Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ0918

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-09-2006
Datum publicatie
25-10-2006
Zaaknummer
C200501107
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewijslastverdeling cfm art. 7:218 BW ivm art. 7:224 BW. Bewijslast op verhuurder mbt schade aan de buitenkant van het gehuurde, bewijslast op huurder t.a.v. schade in de woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 608

Uitspraak

C0501107/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 26 september 2006,

gewezen in de zaak van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

hierna: “[X.]”,

appellant bij exploot van dagvaarding van 4 mei 2005,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[Y.],

wonende te [woonplaats],

hierna: “[Y.]”,

geïntimeerde bij voormeld exploot van dagvaarding,

procureur: mr. A.T.L. van Zandvoort,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Roermond, sector Kanton, locatie Venlo gewezen vonnis van 2 maart 2005 tussen [Y.] als eiseres en [X.] als gedaagde.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg.

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis met zaak/rolnummer 133638 CV EXPL 04-3140.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven, met bewijsstukken, heeft [X.] drie grieven aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. Hij heeft geconcludeerd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest, de vorderingen van [Y.] afwijst, met veroordeling van [Y.] in de proceskosten in hoger beroep.

2.2. Bij memorie van antwoord, met bewijsstukken, heeft [Y.] de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis waarvan beroep, met veroordeling van [X.] in de proceskosten in hoger beroep.

Partijen hebben vervolgens ieder nog een akte genomen en hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In het procesdossier van [X.] bevindt zich niet zijn brief van 23 november 2004 aan de kantonrechter houdende de conclusie van antwoord.

3. De gronden van hoger beroep

Hiervoor wordt verwezen naar de grieven en de daarop gegeven toelichting, zoals vermeld in de memorie van grieven.

4. De beoordeling:

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [X.] heeft ingaande 1 april 2004 van (de rechtsvoorganger van) [Y.] gehuurd de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (de "woning") tegen een huurprijs van € 325,-- per maand en een voorschot voor energieleveringen van € 175,-- per maand.

4.1.2. Meteen na ingang van de huurovereenkomst zijn tussen partijen geschillen gerezen. [Y.] heeft vervolgens in juli 2004 een kort geding aangespannen tot ontruiming van de woning. In het proces-verbaal van de op 27 juli 2004 gehouden zitting heeft de kantonrechter voor zover hier van belang de volgende afspraken tussen partijen vastgelegd:

Partij [X.] zal de verbouwing van de aanbouw verder afmaken. (…)

Overeenkomstig de afspraak mag partij [X.] de materiaalkosten verrekenen met de huur (…) een bedrag van € 950,--. Dat betekent dat van de huur juni nog € 50,-- dient te worden voldaan. Ook dient het geleende bedrag ad € 75,-- binnen 14 dagen na heden te worden afgerekend.(…)

Partij [X.] zal het gehuurde zodanig opruimen dat dit een inspectie van de kantonrechter kan doorstaan en in opgeruimde staat houden.(…)

Partij [X.] zal de omgeduwde muur (…) weer in de oude staat opbouwen, waarbij de heer [X.] arbeid inbrengt en de oude stenen gebruikt en de verhuurder zorg draagt voor metselzand en cement.(…)

Partijen spreken af dat zij de kantonrechter tegen eind oktober 2004 op de hoogte zullen stellen van de stand van zaken.(…)

4.1.3. In het proces-verbaal van de voortzetting van de zitting van 27 augustus 2004 heeft de kantonrechter de volgende schikking vastgelegd:

De huurovereenkomst zal worden ontbonden met ingang van 1 november 2004. Partij [X.] zal het gehuurde op die datum ontruimd en in goede staat ter beschikking stellen van de verhuurder.(…)

Het kort geding wordt geroyeerd(…).

4.1.4. [Y.] heeft bij exploot van dagvaarding van 17 september 2004, na eiswijziging, gevorderd veroordeling van [X.] tot betaling van een bedrag van € 19.234,10 aan achterstallige huur en schadevergoeding, kosten rechtens.

