Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ0086

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
13-10-2006
Zaaknummer
20-001232-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige aanhouding en de rechtsgevolgen daarvan; Onrechtmatig verkregen bewijs; bewijsuitsluiting;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 20-001232-06

Uitspraak : 11 oktober 2006

VERSTEK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Roermond van 14 maart 2006 in de strafzaak met parketnummer 04-816024-06 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 04 januari 2006 in de gemeente Roermond opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 528,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Vrijspraak

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande het navolgende.

Uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het navolgende gebleken:

Bij een staandehouding in verband met een geconstateerde overtreding hebben de verbaliserende opsporingsambtenaren de persoonsgegevens van verdachte geverifieerd bij de meldkamer van de politie. De verbalisanten kregen vervolgens de melding dat verdachte door de officier van justitie te Maastricht gesignaleerd stond voor - kort gezegd - overtreding van artikel 2 van de Opiumwet, en dat aanhouding buiten heterdaad toegestaan was, waarop verbalisanten verdachte op die grond hebben aangehouden.

Tijdens de op de aanhouding volgende insluiting van de verdachte hebben de verbalisanten in de, aan de verdachte toebehorende, schoudertas een hoeveelheid van 528,50 gram heroïne aangetroffen

Na insluiting bleek dat het voormelde aanhoudingsverzoek reeds vóór de aanhouding van verdachte vervallen was, maar dat was nagelaten de signalering in te trekken.

Het bezit van de hierboven bedoelde heroïne wordt verdachte thans ten laste gelegd.

Omdat vast staat dat het bevel tot aanhouding van verdachte al vóór zijn aanhouding was komen te vervallen, was er naar het oordeel van het hof geen bevoegdheid om op grond van dat bevel tot aanhouding over te gaan. Het feit dat verdachte op het moment van de feitelijke aanhouding door een onvoldoende administratieve verwerking nog wel gesignaleerd stond, doet hieraan niets af, terwijl feiten en/of omstandigheden op basis waarvan de verbalisanten anderszins tot aanhouding konden overgaan niet zijn gesteld en ook overigens niet gebleken.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of en zo ja, welk rechtsgevolg aan de onrechtmatige aanhouding verbonden moet worden.

Ter beantwoording van die vraag acht het hof de volgende omstandigheden van belang:

a. de geschonden norm - geen vrijheidsbeneming zonder rechtsgrond - strekt er toe om het geschonden belang - vrijheidsbeneming - te beschermen ;

b. de ernst van het verzuim is ernstig, omdat tot vrijheidsbeneming is over gegaan, zonder rechtsgrond;

c. de ernst van het verzuim is eveneens ernstig, omdat de mate van verwijtbaarheid van de politie-organisatie groot is: de aanhoudende verbalisanten kregen een onjuiste melding door, omdat het feit dat het bevel tot aanhouding buiten heterdaad niet op tijd administratief verwerkt was, terwijl dat eenvoudig en snel kan. (Het hof hecht eraan op te merken dat de aanhoudende verbalisanten geen verwijt treft, omdat zij op de juistheid van de melding moeten en mochten vertrouwen);

d. het nadeel dat verdachte berokkend wordt door de onrechtmatige aanhouding is groot, omdat al het belastend materiaal jegens hem daaruit is voortgevloeid, zodat hij in hoge mate daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad.

Gezien het bovenstaande acht het hof bewijsuitsluiting de enig passende sanctie.

Omdat naast het in bovenbedoelde zin aangetroffen bewijs bestaande uit, kort gezegd, het aantreffen van heroïne in een tas en de verklaring van verdachte dat die tas van hem is, geen andere bewijsmiddelen zijn aangetroffen zal het hof verdachte vrijspreken van het hem tenlastegelegde feit.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,

mrs. C.H.W.M. Sterk en J.W. de Ruijter,

in tegenwoordigheid van mr. C.P.J. Scheele, griffier,

en op 11 oktober 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.