Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ0601

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-07-2006
Datum publicatie
20-10-2006
Zaaknummer
R200501285
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een zogenaamde omgangsondertoezichtstelling.

Zie ook R200501286.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

EB

27 juli 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R05/01285

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

de moeder,

procureur mr. G.P.M. Sanders,

t e g e n

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Breda,

geïntimeerde,

de raad.

Als belanghebbende in deze zaak kan worden genoemd:

- [Y.] (hierna: de vader), wonende te [woonplaats].

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Breda van 14 september 2005, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 12 december 2005, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen, althans te bepalen dat het verzoek van de raad wordt afgewezen als zijnde onbewezen en/of ongegrond, met veroordeling van de raad in de kosten van beide procedures.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 17 januari 2006, heeft de vader verzocht de moeder in haar hoger beroep tegen voormelde beschikking niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek van de moeder af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, met de veroordeling van de moeder in de kosten van dit geding.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 februari 2006. Bij die gelegenheid zijn de moeder en haar advocaat mr. Dictus, mw. Van den Dam namens de raad, de vader en zijn advocaat mr. Dilven, alsmede dhr. Klippel namens Stichting Bureau Jeugdzorg (hierna: de stichting) gehoord. Hiervan zijn een verkort proces-verbaal en een aanvullend verkort proces-verbaal opgemaakt die zich bij de stukken bevinden.

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het rapport van de raad, d.d. 1 juli 2005;

- het eerste plan van aanpak van de stichting, d.d. 4 januari 2006;

- een brief met bijlagen van de stichting d.d. 15 maart 2006;

- een brief van de advocaat van de vader d.d. 28 maart 2006;

- een faxbericht van de advocaat van de vader d.d. 3 april 2006;

- een brief met bijlagen van de procureur van de moeder d.d. 3 april 2006;

- een brief van de raad d.d. 7 april 2006;

- een brief met bijlage van de stichting d.d. 14 juni 2006;

- een faxbericht met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 29 juni 2006;

- een faxbericht met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 3 juli 2006.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Uit het huwelijk van partijen is op [geboortejaar] [Z.] (hierna: [Z.]) geboren.

De tussen partijen gewezen echtscheidingsbeschikking van 28 januari 2002 van de rechtbank Breda is op 6 juni 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [Z.] en [Z.] heeft haar hoofdverblijf bij de moeder.

4.2. Op 27 juli 2004 heeft de moeder in de zaak bij het hof bekend onder nummer R200501286 de rechtbank verzocht de bij convenant en bij kort gedingvonnis van 3 april 2003 vastgestelde omgangsregeling tussen de vader en [Z.] te beëindigen.

Bij tussenbeschikking van 13 december 2004 heeft de rechtbank de zaak aangehouden en de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de vraag of omgang tussen de vader en [Z.] in het belang van [Z.] is en zo ja, met welke frequentie.

4.3. Uit het rapport van de raad van 1 juli 2005 komt onder meer het volgende naar voren.

Uit het onderzoek van de raad komen ten aanzien van de vader geen contra-indicaties voor een omgangsregeling naar voren. De meest zwaarwichtige belemmering voor een eventuele omgang is volgens de raad gesitueerd in de vaste overtuiging van de moeder dat de vader effectief grensoverschrijdend gedrag ten aanzien van [Z.] heeft gesteld. Deze niet bevestigde vermoedens hebben voor de moeder de vorm van feiten aangenomen. Feiten waarvan de moeder inmiddels permanent de hele leefomgeving van [Z.] (kinderopvang, school en andere ouders) inclusief [Z.] zelf heeft doordrongen.

Uit het onderzoek wordt duidelijk dat dit thema in de zorg van de moeder voor [Z.] een zodanig centrale plaats heeft ingenomen dat [Z.] precies hierdoor mogelijk in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Immers, elke nieuwe omgeving waarin [Z.] terecht komt, wordt uitvoerig door de moeder ‘gebriefd’ over de gebeurtenissen die gaandeweg als feiten worden voorgesteld. De raad vindt het bijzonder zorgelijk dat de moeder niet in staat is om zichzelf een andere visie toe te staan en zelfs een vonnis van de rechter naast zich neerlegt. De moeder ontneemt hierdoor [Z.] elke kans om in een gegarandeerd veilige omgeving opnieuw kennis te maken met haar vader. De raad vindt ook de gewoonte van de moeder om elke nieuwe omgeving van [Z.] vooraf uitgebreid in kennis te stellen van ‘de feiten’ bijzonder zorgelijk. Hierdoor ontstaat het risico dat een stempel op [Z.] wordt gedrukt en dat het kind een stigma meekrijgt van feiten die ze zich ontwikkelingspsychologisch gezien niet eens hoort te kunnen herinneren. [Z.] krijgt hierdoor niet de kans om –indien er al ooit iets onwenselijks gebeurd is- dit achter zich te laten.

