Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ0909

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-10-2006
Datum publicatie
10-11-2006
Zaaknummer
20-001715-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren terzake van:

1) medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden;

2) poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen;

3) medeplegen van: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

4) medeplegen van: om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

5) opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Het hof heeft een uitgebreide bewijsoverweging opgenomen ten aanzien van de feiten 1, 2, 3 en 4, waaronder voorwaardelijk opzet redenering, alsmede een uitgebreide strafoverweging.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, geldigheid: 2006-10-17
Opiumwet 10a, geldigheid: 2006-10-17
Opiumwet 3, geldigheid: 2006-10-17
Wetboek van Strafrecht 282, geldigheid: 2006-10-17
Wetboek van Strafrecht 317, geldigheid: 2006-10-17
Wetboek van Strafrecht 312, geldigheid: 2006-10-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 20-001715-06

Uitspraak : 17 oktober 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Breda van 25 april 2006 in de strafzaak met parketnummer 02-811729-05 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952,

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in Huis van Bewaring De Boschpoort te Breda.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- verdachte terzake van hetgeen hem onder 1, 2, 3, 4 en 5 is ten laste gelegd zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest;

- aan verdachte zal opleggen de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht tot een bedrag van EUR 500,-- subsidiair 10 dagen hechtenis;

- de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer/benadeelde partij] zal toewijzen tot een bedrag van

EUR 500,--

- de teruggave zal gelasten van het inbeslaggenomen geldbedrag aan de verdachte;

- de overige inbeslaggenomen voorwerpen waarvan nog geen last tot teruggave is bevolen, zal onttrekken aan het verkeer.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 09 september 2005 te Bosschenhoofd, gemeente Halderberge, althans op een of meer plaats(en) in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer/benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, immers heeft (hebben) hij verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) met dat opzet die [slachtoffer/benadeelde partij] meegevoerd in een bestelbus en/of (in die bestelbus vervolgens) de handen van die [slachtoffer/benadeelde partij] vastgetaped en/of die [slachtoffer/benadeelde partij] zijn schoenen en sokken uitgedaan/laten doen en/of die [slachtoffer/benadeelde partij] een vuilniszak over het hoofd gedaan en/of in een (met plastic bekleedde) ruimte gebracht en/of (vervolgens) die [slachtoffer/benadeelde partij] zich laten ontkleden tot op zijn slip en/of (aldus) geruime tijd in die ruimte laten zitten;

2.

hij (en/of een of meer van zijn mededader(s)) op of omstreeks 09 september 2005 te Bosschenhoofd, gemeente Halderberge, althans op een of meer plaats(en) in Nederland en/of België, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer/benadeelde partij] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld en/of eigendomspapieren van een of meer vrachtwagen(s) en/of appartment(en), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer/benadeelde partij] voornoemd, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), en/of te dwingen tot het teniet doen van een inschuld, die [slachtoffer/benadeelde partij] meermalen, althans een maal, (met kracht) tegen het gezicht en/of (de rest van ) zijn lichaam heeft geslagen en/of meermalen, althans een maal, tegen het lichaam heeft geschopt en/of tegen die [slachtoffer/benadeelde partij] gezegd dat hij neergeknald zou worden en/of door zijn knieën geschoten zou worden als hij niet meewerkte, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 14 oktober 2005 te Bergen op Zoom, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6 kilo, in elk geval een (handels) hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

4.

hij op of omstreeks 14 oktober 2005 te (respectievelijk) [woonplaats] en/of [woonplaats], in elk geval in het arrondissement Breda, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDA (Tenamfetamine) en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine, zijnde MDA (Tenamfetamine) en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine (een) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een of meer middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, voor te bereiden en/of te bevorderen, 2 dozen of 1 doos met een totale inhoud van ongeveer 50 kilogram, althans enige hoeveelheid coffeïne (cafeïne), in ieder geval voorwerpen en/of stoffen voorhanden heeft gehad waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit;

5.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 september 2005 tot en met 14 oktober 2005 te [woonplaats], in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een chalet aan de [adres]) (in totaal) ongeveer 180 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

In de derde regel van het onder 4. tenlastegelegde staat onder meer: "het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet".

