Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ0595

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-07-2006
Datum publicatie
20-10-2006
Zaaknummer
R200600691
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Een beslissing waarbij een voorlopige ondertoezichtstelling wordt uitgesproken staat niet open voor hoger beroep, tenzij er sprake is van een schending van een zo fundamenteel rechtsbeginsel, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak in eerste aanleg niet meer kan worden gesproken.

Het hof is van oordeel dat geen sprake is van een schending als hierboven bedoeld, hoewel de gang van zaken in eerste aanleg op zijn minst vreemd en verwarrend is te noemen.

Mitsdien zijn de moeder en de minderjarige niet ontvankelijk in hun hoger beroep tegen de voorlopige ondertoezichtstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

MV

27 juli 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200600691

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: de moeder,

procureur mr. E.S. Florijn

en

[Y.],

thans verblijvende in het Huis van Bewaring [gevangenisnaam],

appellant,

hierna: [Y.],

procureur: mr. E.S. Florijn

t e g e n

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te ’s-Hertogenbosch,

geïntimeerde,

hierna: de raad.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 16 mei 2006, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 19 juni 2006, hebben de moeder en [Y.] verzocht voornoemde beschikkingen te vernietigen en opnieuw rechtdoende, de door de stichting ingediende verzoeken alsnog af te wijzen.

2.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 juli 2006. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [Y.], bijgestaan door mr. E.S. Florijn;

- mr. H. Werger, namens de raad.

Tevens is als belanghebbende ter zitting verschenen en gehoord:

- De heer Meesters, namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant, hierna: de stichting.

Hoewel behoorlijk opgeroepen zijn de vader van [Y.], de heer [Z.], en de moeder niet ter zitting verschenen.

Het hof heeft het verzoek van [A.], tante van [Y.], om ter zitting aanwezig te mogen zijn en haar mening kenbaar te mogen maken, gehoord het bezwaar van de raad, afgewezen.

Het hof merkt op dat gebleken is dat raadsheer Van Arkel- van Gasselt een voormalig kantoorgenoot is van mr. Florijn. Mr. Florijn heeft desgevraagd aangegeven geen bezwaar te hebben tegen het feit dat mr. Van Arkel- van Gasselt de zaak mede behandelt.

2.3. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder en [Y.] d.d. 5 juli 2006;

- de brief van de stichting d.d. 30 juni 2006;

- de brief met bijlagen van de stichting d.d. 3 juli 2006;

- de brief met bijlagen van de advocaat van de moeder en [Y.] d.d. 5 juli 2006;

- de brief van de tante van [Y.] met het verzoek aanwezig te mogen zijn bij de zitting d.d. 5 juli 2006;

- de brief van de advocaat van de moeder en [Y.] d.d. 11 juli 2006;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 29 mei 2006;

- het proces-verbaal van het onderzoek door de kinderrechter in raadkamer van 21 maart 2006.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Ontvankelijkheid van het zelfstandig hoger beroep van de minderjarige.

Volgens de Nederlandse wetgeving komt in beginsel aan een minderjarige niet het recht toe om zelfstandig het rechtsmiddel van hoger beroep aan te wenden. Dit recht komt in beginsel toe aan de ouder, die het gezag uitoefent. Op grond van het feit dat [Y.] ingevolge de bestreden beschikking uit huis is geplaatst in een gesloten inrichting is sprake van vrijheidsbeneming op grond waarvan hij het recht heeft onverwijld te beschikken over juridische en andere passende bijstand, alsmede het recht de wettigheid van zijn vrijheidsbeneming te betwisten ten overstaan van een rechter of een andere bevoegde, onafhankelijke en onpartijdige autoriteit en op een onverwijlde beslissing ten aanzien van het door hem ingestelde hoger beroep. Dit conform artikel 5 vierde lid van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 37 aanhef en onder d van het Verdrag inzake de rechten van het kind (New York, 1989).