De raad is van mening dat het belang van [Z.] geschaad wordt en dat [Z.], door het negatieve beeld dat haar van haar vader wordt ingeprent, in haar ontwikkeling dermate wordt bedreigd dat hulpverlening geïndiceerd is. Deze hulpverlening, die slechts in het kader van een ondertoezichtstelling kan worden geboden, moet gericht zijn op bijstelling van het beeld dat [Z.] van vader heeft en uiteindelijk op de normalisering van de relatie en de contacten tussen [Z.] en de vader.

Op grond van het bovenstaande heeft de raad de rechtbank verzocht [.] onder toezicht van de stichting te stellen.

4.4. Bij beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank [Z.] voor de duur van één jaar onder toezicht gesteld.

De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat zij met de raad van oordeel is dat de ontwikkeling van [Z.] wordt bedreigd door de wijze waarop het negatieve beeld van de vader door de moeder in stand wordt gehouden. Er zijn geen contra-indicaties aan de zijde van vader voor omgang gebleken; de weerstand van de moeder tegen een omgangsregeling staat aan realisering van contacten, op een wijze waarbij de belangen van [Z.] voldoende zijn gewaarborgd, in de weg. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de vader en [Z.] gerechtigd zijn tot omgang met elkaar, maar dat deze contacten slechts met ondersteuning van een ondertoezichtstelling en stapsgewijs kunnen worden opgebouwd.

Gelet op de problematiek zal de start van de contacten, de begeleiding en de frequentie aanvankelijk nader ingevuld dienen te worden door de gezinsvoogd. Nu de vader hiermee heeft ingestemd en de gezinsvoogd bevoegd is aanwijzingen in dit verband aan de moeder te geven, waaraan zij zich dient te houden, zal de invulling aanvankelijk onder regie van de gezinsvoogd kunnen plaatsvinden, aldus de rechtbank.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en komt hiervan in hoger beroep.

4.5. Ter zitting in hoger beroep is met partijen gesproken over de huidige situatie en de problematiek van [Z.]. De stichting heeft aangegeven dat zij geen zicht heeft op de situatie en de problematiek nu de moeder de stichting geen toestemming verleent om met de GGZ, waar [Z.] onder behandeling is, in contact te treden. Ter zitting heeft de moeder hieraan uitdrukkelijk, door ondertekening van een machtiging, haar toestemming verleend en heeft het hof de behandeling van de zaak aangehouden teneinde de stichting in de gelegenheid te stellen om met de GGZ in contact te treden en de bevindingen schriftelijk aan het hof en partijen kenbaar te maken.

Voorts heeft de moeder op de zitting toegezegd dat zij voortaan de op haar rustende informatieverplichting jegens de vader zal nakomen. Deze informatieplicht houdt in dat de moeder de vader één keer per kwartaal zal informeren over de ontwikkelingen van [Z.] op school, over de ontwikkelingen betreffende de gezondheid van [Z.] en over eventuele andere belangrijke zaken [Z.] betreffend. Voorts zal de moeder twee keer per jaar een goedgelijkende foto van [Z.] aan de vader doen toekomen.

4.6. Bij brief van 15 maart 2006 heeft de stichting het hof geïnformeerd over de huidige situatie van [Z.].

Uit de informatie van de GGZ blijkt onder meer het volgende. In mei 2003 is [Z.] bij de GGZ aangemeld vanwege gedrags- en emotionele problematiek en eet- en slaapproblemen. In juli 2003 is gestart met ouderbegeleiding. Aangezien dit niet voldoende effect bleek te hebben is in oktober 2004 gestart met speltherapie voor [Z.]. Uit het kinderpsychiatrisch onderzoek komt niet duidelijk naar voren of er sprake is van een regulatieprobleem en/of van emotionele componenten. Bij het één op één contact wordt geen motorische onrust waargenomen. In de speltherapie wordt uitgegaan van emotionele problematiek en wordt er met name gewerkt aan de thema’s macht-onmacht, loslaten-loskomen, angst en veiligheid. Doel van de therapie is [Z.] met betrekking tot deze problematiek in algemene zin te versterken. De GGZ geeft te kennen, ondanks de toestemming van zowel [Z.] als de moeder, niet verder te willen uitwijden over de vraag of er een relatie is tussen de ontwikkeling van [Z.] en het vermeend seksueel misbruik van de vader. [Z.] moet zich veilig kunnen voelen en de GGZ kiest hier ter bescherming van [Z.] voor. Om zicht te kunnen houden op de ontwikkeling van [Z.] is afgesproken dat de stichting aanwezig is bij evaluaties. De vader krijgt via de GGZ een ouderbegeleider toegewezen.