Deze zinsnede bevat de verbeterde lezing door het hof van: "vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet (zoals gewijzigd bij wet Stb 292 van 2006; inwerkingtreding getreden per 1 juli 2006)".

Gezien het te dezen - na wijziging van de tenlastelegging - tenlastegelegde, berust de laatstgenoemde versie namelijk op een kennelijke vergissing; ook de geciteerde datum van inwerkingtreding - bezien in verband met de tempus delicti - wijst daarop.

De verdachte wordt blijkens het onderzoek ter terechtzitting door deze verbetering niet in enig rechtens te respecteren belang geschaad.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 09 september 2005 op een of meer plaats(en) in Nederland tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk [slachtoffer/benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders met dat opzet die [slachtoffer/benadeelde partij] meegevoerd in een bestelbus en (in die bestelbus vervolgens) de handen van die [slachtoffer/benadeelde partij] vastgetaped en die [slachtoffer/benadeelde partij] zijn schoenen en sokken uitgedaan en die [slachtoffer/benadeelde partij] een vuilniszak over het hoofd gedaan en in een (met plastic bekleedde) ruimte gebracht en (vervolgens) die [slachtoffer/benadeelde partij] zich laten ontkleden tot op zijn slip en (aldus) geruime tijd in die ruimte laten zitten;

2.

hij en zijn mededaders op 09 september 2005 in Nederland, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer/benadeelde partij] te dwingen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, die [slachtoffer/benadeelde partij] meermalen (met kracht) tegen het gezicht en (de rest van ) zijn lichaam hebben geslagen en tegen die [slachtoffer/benadeelde partij] hebben gezegd dat hij neergeknald zou worden of door zijn knieën geschoten zou worden als hij niet meewerkte, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 14 oktober 2005 te [woonplaats] tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 6 kilo van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij op 14 oktober 2005 te [woonplaats] en [woonplaats] tezamen en in vereniging met een ander om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken en/of verwerken van een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, 2 dozen met een totale inhoud van ongeveer 50 kilogram coffeïne (cafeïne) voorhanden heeft gehad waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit;

5.

hij in de periode van 14 september 2005 tot en met 14 oktober 2005 te [woonplaats] opzettelijk heeft geteeld en bereid (in een chalet aan de [adres]) (in totaal) ongeveer 180 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen worden in het geval van beroep in cassatie vermeld in de aanvulling als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering, welke aanvulling in dat geval aan het arrest wordt gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het, blijkens zijn inhoud, betrekking heeft.

Ten aanzien van feit 1 en 2:

Door de verdediging is ten verweer betoogd dat de verdachte van de feiten die onder 1 en 2 ten laste zijn gelegd, moet worden vrijgesproken.

Daartoe is - op gronden zoals in de pleitnota uitgewerkt - aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, nu slechts de verklaring van aangever voorhanden is. Die verklaring is vanwege de daarin voorkomende tegenstrijdigheden onbetrouwbaar en steunbewijs ontbreekt.

Het hof overweegt als volgt.

Het onderzoek naar de feiten zoals die zijn tenlastegelegd onder 1 en 2 is begonnen naar aanleiding van een door het slachtoffer geschreven brief d.d. 13 september 2005 gericht aan de Federale politie te Sint-Niklaas (België) (bijlage 1 van het proces-verbaal van de Federale politie met proces-verbaal nummer BR.11.F1.220529/2005, als bijlage deeluitmakend van het dossier van de politie Bergen op Zoom met dossiernummer PL2010/05-012630).

Vervolgens heeft het slachtoffer bij de Federale politie op 13 september 2005 een officiële aangifte gedaan en een verklaring afgelegd, bestaande in de inhoud van voornoemde brief.

De zaak is daarna door de Nederlandse autoriteiten overgenomen. Op 23 september 2005 heeft het slachtoffer een, zijn eerder bij de Belgische politie afgelegde verklaring aanvullende, verklaring afgelegd (proces-verbaal van politie Midden en West Brabant met nummer PL2010/05-252229, als bijlage deeluitmakend van het dossier van de politie Bergen op Zoom met dossiernummer PL2010/05-012630).

