Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ0556

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-10-2006
Datum publicatie
20-10-2006
Zaaknummer
C0401606-BR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In r.o. 9.2 heeft het hof reeds overwogen dat het maken van onderzoekskosten en kosten voor juridische bijstand op zichzelf in dit geval zonder meer redelijk geacht kan worden, en dat in dit bijzondere geval een discrepantie tussen het uiteindelijk toe te wijzen bedrag en de hoogte van deze kosten, op zichzelf nog niet meebrengt dat die kosten niet, of tot een lager bedrag dan realiter gemaakt, toewijsbaar zijn. In zoverre gaat een vergelijking met de uitspraak HR 9 december 1994, NJ 1995, 250, waarop [geïntimeerde] zich heeft beroepen (antwoordakte sub 3) dan ook niet op. Veeleer valt voor het ten laste van [geïntimeerde] brengen van de kosten van [onderzoeker] een argument te ontlenen aan HR 11 juli 2003, NJ 2005, 50, waar is geoordeeld dat redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid op grond van art. 6:98 BW ook voor vergoeding in aanmerking kunnen komen wanneer uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden. De kosten moeten wel als gevolg van de gebeurtenis zijn gemaakt, en aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend.

In het onderhavige geval - waarin een schadebedrag, zij het zeer gering, wèl is komen vast te staan - is het onderzoek noodzakelijk geworden als gevolg van het gedrag van [geïntimeerde] (het buiten de administratie houden van contante betalingen en het met opzet buiten de administratie houden van bedragen door de bonnen daarvan weg te gooien). Los van de hoogte van het bedrag dat daarmee is gemoeid is dergelijk gedrag zodanig ernstig dat zonder meer te billijken valt dat De Maas serieus en professioneel heeft laten onderzoeken of de verdenkingen op waarheid berusten, alvorens een werknemer daarvan te beschuldigen en consequenties te trekken voor het dienstverband.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 96
Burgerlijk Wetboek Boek 6 98
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2006/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. NJ

rolnr. C0401606/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 3 oktober 2006,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap STEMPELFABRIEK DE MAAS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

als vervolg op het tussenarrest van het hof in deze zaak van 18 april 2006.

11. Het verdere verloop van de procedure

[geïntimeerde] heeft een akte genomen. De Maas heeft eveneens een akte genomen en tegelijkertijd een antwoordakte. Daarna heeft [geïntimeerde] nog een antwoordakte genomen.

Tenslotte hebben partijen de stukken wederom overgelegd en uitspraak gevraagd.

12. De verdere beoordeling

12.1. In het tussenarrest van 18 april 2006 heeft het hof de zaak naar de rol verwezen voor uitlating aan de zijde van [geïntimeerde] over de vraag of en op welke wijze hij tegenbewijs wil leveren tegen de door het hof voorshands aangenomen conclusie dat aan [geïntimeerde] terzake van de weggegooide bonnen een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Tevens werd De Maas in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen te verschaffen, voorzien van een gespecificeerde opgave, over de hoogte van de kosten van het onderzoek door [onderzoeker], en een specificatie over te leggen van de rekening van mr. [naam] van 19 maart 2003 en de overige buitengerechtelijke werkzaamheden.

12.2. [geïntimeerde] heeft bij akte naar voren gebracht dat hij niet méér bewijs heeft dan datgene wat in de procedure reeds aan bod is geweest, zodat het geen zin heeft tegenbewijs te leveren. [geïntimeerde] gaat ook nog in op een aantal rechtsoverwegingen in het tussenarrest.

De Maas heeft bij antwoordakte daarop gesteld dat alle door [geïntimeerde] aangevoerde punten in de processtukken uitvoerig aan de orde zijn geweest.