In de op schrift gestelde bevindingen van de stichting, gevoegd bij de brief van 15 maart 2006, geeft de stichting aan dat de GGZ heeft aangegeven dat zij zich met name richt op de algemene ontwikkeling van [Z.] en niet specifiek op het herstel tussen haar en haar vader of het vermeende seksueel misbruik. Voorts heeft de GGZ aangegeven dat [Z.] de realiteit onder ogen dient te zien en dat daarbij hoort dat ze ook moet weten wie haar vader is en dat zij een reëel beeld van hem moet kunnen vormen. De stichting heeft als taak het contact tussen [Z.] en haar vader te herstellen en de moeder te ondersteunen om voor [Z.] ruimte te creëren om dit contact op te bouwen. De stichting verwacht dat uit de evaluaties bij de GGZ zal blijken of intensief begeleid contactherstel met de vader op korte termijn het belang van [Z.] schaadt. De stichting is van mening dat de GGZ gedurende het contactherstel een ondersteunende functie moet hebben.

4.7. Bij brief van 28 maart 2006 heeft de vader gereageerd op voornoemde brief van de stichting. De vader geeft onder meer aan dat hij het waardeert dat hij eindelijk ouderbegeleiding krijgt bij de GGZ, zodat hij op de hoogte blijft van de ontwikkelingen van [Z.]. Het eerste gesprek met de GGZ heeft de vader als positief ervaren. Tevens acht de vader het positief dat de stichting voortaan aanwezig zal zijn bij evaluatiegesprekken van de GGZ, zodat op deze wijze meer inzicht kan worden verkregen in de speltherapie die [Z.] krijgt en de mogelijkheden om het contact met vader hier in te passen. De vader handhaaft zijn reeds eerder ingenomen standpunten.

4.8. Uit de brief van 31 maart 2006 van de advocaat van de moeder (gevoegd bij de brief van de procureur van de moeder van 3 april 2006) komt naar voren dat volgens de moeder [Z.] in de contacten met haar moeder en de GGZ duidelijk aangeeft dat de vader seksueel overschrijdend gedrag ten opzichte van haar heeft vertoond.

4.9. Bij brief van 14 juni 2006 heeft de stichting nog het volgende naar voren gebracht. Op 29 maart 2006 heeft er bij de moeder thuis een gesprek plaatsgevonden tussen de gezinsvoogdijwerker, de moeder en haar partner. Tijdens dit gesprek richtte moeder zich, volgens de stichting, geheel op de vader en heeft zij daarbij het belang van haar dochter uit het oog verloren. Op 3 april 2006 zou er een gesprek plaatsvinden tussen de school van [Z.], de vader en de gezinsvoogdijwerker. De gezinsvoogdijwerker had de moeder ingelicht over dit gesprek om het risico uit te sluiten dat [Z.] geconfronteerd zou worden met haar vader. Op het tijdstip dat het gesprek gepland stond was de moeder aanwezig op school. Door deze aanwezigheid kwam het tot een confrontatie tussen haar en de vader. Volgens informatie van school is er over en weer gescholden en daar dit dermate ernstig was, is besloten het gesprek niet door te laten gaan. De moeder heeft naar aanleiding van dit incident aangegeven een klacht in te willen dienen tegen de gezinsvoogdijwerker en geen contact meer met hem te willen.

Op 18 april 2006 was er een nieuwe afspraak gemaakt met de school van [Z.] en de vader. De moeder was hier niet van op de hoogte gesteld om een nieuwe confrontatie te vermijden. Dit gesprek is positief verlopen en er zijn afspraken gemaakt omtrent de informatie-uitwisseling. Na afloop van het gesprek stond de gezinsvoogdijwerker buiten te praten met de vader en zijn partner toen de moeder met [Z.] langzaam voorbij kwam gereden en haar dus confronteerde met haar vader. De stichting is van mening dat de moeder, gezien de recente ontwikkelingen, niet het belang van [Z.] dient en dat ze de beleving die [Z.] over haar vader heeft, in stand houdt. De stichting overweegt een onderzoek te laten uitvoeren voor specialistische diagnostiek om de juiste informatie te krijgen over de situatie rondom [Z.], zodat van daaruit beslissingen kunnen worden genomen voor de toekomst.