4.1.5. De kantonrechter heeft op 2 december 2004 een descente gehouden. In het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft de kantonrechter voorzover hier van belang het volgende geconstateerd - zakelijk weergegeven:

de scheidingsmuur met de aangrenzende tuinen is afgebroken en het puin ligt verspreid;

de overige erfafscheidingen ontbreken;

de aanbouw van de woning is gedeeltelijk afgebroken en is gedeeltelijk herbouwd:

het dak is niet dicht;

de achtermuur is niet afgebouwd;

de aansluiting van de afvoer van de Cv-ketel is losgekoppeld;

op het aangrenzende perceel ligt een hoeveelheid stenen, planken en hout.

4.1.6. Bij vonnis van 2 maart 2005 heeft de kantonrechter de vorderingen van [Y.] toegewezen.

4.1.7. [X.] kan zich niet met dit vonnis verenigen en komt daarvan in hoger beroep.

4.2. De tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerde grieven leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor.

4.3. [Y.] heeft betaling van de volgende posten gevorderd:

- achterstallige huur € 1.500,--

- verrekening materiaalkosten € 950,--

- geleverd zand € 124,95

- herstelwerkzaamheden € 13.572,--

- ontruimingskosten € 1.650,72

- buitengerechtelijke kosten € 272,--

- beslagkosten en stallingkosten € 1.164,43

Totaal: € 19.234,10

Daarnaast heeft [Y.] pro memorie vergoeding van stallingkosten van de in beslag genomen auto vanaf april 2005 en wettelijke rente gevorderd. De kantonrechter heeft deze posten integraal toegewezen aangezien [X.] daartegen in eerste aanleg geen gemotiveerd verweer heeft gevoerd.

4.4. Achterstallige huur

4.4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat [X.] van april tot en met oktober 2004 (na aftrek van de lening van € 75,--) uit hoofde van de huurovereenkomst een bedrag van € 1.050,-- aan [Y.] heeft betaald en voorts een bedrag van € 950,-- aan materiaalkosten in verrekening heeft gebracht, derhalve in totaal een bedrag van € 2.000,--.

4.4.2. [Y.] stelt dat [X.] op grond van het huurcontract zeven termijnen van € 500,-- derhalve een bedrag van € 3.500,-- verschuldigd is en aldus een bedrag van € 1.500,-- onbetaald heeft gelaten.

4.4.3. [X.] voert als verweer dat van de contractuele betalingstermijn van € 500,-- per maand een gedeelte van € 325,-- huur betreft en een gedeelte van € 175,-- het voorschot energieleveranties. Omdat geen eindafrekening heeft plaatsgevonden is hij dit voorschot niet verschuldigd zodat hij niet een bedrag van € 1.500,-- onbetaald heeft gelaten maar slechts een bedrag van € 175,-- [hof: lees € 275,--; [X.] maakt in nr. 3.1.22 en 3.1.24 van zijn memorie van grieven een kennelijke rekenfout]. Dit bedrag kan met de borgsom van € 500,-- worden verrekend, aldus [X.].

4.4.4. [Y.] heeft aan de hand van een overzicht van meterstanden - waaruit een aan [X.] toe te rekenen elektraverbruik van bijna 80% volgt - betoogd dat het aandeel van [X.] in de energieleveranties ten minste het voorschotbedrag van € 175,-- per maand beliep zodat eindafrekening niet tot terugbetaling of vermindering van het voorschot kan leiden. [X.] betwist dat zijn elektragebruik ertoe dient te leiden dat hij zo'n groot aandeel van de gehele feitelijke maandlast voor energieleveranties en bijkomende diensten voor zijn rekening dient te nemen.

4.4.5. Het hof stelt vast dat uitgaande van de door [Y.] overgelegde jaarafrekening 2003/2004 van Essent de feitelijke maandlast voor energieleveranties aan de woning van [X.] en de naastgelegen bedrijfsruimte [adres] over het tijdvak van april 2004 tot en met oktober 2004 gemiddeld slechts € 193,37 per maand heeft bedragen. Zelfs indien het elektragebruik van [X.] relatief hoog is geweest, brengt dit nog niet mee dat [X.] circa 90% van deze maandlast dient te dragen. De eindafrekening betreft immers niet alleen en ook niet hoofdzakelijk elektraleveringen maar ook gasleveringen en andere diensten. Het is derhalve aannemelijk dat [X.] indien een deugdelijke eindafrekening zou plaatsvinden een gedeelte van zijn voorschot van € 175,-- kan terugontvangen.