Tot slot heeft het slachtoffer als getuige ter terechtzitting in eerste aanleg op 19 januari 2006 een verklaring afgelegd terzake hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is tenlastegelegd.

Voornoemde verklaringen en brief houden telkens - zakelijk weergegeven - het volgende in.

Eind augustus of begin september ontving aangever in zijn brievenbus een briefje met daarop geschreven de tekst "Bellen! 0031610766086 [verdachte]". Aangever wenste echter geen contact met de afzender van dit briefje, zijnde verdachte, vanwege tussen hem en verdachte in het verleden fout gelopen zakelijke contacten. Verdachte stelde zich namelijk op het standpunt dat aangever aan hem geld schuldig was vanwege een door aangever met zijn geld verkeerd uitgevoerde investering, waardoor zijn geld verloren was gegaan.

Een week later wordt aangever gebeld door ene [persoonsgegevens] en door deze [persoonsgegevens] wordt aangever onder valse voorwendselen, te weten het houden van een zakelijke bespreking over een geheel ander onderwerp, naar hotel Princeville te Breda gelokt. Op 9 september 2005 gaat aangever naar voornoemd hotel en ontmoet daar [persoonsgegevens] - medeverdachte [medeverdachte 1] - en een toen nog onbekende Nederlandse man - medeverdachte [medeverdachte 2] - met wie aangever vervolgens de bespreking voert. Aangever is daarna met zijn eigen auto, met [medeverdachte 2] als bijrijder, achter [medeverdachte 1] aangereden naar het vliegveld Seppe bij Sint Willebrord omdat hij daar nog een derde persoon zou ontmoeten die ook bij het onderwerp van die bespreking betrokken was. Op de parkeerplaats van het vliegveld zijn de aangever en [medeverdachte 2] vervolgens bij [medeverdachte 1] in de auto gaan zitten en verder gereden over het vliegveld tot ze een daar gereed staande bus waren genaderd. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn uit de auto gestapt en op dat moment kwam van achter de bus de verdachte tevoorschijn. Aangever werd vervolgens uit de auto gehaald en gedwongen om in de bus plaats te nemen. In de bus werd aangever meerdere malen geslagen en geschopt, werden zijn handen aan elkaar vastgetaped, werden zijn sokken en schoenen uitgedaan en kreeg hij een vuilniszak over zijn hoofd. Uiteindelijk werd aangever in een ruimte gebracht waar de vuilniszak van zijn hoofd werd verwijderd; die ruimte was van binnen uit helemaal bekleed met plastic.

In die ruimte moest aangever zich tot op zijn ondergoed ontkleden, werd hij nog meerdere malen geslagen en hebben verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aan aangever duidelijk gemaakt dat hij verdachtes geld, dat die door een verkeerde investering had verloren, aan verdachte moest terugbetalen.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat hij van aangever nog een grote som geld tegoed had en dat hij op 9 september 2005 pogingen in het werk heeft gesteld om dat geld terug te krijgen.

Voor zover aangever heeft verklaard dat hij op enig moment een briefje in zijn brievenbus had ontvangen met daarop de opdracht om ene [verdachte] te bellen, vindt dit bevestiging in hetgeen dienaangaande door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard, te weten: dat hij, verdachte, dat briefje in de brievenbus van aangever heeft gedaan.

Voor zover aangever, als hiervoor uiteengezet, heeft verklaard dat hij geen contact met de afzender van het briefje wilde en door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onder valse voorwendselen naar Nederland is gelokt, vindt dit bevestiging in hetgeen dienaangaande door [medeverdachte 1] bij gelegenheid van zijn verhoor door de politie is verklaard (p.91-94 van het dossier van de politie Bergen op Zoom, dossiernummer PL2010/05-012630), voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - dat hij, [medeverdachte 1], aangever heeft gebeld en gevraagd om op 9 september 2005 naar Princeville te komen.