12.3. De Maas heeft bij akte de door haar gevorderde kosten als volgt toegelicht.

Kosten [onderzoeker]:

12.3.1. De Maas (eigenlijk: [naam 2] namens De Maas) heeft van [onderzoeker] in totaal vier nota's ontvangen ten belope van E. 31.200,-- excl. btw (E. 37.128,-- incl. btw). [naam 2] heeft een voorschot van E. 5.000,-- excl. btw (E. 5.900,-- incl. btw) betaald maar het meerdere niet, omdat zij de bedragen te hoog vond, gelet op de aanvankelijke begroting van de kosten op E. 7.500,-- tot E. 10.000,--. Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 augustus 2004 is [naam 2], na bewijsvoering door [onderzoeker], op verzoek van [onderzoeker] veroordeeld tot betaling van E. 9.500,-- excl. btw, met compensatie van de proceskosten. Inclusief btw en wettelijke rente heeft [naam 2] aan [onderzoeker] uiteindelijk nog E. 12.705,-- betaald, zodat het totale door haar aan [onderzoeker] betaalde bedrag E. 18.605,-- beloopt.

Het vonnis van de rechtbank Amsterdam is bekrachtigd door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 11 augustus 2005, met veroordeling van [onderzoeker] in de proceskosten in hoger beroep.

De Maas stelt dat zij daarnaast kosten voor rechtsbijstand in deze procedures tegen [onderzoeker] heeft moeten maken, en wel E. 8.048,06 voor de eerste aanleg en E. 1.418,98 voor het hoger beroep. De totale kosten beliepen mitsdien, aldus De Maas, E. 28.072,04, telkens incl. btw.

Declaratie mr. [naam]:

12.3.2. De Maas heeft de declaratie van mr. [naam] d.d. 19 maart 2003 (gericht aan [naam 2]) in de ontslagkwestie van [geïntimeerde] overgelegd, met een specificatie. De nota vermeldt werkzaamheden van 27 juni 2002 t/m 28 februari 2003. De specificatie telt in totaal 79,5 uur, waarvoor een honorarium in rekening is gebracht van E. 15.105,-- (E. 190,-- per uur) en na toepassing van de ledenkorting E. 10.732,50 (E. 135,-- per uur), alles excl. btw. Daarnaast zijn nog onbelaste verschotten (griffierecht ad E. 193,--), belaste verschotten (E. 161,-- excl. btw) en kantoorkosten (E. 536,65 excl. btw) in rekening gebracht.

De totale nota bedraagt E. 11.623,15 excl. btw (E. 13.794,88 incl. btw).

Buitengerechtelijke werkzaamheden:

De Maas stelt kosten te hebben gemaakt in de periode 28 februari 2003 tot 9 mei 2003 voor inkomende en uitgaande correspondentie, telefoongesprekken, besprekingen, bestudering van stukken, om tot een oplossing buiten de procedure te geraken. Deze kosten, die zij stelt op E. 3.448,73, zijn berekend naar het tarief van het rapport [rapportnaam] en zijn gemaakt ter verkrijging van betaling buiten rechte, aldus De Maas.

12.4. [geïntimeerde] heeft in reactie daarop het volgende naar voren gebracht.

Met verontwaardiging constateert hij dat de kosten van het onderzoek door [onderzoeker] veel lager blijken te zijn dan door De Maas tot dusver gesteld. De kosten van rechtsbijstand in de procedure van De Maas/[naam 2] tegen [onderzoeker] zijn niet aan [geïntimeerde] toerekenbaar. De kosten zijn excessief in verhouding tot de ingestelde vordering, die slechts voor een zeer gering deel toewijsbaar is bevonden. De Maas heeft de nota van [onderzoeker] nog steeds niet gespecificeerd; dat de rechtbank uiteindelijk een bedrag van E. 18.605,-- heeft toegewezen betekent niet dat dat bedrag de dubbele redelijkheidstoets doorstaat. De btw is geen schade aangezien De Maas deze kan verrekenen.