De verdere beoordeling

4.2. Uit het huwelijk van de moeder en de vader is onder andere [Y.] [Z.] [geboortejaar].

4.3. Bij beschikkingen d.d. 16 mei 2006 heeft de kinderrechter een voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken ten aanzien van [Y.] voor de duur van drie maanden en heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing verleend om [Y.] gedurende de duur van de ondertoezichtstelling in een justitiële jeugdinrichting te plaatsen. De beslissing met betrekking tot de (definitieve) ondertoezichtstelling en de beslissing met betrekking tot de uithuisplaatsing in het kader van de (definitieve) ondertoezichtstelling werd aangehouden tot 7 augustus 2006.

4.4. De rechtbank heeft als volgt overwogen.

De kinderrechter is van oordeel dat het dringend en onverwijld noodzakelijk is om [Y.], hangende het onderzoek naar de vraag of een ondertoezichtstelling geboden is, voorlopig onder toezicht te stellen.

Ten tijde van de behandeling in raadkamer d.d. 21 maart 2006 van het verzoek gevangenhouding is de vraag aan de orde geweest of een civiele plaatsing tot de mogelijkheden behoorde. Tijdens die zitting is gebleken dat de raad vasthield aan het eerder uitgebrachte advies om [Y.] onder toezicht te stellen en uit huis te plaatsen, terwijl de jeugdreclassering van oordeel was dat plaatsing van [Y.] op Vreekwijk een goede optie zou zijn. In verband met de lange wachttijden voor Vreekwijk zou de Jeugdreclassering willen starten met WorkWise.

Gelet op het feit dat duidelijkheid over de voortzetting van de begeleiding van [Y.] op dit moment ontbreekt, dat vaststaat dat hij nog steeds geen dagbesteding heeft en gelet op de door de raad in het rapport d.d. 14 maart 2006 uitgesproken zorgen over [Y.], is de voorlopige ondertoezichtstelling dringend en onverwijld noodzakelijk, aldus de kinderrechter.

De kinderrechter is voorts van oordeel dat, nu ten aanzien van [Y.] sprake is van ernstige gedragsproblematiek, plaatsing in een justitiële jeugdinrichting noodzakelijk is. De kinderrechter verwijst in dit verband naar hetgeen uit de rapportage van de raad d.d. 14 maart 2006 en naar de Pro Justitia rapportage van de psycholoog drs. J.M.C. Lensen d.d. 9 januari 2006, waaruit blijkt dat [Y.] in zijn sociale, emotionele en cognitieve ontwikkeling wordt bedreigd, dat er sprake is van een gedragstoornis met het risico dat dit uiteindelijk kan leiden tot een persoonlijkheidsstoornis met anti-sociale en mogelijke narcisistische en/of borderline trekken. Gelet op het bovenstaande is de kinderrechter van oordeel dat plaatsing in een gesloten instelling in het belang van [Y.] is.

4.5. De moeder en [Y.] kunnen zich met voornoemde beslissingen van de kinderrechter niet verenigen en komen hiervan in hoger beroep.

4.6. In het beroepschrift hebben de moeder en [Y.] aangevoerd dat een hoger beroep tegen een beslissing met betrekking tot een voorlopige ondertoezichtstelling in dit geval mogelijk is, omdat een aantal fundamentele beginselen van een goede procesorde zijn geschonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de raadkamer d.d. 21 maart 2006, waarbij de moeder voorafgaand aan de zitting op 20 maart 2006 een verweerschrift heeft ingediend. De kinderrechter heeft het verzoek vervolgens inhoudelijk behandeld, maar heeft geen definitieve beslissing genomen.

Vervolgens kwam er donderdag 20 april 2006 een oproeping voor de zitting van de kinderrechter d.d. 24 april 2006. Het eerder genoemde verweerschrift was bij de griffie niet bekend. Op deze zitting bleek de kinderrechter niet bekend met het feit dat de onderhavige zaak reeds behandeld was. In de visie van de kinderrechter was er sprake van een nieuwe behandeling en was er geen reden om te informeren naar het verloop van de zitting d.d. 21 maart 2006 en hetgeen bij die gelegenheid was overwogen.