Voorts vindt deze stelling bevestiging in hetgeen dienaangaande door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard, voor zover inhoudende dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangever onder valse voorwendsels naar Nederland hebben gelokt en dat hij, verdachte, op 9 september 2005 een stevig gesprek met aangever heeft gevoerd.

Dat tegen de aangever geweld is gebruikt, vindt bevestiging in de dienaangaande door [medeverdachte 2] bij de politie afgelegde verklaring (p.67 van het dossier van de politie Bergen op Zoom, dossiernummer PL2010/05-012630) voor zover inhoudende dat er met de aangever een 'stevig gesprek' had plaatsgevonden, en in de verklaring van de verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, inhoudende dat er met de aangever een pittig gesprek heeft plaatsgevonden, dat aangever 'enkele tikken' heeft gehad en 'flinke meppen' gekregen had.

Dat aangever in dwingende bewoordingen is verzocht om teruggave van geld vindt steun in de verklaring van [medeverdachte 2] (proces-verbaal van de politie Midden en West Brabant met nummer PL2010/05-252229 opgemaakt op 24 oktober 2005) voor zover inhoudende - zakelijk weergegeven - dat er een stevig gesprek heeft plaatsgevonden met aangever omdat verdachte nog geld tegoed had van aangever en dat er 'wel een tik gevallen' zou zijn. Voorts vindt dit bevestiging in hetgeen door verdachte ter terechtzitting in hoger beroep dienaangaande is verklaard, te weten: dat hij aangever in een pittig gesprek heeft gevraagd zijn geld terug te geven en dat, toen aangever met allerlei smoesjes aan kwam, hij aangever enkele meppen heeft verkocht.

Voorts overweegt het hof dat weliswaar niet voor elk onderdeel van de bewezenverklaring van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten meer dan één bewijsmiddel voorhanden is, maar dat dat onverlet laat dat uit meerdere bewijsmiddelen de kern van het onder 1 en 2 tenlastegelegde, te weten: dat één en ander plaats heeft gevonden in het kader van pogingen van de verdachte om samen met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] van de aangever geld terug te ontvangen dat die aan hem verschuldigd zou zijn, is komen vast te staan. Voorts is wat betreft de overige onderdelen van de bewezenverklaring niet zonder betekenis dat de verdachte bij zijn verhoor op 15 oktober 2005 (proces-verbaal PL2010/05-252229, deel uitmakende van het dossier van politie Bergen op Zoom met dossiernummer PL2010/05-012630) zonder voorbehoud heeft verklaard dat hij koste wat het kost zijn geld terug wilde krijgen.

Ten slotte liggen nog aanwijzingen dat de ontvoering van aangever heeft plaatsgevonden besloten in nadien - te weten: na 9 september 2005 - gevoerde en afgeluisterde telefoongesprekken tussen aangever en onderscheidenlijk [medeverdachte 2] en verdachte. Daarin erkent [medeverdachte 2] impliciet het volgens aangever bij de onderhavige gebeurtenissen veroorzaakte oogletsel en dreigt hij met veel verdergaande mishandelingen en reageert verdachte niet met verbazing of een ander blijk van onwetendheid wanneer door de aangever wordt verwezen naar de plaatsgevonden hebbende ontvoering (de verslagen van beide gesprekken zijn als bijlage gevoegd bij het dossier van de politie Bergen op Zoom met dossiernummer PL2010/05-012630).

Op grond van het bovenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Het hof verwerpt bijgevolg het verweer.

Ten aanzien van feit 3

Het in feit 3 bewezenverklaarde middel, te weten amfetamine, is aangetroffen in een chalet ([adres]) op een camping in [woonplaats], dat, blijkens zijn verklaring zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, (mede) aan verdachte toebehoorde.