Uit de specificatie van de declaratie van mr. [naam] blijkt volgens [geïntimeerde] niet welke werkzaamheden zijn verricht, noch blijkt van de redelijkheid daarvan of van het causale verband.

De Maas heeft niet uiteengezet waaruit de buitengerechtelijke incassokosten hebben bestaan, terwijl het gevorderde bedrag in een excessieve wanverhouding staat tot het toewijsbaar geachte bedrag van de hoofdsom.

[geïntimeerde] meent dat De Maas als de voor het allergrootste deel in het ongelijk gestelde partij moet worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties.

12.5. Nu [geïntimeerde] heeft laten weten geen tegenbewijs te (kunnen en dus niet te) willen leveren, zal het hof hem daartoe niet toelaten. Dat brengt mee dat de voorlopige conclusie van het hof (r.o. 6.2.9) thans als definitief oordeel moet worden aangemerkt.

12.6. Het hof oordeelt omtrent de drie door De Maas naar voren gebrachte kostenposten als volgt.

Kosten [onderzoeker]:

12.6.1. Nu partijen wat dit betreft geen verschil maken tussen [naam 2] (die de feitelijke opdracht aan [onderzoeker] heeft gegeven en aan wie de nota's van [onderzoeker] zijn gericht) en De Maas zal ook het hof deze beiden in dit opzicht vereenzelvigen.

12.6.2. Het hof stelt voorop het afkeurenswaardig te achten dat De Maas pas bij akte van 6 juni 2006, toen zij door vragen in het tussenarrest daartoe werd gedwongen, openheid van zaken heeft gegeven over de juiste hoogte van de bedragen die zij (strikt genomen: [naam 2]) aan [onderzoeker] verschuldigd was en heeft betaald. [naam 2] was door [onderzoeker] al gedagvaard (15 november 2002) omdat deze diens nota's niet wilde betalen, toen De Maas in de inleidende dagvaarding in de onderhavige procedure (9 mei 2003) het volle bedrag van de door [naam 2] betwiste nota's als schade vorderde. Ten tijde van het nemen van de memorie van grieven in de onderhavige zaak had de rechtbank in de zaak tegen [onderzoeker] reeds uitspraak gedaan; ten tijde van het pleidooi was dat vonnis zelfs al door het hof bekrachtigd, maar hoewel bij het pleidooi door het hof nog vragen zijn gesteld over de nota's van [onderzoeker] heeft De Maas ook toen niet gezegd dat [naam 2] slechts de helft van het gevorderde bedrag aan [onderzoeker] heeft hoeven betalen.

12.6.3. In r.o. 9.2 heeft het hof reeds overwogen dat het maken van onderzoekskosten en kosten voor juridische bijstand op zichzelf in dit geval zonder meer redelijk geacht kan worden, en dat in dit bijzondere geval een discrepantie tussen het uiteindelijk toe te wijzen bedrag en de hoogte van deze kosten, op zichzelf nog niet meebrengt dat die kosten niet, of tot een lager bedrag dan realiter gemaakt, toewijsbaar zijn. In zoverre gaat een vergelijking met de uitspraak HR 9 december 1994, NJ 1995, 250, waarop [geïntimeerde] zich heeft beroepen (antwoordakte sub 3) dan ook niet op. Veeleer valt voor het ten laste van [geïntimeerde] brengen van de kosten van [onderzoeker] een argument te ontlenen aan HR 11 juli 2003, NJ 2005, 50, waar is geoordeeld dat redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid op grond van art. 6:98 BW ook voor vergoeding in aanmerking kunnen komen wanneer uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden. De kosten moeten wel als gevolg van de gebeurtenis zijn gemaakt, en aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend.