De moeder en [Y.] voeren verder aan dat ter zitting d.d. 24 april mondeling de ondertoezichtstelling is uitgesproken en een machtiging tot uithuisplaatsing is verleend. Pas op 16 mei 2006 is een beschikking gegeven, die de indruk wekt dat de belanghebbenden nog niet eerder in de gelegenheid gesteld zouden zijn om hun mening kenbaar te maken, terwijl zij al twee keer eerder bij een zitting aanwezig geweest waren en ook een verweerschrift hebben ingediend. Op 29 mei 2006 zijn de belanghebbenden wederom in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken.

Daarnaast voeren de moeder en [Y.] aan dat er geen grond bestaat voor een voorlopige ondertoezichtstelling en de verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing, omdat deze beide jeugdbeschermingsmaatregelen als een ‘ultimum remedium’ aangemerkt dienen te worden terwijl er in dit geval met andere, minder vergaande, hulpverlening volstaan kan worden en de uithuisplaatsing van [Y.] bovendien geen enkel nut heeft, nu er voorlopig helemaal geen ruimte voor een plaatsing op Vreekwijk is en dat tegen de tijd dat dit anders is, [Y.] meerderjarig zal zijn.

4.7. Ter zitting van het hof heeft de advocaat van [Y.] hier aan toegevoegd dat tijdens de behandeling in raadkamer op 21 maart 2006 door de kinderrechter is gezegd dat alvorens een beslissing te nemen, eerst onderzoek gedaan moest worden naar de mogelijkheden, waarbij het verzoek tot ondertoezichtstelling is besproken.

Voorts is ter zitting gebleken dat de moeder en [Y.] de problemen niet onderkennen en heeft de advocaat benadrukt dat [Y.] nu zeventien jaar is en dat tegen de tijd dat de hulpverlening daadwerkelijk in gang wordt gezet, [Y.] zeer waarschijnlijk meerderjarig zal zijn.

4.8. Ter zitting heeft de raad erkend dat er sprake is geweest van een vreemde gang van zaken in eerste aanleg, wat begrijpelijkerwijs vervelend is geweest voor betrokkenen. De advocaat van [Y.] voert aan dat fundamentele beginselen van goede procesorde zijn geschonden, maar de raad ziet niet welke beginselen dan geschonden zouden zijn.

Voorts voert de raad aan dat uit de rapportage is gebleken van een zeer zorgelijke situatie ten aanzien van [Y.]. De raad is van mening dat men niet zomaar ambulante hulpverlening kan starten en afwachten of dit een positief resultaat oplevert. Met name omdat [Y.] in april 2007 meerderjarig wordt, is het tijd juist nu iets te ondernemen.

4.9. Ter zitting heeft de stichting aangegeven dat ook bij de stichting verwarring is ontstaan door de gang van zaken in eerste aanleg. De stichting voert aan dat zij ernaar streeft [Y.] in september 2006, als het nieuwe schooljaar begint, te plaatsen in Vreekwijk. Het Paljas Plus traject heeft de keus uit twee internaten: Vreekwijk en Lievenshove. De stichting geeft aan dat voor Lievenshove een kortere wachtlijst bestaat, zodat [Y.] daar wellicht eerder in aanmerking komt voor een plaatsing.

4.10. Het hof overweegt als volgt.

Uit art. 807 Rv volgt dat een beslissing, waarbij een voorlopige ondertoezichtstelling wordt uitgesproken, niet open staat voor hoger beroep.

Echter, schending van een zó fundamenteel rechtsbeginsel, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak in eerste aanleg niet meer kan worden gesproken, kan doorbreking van het appèlverbod rechtvaardigen. Vraag is, of daarvan in casu sprake is.

Het hof onderschrijft dat de gang van zaken in eerste aanleg op zijn minst verwarrend en vreemd is te noemen. Niet alleen lijkt uit de beschikkingen van 16 mei 2006 te volgen, dat van een mondelinge behandeling voorafgaand aan de beschikkingen geen sprake is geweest, ook worden de belanghebbenden opgeroepen -onder meer- voor de toen reeds voorbije mondelinge behandeling van 24 april 2006. Van deze mondelinge behandeling is overigens, ondanks herhaalde verzoeken van de raadsman van de moeder en [Y.] én van het hof, niet (tijdig) een proces-verbaal ter beschikking gesteld door de rechtbank.