De verdachte heeft ten verweer gesteld geen eigenaar van het middel te zijn en geen wetenschap te hebben gehad van de aanwezigheid in dat chalet van amfetamine.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Niet alleen heeft de verdachte op een aantal onderdelen zijn proceshouding gewijzigd, in dier voege dat hij zich bij gelegenheid van zijn verhoren in het opsporingsonderzoek en bij de rechter in eerste aanleg heeft beroepen op zijn zwijgrecht maar bij gelegenheid van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep een verklaring heeft afgelegd, zulks zonder dat hij voor die wijziging een steekhoudende verklaring heeft kunnen geven, maar bovendien heeft hij bij laatstgenoemde gelegenheid over verschillende onderdelen van het hem gemaakte verwijt die verklaring nog op een aantal essentiële punten aangepast.

Blijkens het proces-verbaal van doorzoeking van het chalet op [adres] op camping [naam camping] d.d. 17 oktober 2005, opgemaakt door [verbalisant], brigadier van Politie Midden en West Brabant, is bij de doorzoeking in voornoemd chalet een aantal goederen aangetroffen, waaronder 6 zakken met in elke zak - naar later bleek uit een test - een kilo amfetamine, een plastic zak met 17 kussenslopen met sporen van amfetamine, een elektronische weegschaal, een blik met methanol en een doos met 25 kilo cafeïne.

Tijdens de verhoren bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting in hoger beroep echter heeft de verdacht aanvankelijk verklaard dat de amfetamine niet aan hem toebehoorde, maar aan een ander niet nader te noemen persoon die het chalet [adres] als opslag gebruikte, waarvoor verdachte een vergoeding ter hoogte van EUR 400,-- kreeg. Later heeft verdachte deze verklaring weer gewijzigd in dier voege dat hij het chalet aan iemand heeft verhuurd voor een bedrag van EUR 400,-- en dat de in dat chalet aangetroffen goederen, waaronder de amfetamine, daar zijn achtergelaten.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven voor zijn wijziging van standpunt en het hof houdt hem bijgevolg aan zijn oorspronkelijke verklaring zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, te weten dat hij voor een bedrag van EUR 400,-- het chalet [adres] aan een ander ter beschikking heeft gesteld voor opslag van goederen. Overigens heeft verdachte te kennen gegeven niet te willen verklaren over de identiteit van die andere persoon, doch wel te weten wie die persoon is, namelijk dezelfde persoon die in de woning van de ex-vrouw van verdachte, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] - zoals hierna onder 4 wordt overwogen - de doos met cafeïne heeft opgeslagen.

Door een chalet, dat naar zijn aard niet daartoe bestemd is, aan een persoon tegen een vergoeding van EUR 400,-- ter beschikking te stellen als opslagplaats - in samenhang met het feit dat die persoon eerder in een andere woning eveneens tegen betaling aan de verdachte een doos met cafeïne heeft opgeslagen, van welke stof verdachte, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, wist dat die gebruikt kan worden bij de bewerking en verwerking van amfetamine - zonder naar de aard van de goederen die zouden moeten worden opgeslagen navraag te doen dan wel enig onderzoek uit te voeren, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn chalet voor de opslag van die amfetamine zou worden gebruikt en heeft hij aldus voorwaardelijk zijn opzet gericht gehad op het aanwezig hebben van de daar aangetroffen amfetamine.

Het hof acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 3 tenlastegelegde feit heeft begaan en verwerpt mitsdien het verweer.

Ten aanzien van feit 4

Het in feit 4 bewezenverklaarde middel, te weten: cafeïne, is aangetroffen in het reeds eerder genoemde chalet [adres] in [woonplaats] en in de woning van de ex-vrouw van verdachte aan de [adres] te [woonplaats]. Hierbij werd op iedere locatie 25 kilo aangetroffen.

De verdachte heeft feit 4 bestreden, in die zin dat hij heeft verklaard geen eigenaar te zijn geweest van de cafeïne en geen wetenschap te hebben gehad van de aanwezigheid van dat middel.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Niet alleen heeft de verdachte op een aantal onderdelen zijn proceshouding gewijzigd, in dier voege dat hij zich bij gelegenheid van zijn verhoren in het opsporingsonderzoek en bij de rechter in eerste aanleg heeft beroepen op zijn zwijgrecht maar bij gelegenheid van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep een verklaring is gaan afleggen, zonder dat hij voor die wijziging een steekhoudende verklaring heeft kunnen geven, maar bovendien heeft hij bij laatstgenoemde gelegenheid over verschillende onderdelen van het verwijt die verklaring nog op een aantal essentiële punten aangepast.