In het onderhavige geval - waarin een schadebedrag, zij het zeer gering, wèl is komen vast te staan - is het onderzoek noodzakelijk geworden als gevolg van het gedrag van [geïntimeerde] (het buiten de administratie houden van contante betalingen en het met opzet buiten de administratie houden van bedragen door de bonnen daarvan weg te gooien). Los van de hoogte van het bedrag dat daarmee is gemoeid is dergelijk gedrag zodanig ernstig dat zonder meer te billijken valt dat De Maas serieus en professioneel heeft laten onderzoeken of de verdenkingen op waarheid berusten, alvorens een werknemer daarvan te beschuldigen en consequenties te trekken voor het dienstverband.

Het hof is daarom van oordeel dat het bedrag dat de rechtbank en het hof in de procedure tussen [onderzoeker] en [naam 2] uiteindelijk voor het onderzoek door [onderzoeker] toewijsbaar hebben geacht (E. 5.000 + E. 9.500) aan [geïntimeerde] kan worden toegerekend. De btw blijft daarbij als een door De Maas te verrekenen, en dus niet als schade geleden, post buiten beschouwing.

Verder acht het hof de door De Maas over het aan [onderzoeker] toegewezen bedrag van E. 9.500,-- betaalde wettelijke rente (prod. 7 bij akte van 6 juni 2006) en de door De Maas gevorderde nota's van mr. [naam] van 19 november 2004 en 9 september 2005 in verband met de procedure tegen [onderzoeker] (prod. 9 en 10 bij deze akte) niet toewijsbaar. Deze laatste posten zijn door De Maas voor het eerst opgevoerd in haar akte van 6 juni 2006, maar De Maas heeft haar eis niet vermeerderd en de bedragen komen niet in haar petitum voor. Deze bedragen kunnen niet begrepen worden geacht in het te hoge bedrag dat terzake de nota's van [onderzoeker] is gevorderd. Terzake het onderzoek door [onderzoeker] zal het hof derhalve een bedrag van E. 14.500,-- toewijzen.

Declaratie mr. [naam]:

13. Dit betreft de declaratie van mr. [naam] van 19 maart 2003 (prod. 11 en 12 bij akte van 6 juni 2006) ad E. 13.794,88 (incl. btw). Het hof acht met overlegging van de specificatie waarbij De Maas vrijwel geen toelichting heeft gegeven, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat 79.5 uren rechtsbijstand in rechtstreeks verband staan met het aan [geïntimeerde] verweten onrechtmatig handelen. Uit de, op de declaratie aangegeven periode waarop de rechtsbijstand betrekking heeft leidt het hof wel af dat deze kennelijk mede ziet op het onderzoek door [onderzoeker], de nasleep daarvan, en advisering omtrent de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met [geïntimeerde]. Het hof zal daarvoor een redelijk geacht aantal van 15 uren tegen het kennelijk gehanteerde, en redelijk te achten, uurtarief van E. 135,-- per uur (excl. btw), derhalve E. 2.035,-- toewijzen en de vordering voor het overige afwijzen.

Buitengerechtelijke kosten:

14. De Maas heeft met haar algemene opsomming van werkzaamheden niet aannemelijk gemaakt wat in de door haar genoemde periode van 28 februari 2003 tot 9 mei 2003 precies is gedaan, zodat niet is gebleken dat dit werkzaamheden zou betreffen die de normale voorbereiding van de procedure te boven gaan en voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking zouden moeten komen.

Deze post wordt derhalve afgewezen.

15. De slotsom is, dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat een bedrag van (euro 14.500,-- + euro 2.035,-- + euro 99,19 + euro 306,64 is) E. 16.940,83 toegewezen zal worden, met de wettelijke rente daarover vanaf 9 mei 2003.

Aangezien beide partijen deels in het ongelijk zijn gesteld zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren in die zin, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

16. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan De Maas van een bedrag van euro 16.940,83, met de wettelijke rente daarover vanaf 9 mei 2003 tot de dag der algehele voldoening;

compenseert de proceskosten tussen partijen in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, De Groot-van Dijken, en De Klerk-Leenen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 3 oktober 2006.