Wel beschikbaar was het proces-verbaal in raadkamer van 21 maart 2006 betreffende het verhoor van [Y.] op de vordering tot verlenging van de gevangenhouding. Uit dit proces-verbaal blijkt wel dat het verzoek tot (voorlopige) ondertoezichtstelling (van 9 maart 2006, hof) ter sprake is gekomen, maar niet dat dit verzoek daadwerkelijk is behandeld en dat daarover een beslissing is genomen. Dat lijkt het hof ook onwaarschijnlijk, nu het een strafrechtelijke zitting betrof.

Hoewel -zoals gezegd- van de zitting van 24 april 2006 geen proces-verbaal voorhanden is, lijkt niet waarschijnlijk dat toen reeds mondeling uitspraak is gedaan over de voorlopige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. In dat geval immers, zouden de beschikkingen van 16 mei 2006 gedateerd hebben moeten zijn op 24 april 2006. Aannemelijk is, dat de kinderrechter ter zitting -al dan niet met zoveel woorden- heeft laten blijken hoe de beslissing zou gaan luiden, doch niet dat daadwerkelijk mondeling uitspraak is gedaan. De advocaat van de moeder en [Y.] heeft dit ook onderkend ter zitting in hoger beroep. Niet te achterhalen is waarom de belanghebbenden (wederom) zijn opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 29 mei 2006, waarvan een proces-verbaal voorhanden is. Een (nadere) beschikking is na die behandeling niet gevolgd.

Een en ander leidt niet tot de conclusie dat sprake is van een schending als hierboven bedoeld. Zo kan de oproep tegen een reeds voorbije datum als zodanig niet gelden, terwijl het tweemaal horen van belanghebbenden evenmin tot die conclusie kan leiden. Hetgeen overigens door de moeder en [Y.] naar voren is gebracht berust op een misverstand (de gestelde behandeling op 21 maart 2006 en vermeende mondelinge uitspraak op 24 april 2006).

Het voorgaande in overweging nemende komt het hof tot de conclusie dat de moeder en [Y.] niet-ontvankelijk zijn in hun beroep tegen de voorlopige ondertoezichtstelling.

4.11. Uit de stukken, met name de rapporten van de raad d.d. 9 en 14 maart 2006, en uit hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, blijkt dat sprake is van ernstig delictgedrag, schoolverzuim en van het feit dat [Y.] geen daginvulling heeft. [Y.] glijdt in een snel tempo af. De vader van [Y.] is drugsverslaafd en de moeder woont met haar kinderen in een vrijwel kale woning die zij in onderhuur huurt. Het is onduidelijk hoe lang de moeder in deze woning kan verblijven. Tevens kampt het gezin met schulden.

Uit de Pro Justitia-rapportage is daarnaast naar voren gekomen dat bij [Y.] sprake is van een gedragsstoornis met het risico dat die uiteindelijk leidt tot een persoonlijkheidsstoornis met anti-sociale en mogelijk narcistische en/of borderline trekken.

Het voorgaande in overweging genomen is het hof van oordeel dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [Y.] noodzakelijk is hem dag en nacht uit huis te plaatsen in een justitiële jeugdinrichting, te meer nu de stichting ter zitting heeft aangegeven een machtiging uithuisplaatsing nodig te achten om uitvoering te kunnen geven aan de ondertoezichtstelling terwijl daarnaast is gebleken dat er vrijwel zeker binnen afzienbare tijd zicht is op een plaatsing in Vreekwijk of Lievenshove. Ambulante hulpverlening al dan niet in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis acht het hof geen reële mogelijkheid, temeer nu is gebleken dat dergelijke hulpverlening eerder is mislukt.

5. De beslissing

Het hof:

verklaart de moeder en [Y.] niet-ontvankelijk in hun beroep tegen de beschikking van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 16 mei 2006 waarin [Y.] voorlopig onder toezicht is gesteld voor de duur van drie maanden;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 16 mei 2006 waarin een machtiging tot plaatsing van [Y.] in een justitiële jeugdinrichting is verleend voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk- van der Weijden, Bijleveld- van der Slikke en Van Arkel- van Gasselt en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 27 juli 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.