4.4.6. Nu [Y.] geen complete eindafrekening in het geding heeft gebracht en [X.] geen gronden heeft aangevoerd voor een andere verdeling, zal het hof het aandeel van [X.] in de energielasten naar redelijkheid en billijkheid vaststellen op 50% van de feitelijke kosten, derhalve op (afgerond) € 100,--. Dit brengt mee dat [X.] van april 2004 tot en met oktober 2004 een bedrag van € 425,-- per maand verschuldigd is geweest, derhalve in totaal € 2.975,--. Hiervan is (afgezien van de hierna te bespreken verrekening met materiaalkosten) nog een bedrag van

€ 975,-- onbetaald gebleven.

4.4.7. [X.] heeft een beroep gedaan op (gedeeltelijke) verrekening van deze huurschuld met de door hem betaalde waarborgsom van € 500,--. In het huurcontract is echter bepaald dat de waarborgsom wordt terugbetaald onder aftrek van kosten van herstel brengen van de woning. Indien derhalve in deze zaak meer dan het bedrag van € 500,-- aan kosten van herstel wordt toegewezen, behoeft de waarborgsom niet te worden terugbetaald en is voor verrekening geen plaats. De beslissing op dit punt wordt daarom aangehouden totdat omtrent de gevorderde kosten van herstel is beslist.

4.5. Verrekening materiaalkosten

4.5.1. [X.] heeft op grond van het proces-verbaal van 27 juli 2004 een bedrag van € 950,-- op de huur in mindering gebracht als vergoeding voor materialen ten behoeve van de herbouw van het schuurtje. [Y.] voert aan dat [X.] geen kosten voor materialen heeft gemaakt omdat hij de herbouw niet heeft voltooid.

4.5.2. Uit het proces-verbaal van de descente van 2 december 2004 blijkt naar het oordeel van het hof genoegzaam dat [X.] inderdaad het schuurtje niet heeft herbouwd. [X.] heeft niet aan de hand van bewijsstukken onderbouwd dat hij niettemin kosten heeft gemaakt voor de aanschaf van bouwmaterialen welke inmiddels al zijn verwerkt. Daarmee staat vast dat geen grond bestaat voor verrekening door [X.] van een tegenvordering uit dien hoofde ten bedrage van € 950,--. Dit bedrag is derhalve op grond van het huurcontract verschuldigd en onbetaald gebleven en kan worden toegewezen.

4.6. Levering zand

4.6.1. Op grond van de door [Y.] overgelegde factuur van 2 augustus 2004, die door [X.] niet is bestreden, staat vast dat [Y.] op 30 juli 2004 drie ton zand heeft geleverd waarvoor hem een bedrag van € 124,95 in rekening is gebracht. Als onbestreden staat voorts vast dat [Y.] bij brief van 29 juli 2004 de levering van dit zand aan [X.] heeft aangekondigd maar dat [X.] het zand niet in ontvangst heeft genomen en verwerkt. Het zand is vervolgens op last van de politie begin augustus 2004 weer verwijderd.

4.6.2. [Y.] was op grond van de afspraken van 27 juli 2004 verplicht aan [X.] zand te leveren ten behoeve van herstel van de scheidingsmuur. Nu [X.] dit zand niet in ontvangst heeft genomen en verwerkt dient hij de kosten van de zandlevering aan [Y.] te vergoeden. De post van € 124,95 is daarmee toewijsbaar.

4.7. Kosten van herstelwerkzaamheden

4.7.1. Tussen partijen is niet in geschil dat bij de oplevering op 1 november 2004 (a) de tuinmuur was gesloopt en het puin niet was opgeruimd en (b) het schuurtje slechts gedeeltelijk was herbouwd en de afvoer van de CV-installatie was losgekoppeld. Dit is door de kantonrechter ook zo geconstateerd in het proces-verbaal van descente van 2 december 2004.