4.10 Bij faxbericht van 29 juni 2006 heeft de vader op voornoemde brief van de stichting gereageerd. De vader geeft onder meer aan dat hij zich gaandeweg steeds meer zorgen maakt dat de vrouw in het geheel niet handelt in het belang van [Z.]. De vader kan zich verenigen met het feit dat de stichting een onderzoek wenst te verrichten naar de situatie rondom [Z.] om van daaruit beslissingen te nemen voor de toekomst. De vader begrijpt dat dit wederom een vertraging kan betekenen in het herstel van het contact met [Z.], maar hij begrijpt ook dat dit in het belang van [Z.] is. Voorts wenst de vader nog op te merken dat de moeder tot op heden de opgelegde halfjaarlijkse informatieverplichting slecht nakomt.

4.11. Bij faxbericht van 3 juli 2006 heeft de advocaat van de moeder namens de moeder laten weten dat de moeder het voornemen van de stichting om [Z.] te onderzoeken ondersteunt. De moeder wenst echter wel te worden gekend in het formuleren van het verzoek, de vraagstelling en de opdracht tot nader onderzoek en de keuze van de in te schakelen deskundige.

Uit de bij voornoemde brief gevoegde e-mail van de moeder komt onder meer naar voren dat de moeder van mening is dat de gezinsvoogdijwerker partijdig is. Voorts geeft moeder aan dat zij [Z.] niet met opzet heeft geconfronteerd met haar vader. De moeder geeft aan dat zij boodschappen had gedaan en daarom langs de school van [Z.] reed. De moeder is van mening dat de gezinsvoogdijwerker handelt in het belang van vader en niet in het belang van [Z.].

4.12. Het hof overweegt als volgt en verwijst hierbij naar hetgeen het hof in de beschikking van heden in de zaak onder nummer R200501286 inzake de omgangsregeling tussen de vader en [Z.] heeft overwogen.

De moeder stelt dat het enkele feit dat op vrijwillige basis geen omgangsregeling tot stand zal komen onvoldoende is om een “omgangsondertoezichtstelling” op te leggen. In tegenstelling tot de moeder is het hof van oordeel dat de door de rechtbank opgelegde ondertoezichtstelling geen zogenaamde “omgangsondertoezichtstelling” is als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 13 april 2001 (NJ 2002, 4 en 5). Uit de hiervoor aangehaalde stukken, en dan met name het rapport van de raad, is het hof gebleken dat het in deze niet gaat om een kind dat in haar ontwikkeling wordt bedreigd enkel door het feit dat zij geen contact heeft met haar vader, maar dat de conflicten tussen de ouders, en met name de wijze waarop de moeder het negatieve beeld van de vader bij [Z.] in stand houdt, dusdanige spanningen oproepen bij [Z.] dat [Z.] hierdoor in haar geestelijke ontwikkeling wordt bedreigd. Naar het oordeel van het hof blijkt de ernst van [Z.]’s problematiek onder meer uit het feit dat zij al vanaf 2003 professionele hulp krijgt van het GGZ. Ook neemt het hof gebeurtenissen na de mondelinge behandeling, zoals deze blijken uit de brief van de stichting van 14 juni 2006, hierbij in aanmerking.

Het hof wil terzijde nog opmerken dat de ondertoezichtstelling van [Z.] tot nu een positief effect heeft gehad, in die zin dat de stichting betrokken wordt bij de evaluaties rondom [Z.] bij de GGZ en dat de vader vanuit de GGZ ouderbegeleiding krijgt waardoor hij geïnformeerd wordt over de ontwikkeling van [Z.] en ondersteund kan worden in het contact tussen hem en [Z.].

4.13. Het hof is van oordeel dat gelet op het bovenstaande er sprake is van een situatie als bedoeld in art. 1:254 lid 1 BW. Derhalve zal het hof de bestreden beschikking van de rechtbank bekrachtigen.

4.14. De op het hoger beroep gevallen proceskosten zullen tussen partijen aldus worden gecompenseerd dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Breda van 14 september 2005;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Bijleveld-van der Slikke en Van der Velden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 27 juli 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.