Blijkens het proces-verbaal van doorzoeking van het chalet op [adres] op camping [naam camping] d.d. 17 oktober 2005, opgemaakt door [verbalisant], brigadier van Politie Midden en West Brabant, is bij de doorzoeking in voornoemd chalet een aantal goederen aangetroffen, waaronder een doos met daarin 25 kilo cafeïne, die soortgelijk is aan de hierna in woning in [woonplaats] aangetroffen doos.

Tijdens de verhoren bij de politie en tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft verdachte zich beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting in hoger beroep echter heeft de verdachte aanvankelijk verklaard dat een kennis van hem had gevraagd of hij tegen betaling een doos bij hem, verdachte, thuis wilde opbergen. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij niet zo'n moeilijk persoon is en het verzoek van die kennis tegen een kleine betaling heeft ingewilligd, maar zich verder niet verdiept had in de reden waarom die persoon die doos bij hem wilde opbergen. Ten slotte heeft verdachte verklaard te hebben geweten wat er in die doos zat, maar zich niet van de risico's bewust geweest te zijn. Later heeft verdachte deze verklaring weer gewijzigd, in dier voege dat die bewuste doos tussen een partij andere dozen, inhoudende laser kachels, was gestopt en dat hij, omdat hij tegen betaling de dozen met laser kachels voor die kennis bij hem thuis zou opslaan, geen wetenschap had gehad van de aanwezigheid van cafeïne in die doos.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte geen aannemelijke verklaring gegeven voor zijn wijziging van standpunt en het hof houdt hem bijgevolg aan zijn oorspronkelijke verklaring zoals afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, te weten: dat hij tegen betaling een doos met cafeïne voor een kennis van hem bij hem thuis heeft opgeslagen en dat hij zich niet heeft bekommerd over de vraag, waarom die persoon - van wie hij de naam niet wenst te noemen - die cafeïne tegen betaling bij hem heeft ondergebracht, in plaats van die - kosteloos - zelf te bewaren.

Door een doos met cafeïne - terwijl verdachte, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, wist dat die stof gebruikt kan worden bij de bewerking of verwerking van

amfetamine - tegen betaling bij hem thuis op te slaan, heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij stoffen voorhanden zou hebben, die gebruikt kunnen worden voor de bewerking of verwerking van amfetamine en aldus zijn opzet voorwaardelijk heeft gericht op het voorbereiden dan wel bevorderen van een feit als bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet.

Het hof acht gezien het bovenstaande - in samenhang met hetgeen reeds ten aanzien van feit 3 is overwogen - wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 4 tenlastegelegde feit heeft begaan en verwerpt mitsdien het verweer.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

De artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet zijn gewijzigd nadat de onder 3., 4., en 5. bewezenverklaarde feiten zijn begaan.

Deze wijzigingen berusten evenwel niet op een gewijzigd inzicht van de wetgever nopens de strafwaardigheid van het bewezenverklaarde, zodat het recht wordt toegepast dat gold ten tijde van het bewezen verklaarde.

Het bewezen verklaarde onder 1. is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 282, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 2. is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 45, eerste lid (oud), van het Wetboek van Strafrecht junctis de artikelen 317, eerste lid, en 312, tweede lid, aanhef en onder 2°, van die wet.

Het bewezen verklaarde onder 3. is als misdrijf voorzien bij artikel 2, aanhef en onder C (oud), van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 10, tweede lid (oud), van die wet juncto artikel 47, eerste lid onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 4. is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 10a, eerste lid, aanhef en onder 3° (oud) van de Opiumwet juncto artikel 47, eerste lid onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezen verklaarde onder 5. is als misdrijf voorzien bij artikel 3, aanhef en onder B (oud), van de Opiumwet en strafbaar gesteld bij artikel 11, tweede lid (oud), van die wet.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt.

Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Verdachte heeft het slachtoffer ontvoerd, bedreigd en mishandeld, alsmede hem van zijn vrijheid beroofd en gedurende enkele uren beroofd gehouden, omdat het slachtoffer nog geld aan verdachte schuldig zou zijn. Wat de aard en omvang van een geschil tussen de verdachte en het slachtoffer ook moge zijn, zulks rechtvaardigt op geen enkele manier de eigenrichting die zich in casu heeft voorgedaan.

Door aldus te handelen heeft verdachte het recht van het slachtoffer op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer en lichamelijke integriteit op grove wijze geschonden.

Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten vaak nog lange tijd last kunnen hebben van gevoelens van angst en onveiligheid en dat het gewelddadig karakter van dergelijke feiten vaak leidt tot maatschappelijke verontrusting.

Voorts zijn bij verdachte grote hoeveelheden amfetamine en cafeïne aangetroffen, waarbij de laatstgenoemde stof bestemd was voor het bewerken en/of verwerken van amfetamine, alsmede een hennepkwekerij waar 180 hennepplanten werden geteeld.

Hard- en softdrugs als de onderhavige leveren, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren op voor de gezondheid van die gebruikers en de aan verdachte toebehorende hennepkwekerij staat in directe relatie met de handel in softdrugs, welke handel vaak allerlei maatschappelijk onwenselijke effecten, zoals het ontduiken van belastingen en de diefstal van elektriciteit, bevordert.

De verdachte heeft zich hiervan geen enkele rekenschap gegeven en, zoals hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft toegelicht, slechts gehandeld met het oog op financieel gewin.

Het hof houdt in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij nog niet eerder terzake geweldsdelicten en overtreding van de Opiumwet is veroordeeld.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden volstaan met een straf als door de advocaat-generaal gevorderd omdat daarin de ernst van het bewezen verklaarde - in het bijzonder de mate waarin het bewezenverklaarde inbreuk op het slachtoffer heeft gemaakt en de relatief grote hoeveelheden harddrugs, softdrugs en versnijdingsmiddel voor amfetamine die bij verdachte zijn aangetroffen - onvoldoende tot uitdrukking komt.

De na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu deze bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte 3, 4 en 5 begane misdrijf werden aangetroffen en deze aan verdachte toebehorende voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Het onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven geldbedrag zal aan deze worden teruggegeven.

Uit het onderzoek is voorts gebleken dat het slachtoffer immateriële schade heeft geleden, welke het hof naar billijkheid begroot op EUR 500,--.

Verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van EUR 500,-- te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

De vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer/benadeelde partij], wonende te [woonplaats], aan de [adres], heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend tot een bedrag van

EUR 3.327,50 terzake van geleden immateriële en materiële schade. Deze vordering is door de eerste rechter toegewezen tot een bedrag van EUR 500,--.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering opnieuw gevoegd ter zake van geleden immateriële en materiële schade tot het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De vordering is betwist. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 2 bewezen verklaarde rechtstreeks nadeel is toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan de verdachte toe te rekenen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder art. 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. De verdachte heeft de hoogte van deze vordering betwist. Naar maatstaven van billijkheid moet deze schade worden begroot op na te melden bedrag. Voor het overige is de vordering niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding.

Gelet hierop zal het hof bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet ontvankelijk is in haar vordering en dat die vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

Het hof zal bepalen dat indien en voorzover de mededader van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre daarvan zal zijn bevrijd.

Voorts zal het hof bepalen dat indien en voor zover de mededader van verdachte de benadeelde partij schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre daarvan zal zijn bevrijd.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 (oud), 3 (oud), 10(oud), 10a (oud) en 11 (oud) van de Opiumwet en de artikelen 24c, 36b, 36c, 36d, 36f, 45 (oud), 47, 57, 282, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

1.

Medeplegen van: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden.

2.

Poging tot afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

3.

Medeplegen van: Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

4.

Medeplegen van: Om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

5.