4.7.2. [X.] voert echter het verweer dat hij niet aansprakelijk is voor de kosten van herstel, (a) wat de tuinmuur betreft omdat deze muur niet door hem maar door de brandweer wegens bouwvalligheid is neergehaald en (b) wat het schuurtje en de afvoer van de CV-installatie betreft omdat hij met toestemming van de rechtsvoorganger van [Y.] met de verbouwing daarvan is begonnen maar door toedoen van [Y.] niet meer in de gelegenheid was deze verbouwing vóór 1 november 2004 te voltooien.

4.7.3. Ten aanzien van (a), de bouwvalligheid van de tuinmuur die de brandweer heeft genoopt deze neer te halen, overweegt het hof dat het bewijsvermoeden van art. 7:218 lid 2 BW daarop niet van toepassing is nu het schade aan de buitenzijde van het gehuurde betreft. [X.] is derhalve slechts dan aansprakelijk voor deze schade indien komt vast te staan dat deze bouwvalligheid is ontstaan door een aan [X.] toe te rekenen oorzaak. Dat dit het geval is volgt niet reeds uit de op 27 juli 2004 gemaakte afspraken. Weliswaar heeft [X.] toen op zich genomen de muur te herbouwen maar dit gebeurde als onderdeel van een meeromvattende schikking die onder meer inhield dat de huurovereenkomst zou voortduren. Uit het proces-verbaal van 27 augustus 2004 blijkt dat partijen deze schikking niet hebben gehandhaafd zodat aan de afspraak tot herbouw van de muur geen conclusies kunnen worden verbonden ten aanzien van eventuele aansprakelijkheid van [X.] voor het ontstaan van deze schade. De bewijslast op dit punt rust volgens de hoofdregel van art. 150 Rv derhalve op [Y.]. [Y.] zal hierna overeenkomstig haar aanbod tot bewijslevering op dit punt worden toegelaten.

4.7.4. Het hof merkt hierbij nog op dat vooralsnog geoordeeld moet worden dat de materiaalkosten in ieder geval voor rekening van [Y.] dienen te blijven. Partijen hebben ter terechtzitting van 27 juli 2004 afgesproken dat de muur zou worden herbouwd met de oude stenen en dat zand en cement door [Y.] bekostigd zouden worden. Door [Y.] is onvoldoende onderbouwd dat - bij nader inzien - herbouw van de muur met nieuwe stenen noodzakelijk was. Een definitief oordeel op dit punt wordt aangehouden tot ná de bewijslevering.

4.7.5. Ten aanzien van (b), de niet voltooide verbouwing van de schuur en het loskoppelen van de afvoer van de CV-installatie, overweegt het hof dat vaststaat dat [X.] met de verbouwing van de schuur is begonnen en deze niet heeft afgemaakt. Ook indien hij daarvoor toestemming had van de rechtsvoorganger van [Y.], dan nog rustte op hem de verplichting de verbouwing tot een goed einde te brengen.

4.7.6. Nu vaststaat dat partijen op 27 augustus 2004 hebben afgesproken dat [X.] de woning op 1 november 2004 in goede staat diende op te leveren, is [X.] met ingang van 1 november 2004 zonder nadere in gebreke stelling in verzuim geraakt ten aanzien van het afbouwen van de schuur en het wederom aansluiten van de afvoer van de CV-installatie. [X.] is derhalve gehouden tot vergoeding van de door [Y.] uit dien hoofde geleden schade.

4.7.7. Voor wat betreft de omvang van de herbouwkosten is het hof van oordeel dat, gelet op de afspraken ter terechtzitting van 27 juli 2004, op het bedrag van de herbouwkosten een bedrag van € 950,-- in mindering dient te komen en tevens dat [Y.] slechts aanspraak kan maken op de kosten die gemoeid zijn met het afbouwen van de berging. Dat volledige herbouw noodzakelijk was, is door [Y.] onvoldoende onderbouwd. Omtrent de hoogte van de kosten van afbouw zal een deskundigenbericht noodzakelijk zijn, nu die kosten niet uit de overgelegde bewijsstukken kunnen worden afgeleid. Partijen dien zich na het getuigenverhoor uit te laten over het aantal en de persoon van de deskundige(n) en de te stellen vragen.

