskostenveroordeling betreft en het hof zal, conform het oordeel in r.o. 4.12.2 de proceskostenveroordeling in eerste aanleg opnieuw bepalen. Voor het overige zullen de vonnissen waarvan beroep worden bekrachtigd met dien verstande dat het hof zal verstaan dat over de schade zal worden voortgeprocedeerd in de schadestaatprocedures die reeds bij dit hof - gevoegd - aanhangig zijn onder rolnummers C03/01002 en C03/01022. [appellante] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep in principaal en incidenteel appel.

4. De uitspraak

Het hof:

in principaal en incidenteel appel

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Maastricht van 8 februari 2001, doch slechts voor zover het betreft de daarin opgenomen proceskostenveroordeling;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [appellante] in de kosten van de eerste aanleg aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gevallen en tot op heden begroot op E. 582,14 aan verschotten en E. 13.792,--aan salaris procureur;

bekrachtigt dit vonnis voor het overige, tezamen met de beroepen tussenvonnissen van 2 januari 1997 en 20 augustus 1998, onder aanvulling van de gronden waarop zij berusten;

verstaat dat partijen over de schade voort zullen procederen in de reeds tussen hen bij dit hof onder rolnummers C03/01002 en C03/01022 aanhangige procedures;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep in principaal en incidenteel appel aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] gevallen, tot op heden begroot op E. 4.242,85 aan verschotten en E. 5.842,50 aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-van Dijken, Hendriks-Jansen en Fikkers en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 31 oktober 2006.