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen voorwerpen, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- 1.00 STK Poeder Kl: bruin, [code verdachte], aangetroffen in chalet van [code verdachte];

- 1.00 STK Poeder, Cafeine, bruine doos met opschrift: 25 kg cafeine in cha;

- 1.00 STK Papier Kl: grijs, Toshiba fax, is gevallen, schade is gemeld, uit chalet [code verdachte];

- 1.00 STK Munitie, kogels [code verdachte], in washandje aangetroffen in cahlet [code verdachte];

- 6.00 STK Pil, [code verdachte], 6 pillen in gripzakje aangetroffen in chalet [code verdachte];

- 1.00 STK Sleutel, [code verdachte], aangetoffen in chalet [code verdachte]

- 1.00 STK Kentekenbewijs, Opel Zafira [kenteken];

- 1.00 STK Poeder Kl: wit, onbekend [code verdachte], in zilverpapier aangetroffen in chalet [code verdachte];

- 1.00 STK Hennep, Kl: groen, [code verdachte], aangetroffen in chalet [code verdachte];

- 1.00 STK Schietmasker, [code verdachte], in blauw kistje aangetroffen in chalet [code verdachte];

- 7.00 STK Munitie, [code verdachte], 7 doosjes met .25 munitie aangetroffen in chalet;

- 1.00 STK Poeder, cafeine, [code verdachte], bruine doos aangetroffen in chalet [code verdachte];

- 1.00 STK Vaten, [code verdachte], wit vat met rood deksel, inhoudende zakken met brokken;

- 1.00 STK Verdovende Middelen, [code verdachte], zak met 1 kg brokkelige inst.;

- 1.00 STK Verdovende Middelen, zak met 1 kg brokkelige substantie uit chalet [code verdachte];

- 1.00 STK Verdovende Middelen, [code verdachte], zak met ongeveer 1 kg brokkelige substantie uit chalet;

- 1.00 STK Verdovende Middelen, [code verdachte], zak met 1 kg brokkelige substantie uit chalet [code verdachte];

- 1.00 STK Verdovende Middelen, [code verdachte], zak met ongeveer 1 kg brokkelige substantie uit chalet;

- 1.00 STK Verdovende Middelen, [code verdachte], zak met ongeveer 1 kg brokkelige substantie uit chalet;

- 17.00 STK Kussensloop, [code verdachte], zwarte plastic zak met (17) kussenslopen;

- 1.00 STK Handschoen, [code verdachte], bundel met plastic handschoenen;

- 1.00 STK Metselkuip Kl: wit, [code verdachte], witte speciekuip;

- 4.00 STK Emmer, kl: wit, [code verdachte], 4 grote witte emmers, aangetroffen in chalet [code verdachte];

- 1.00 STK Vaten, BLIK [code verdachte], rechthoekig blik met opschrift Methanol;

- 1.00 STK Vaten, ton [code verdachte], houten ton met opschrift Xinhua uit chalet [code verdachte];

- 1.00 STK Schep, [code verdachte], schep met sporen van wit poeder uit chalet [code verdachte]

- 1.00 STK Papier, gebruiksa. [code verdachte], gebruiksaanwijzing Easy Packer uit chalet [code verdachte];

- 1.00 STK Sealapparaat, Easy Packer [code verdachte], in houten ton uit chalet [code verdachte];

- 1.00 STK Weegschaal, Servotool balans [code verdachte].

Gelast de teruggave aan verdachte van het inbeslaggenomen geldbedrag, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

- een geldbedrag van EUR 2.306,21.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer/benadeelde partij], wonende te [adres] [woonplaats], een bedrag te betalen van EUR 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer/benadeelde partij] voor een bedrag van EUR 500,00 (vijfhonderd euro) toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 500,00 (vijfhonderd euro).

Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer/benadeelde partij], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Bepaalt dat indien en voorzover het slachtoffer door een mededader van verdachte schadeloos is gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat indien en voorzover een mededader van verdachte heeft voldaan aan de vordering van de benadeelde partij, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. H.D. Bergkotte, voorzitter,

mrs. J.P.F. Rijken en F. van Beuge,

in tegenwoordigheid van mr. C.P.J. Scheele, griffier,

en op 17 oktober 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. J.P.F. Rijken is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.