4.7.8. [Y.] stelt dat op 1 november 2004 daarnaast de volgende schade aan de woning bestond:

schade aan de elektra bekabeling;

schade in de woning aan ruiten, spiegels, stucwerk en sloten;

schade aan de stoffering (vlekken);

verdwenen erfafscheidingen;

schade aan de tuinbestrating.

[X.] heeft betwist dat hij deze schade heeft veroorzaakt.

4.7.9. Het hof stelt vast dat het proces-verbaal van de descente op 2 december 2004 niet bijdraagt tot het bewijs van deze schadeposten. Uit dit proces-verbaal blijkt wel dat de erfafscheidingen toen ontbraken maar niet dat [X.] deze heeft verwijderd. Ten aanzien van de overige schadeposten heeft de kantonrechter geen bevindingen in het proces-verbaal opgenomen.

4.7.10. Het geschil betreft allereerst de vraag in welke staat [X.] de woning met aanhorigheden op 1 november 2004 aan [Y.] diende op te leveren. Uit art. 7:224 lid 2 BW volgt dat daarvoor bepalend is of bij aanvang van de huur op 1 april 2004 een beschrijving van de woning is opgemaakt.

4.7.11. Indien geen beschrijving is opgemaakt, wordt [X.] - behoudens tegenbewijs door [Y.] – verondersteld de woning in de staat te hebben ontvangen zoals deze is op 1 november 2004. In dat geval komen de door [Y.] opgevoerde schadeposten niet voor vergoeding in aanmerking.

4.7.12. Hoewel art. 2.1 van het huurcontract het opmaken van een inspectierapport bij aanvang van de huur voorschrijft, is gesteld noch gebleken dat partijen een dergelijk inspectierapport hebben opgemaakt. Art. 2.1 bevat nog een bijzonder beding dat inhoudt: indien geen beschrijving is opgemaakt is de huurder verplicht gebreken binnen 8 dagen na aanvang van de huur aan de verhuurder te melden bij gebreke waarvan hij wordt geacht het gehuurde in goede staat te hebben ontvangen. Uit art. 7:242 lid 2 BW volgt echter dat het partijen niet vrijstaat in geval van huur van een woning van art. 7:224 lid 2 BW af te wijken, zodat dit beding - waarop partijen overigens ook geen beroep hebben gedaan - verder buiten beschouwing dient te blijven.

4.7.13. Op [Y.] rust derhalve de bewijslast dat de door haar geconstateerde schade (hiervoor onder 4.7.8 omschreven) in het tijdvak van april 2004 tot en met oktober 2004 is ontstaan. Indien [Y.] slaagt in dit bewijs, dan wordt op grond van art. 7:218 lid 1 en lid 2 BW vermoed dat [X.] hiervoor aansprakelijk is - behoudens tegenbewijs. [Y.] zal hierna overeenkomstig haar aanbod tot bewijslevering op dit punt worden toegelaten.

4.8. De ontruimingskosten

4.8.1. [Y.] vordert vergoeding van de kosten van ontruiming en voert daartoe aan dat [X.] op 1 november 2004 de woning niet leeg en ontruimd heeft opgeleverd zodat de woning op 9 november 2004 door de deurwaarder moest worden ontruimd. De kosten van de ontruiming hebben blijkens de factuur van Adactio Gerechtsdeurwaarders van 11 november 2004 in totaal

€ 1.650,72 incl. btw bedragen.

4.8.2. [X.] voert aan dat hij niet aansprakelijk is voor deze kosten omdat de beheerder van de woning in de ochtend van 31 oktober 2004 de verhuizers heeft gezegd dat ze niet gewenst waren en dat ze beter geen zaken met [X.] konden doen.

4.8.3. Het hof is van oordeel dat zelfs indien juist is dat de beheerder van de woning de ochtend van 31 oktober 2004 dit zo tegen de verhuizers heeft gezegd [X.] nog niet is ontslagen van zijn verplichting de woning leeg en ontruimd op te leveren. [X.] heeft bovendien niet toegelicht welke pogingen hij vervolgens heeft ondernomen de verhuizing alsnog in orde te maken.

4.8.4. De kosten van de ontruiming zijn derhalve toewijsbaar tot een bedrag van € 1.650,72 nu [X.] de factuur van de deurwaarder verder niet heeft betwist.

4.9. Buitengerechtelijke kosten

4.9.1. [Y.] heeft niet verder toegelicht dat zij ter voorbereiding van deze procedure andere verrichtingen heeft opgedragen dan verrichtingen waarvoor de artikelen 237 tot en met 240 Rv een vergoeding plegen in te houden. Het aan buitengerechtelijke kosten gevorderde bedrag van € 272,-- is daarom niet toewijsbaar.

4.10. Beslagkosten en stallingkosten

4.10.1. In deze zaak zal gelet op hetgeen hiervoor onder 4.4 en 4.5 is overwogen in elk geval een bedrag aan achterstallige huurbetalingen kunnen worden toegewezen. Het op de auto van [X.] gelegde conservatoire beslag is dus niet onnodig gelegd.

4.10.2. [X.] voert nog aan dat het beslag nietig is omdat dit ten verzoeke van [A.] - de rechtsvoorganger van [Y.] - is gelegd terwijl deze toen al was overleden. Dit verweer faalt reeds op de grond dat het conservatoire beslag op de auto van [X.] en de sequestratie daarvan op 3 september 2004 hebben plaatsgevonden, derhalve vóór het overlijden van [A.] op 13 september 2004. [Y.] is als enig erfgename in de positie van [A.] als beslaglegger getreden.

4.10.3. Er zijn voorts geen gronden gesteld of gebleken waaruit voortvloeit dat het beslag onrechtmatig is gelegd of gehandhaafd. De kosten van het beslag waaronder begrepen de kosten van sequestratie komen op de voet van art. 706 Rv voor vergoeding in aanmerking.

4.10.4. [Y.] heeft de facturen van [B.] Gerechtsdeurwaarders en van v.o.f. [C.] overgelegd waaruit de volgende kosten (incl. btw) van het beslag blijken inclusief de kosten van de sequestratie vanaf de dag van inbeslagneming 3 september 2004 tot de dag van verkoop 14 april 2005:

- proces-verbaal van beslag € 110,21

- (over)betekeningen sequestratie € 141,84

- sequestratie incl. kosten veiligstellen € 335,38

(factuur [B.] 03-09-2004)

- stalling & bureaukosten t/m jan. 2005 € 532,53

(factuur [B.] d.d. 02-02-2005)

- stalling & bureaukosten febr. 2005 € 95,80

(factuur [B.] d.d. 16-03-2005)

- stallingkosten maart 2005 € 82,11

(factuur [C.] d.d. 19-04-2005)

- stallingkosten t/m 13 april 2005 € 52,60

(factuur [C.] d.d. 19-04-2005)

Totaal: € 1.350,47

==========

Aangezien [Y.] aan beslagkosten, inclusief stallingkosten tot en met maart 2005, in totaal een bedrag van € 1.164,43 heeft gevorderd, is dit bedrag toewijsbaar, vermeerderd met het bedrag aan stallingkosten over april 2005 van € 52,60, derhalve in totaal € 1.217,03, voorzover deze kosten niet al uit de verkoopopbrengst van de auto zijn voldaan.

4.11. Conclusie

4.11.1 [Y.] zal in de gelegenheid worden gesteld tot bewijslevering op de hiervoor onder 4.7.3 en 4.7.13 genoemde punten.

4.11.2. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De uitspraak

Het hof:

laat [Y.] toe te bewijzen dat:

A. dat [X.] de bouwvalligheid van de tuinmuur heeft veroorzaakt;

B. dat de hiervoor onder 4.7.8 genoemde schade aan de woning en aanhorigheden op 1 april 2004 nog niet aanwezig was;

bepaalt, voor het geval [Y.] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. W.J. van den Bergh als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 10 oktober 2006 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op werkdagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de procureur van [Y.] bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de procureur van [Y.] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 26 september 2006.