Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ0076

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
13-10-2006
Zaaknummer
20-001236-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voortgezette handeling van schuldheling (verwerven van een aanhanger) en schuldheling (voorhanden hebben van diezelfde aanhanger); art. 56 Sr jo art. 417bis Sr; uitgebreide overweging m.b.t. de vordering van de benadeelde partij: het hof overweegt onder meer dat van rechtstreekse schade sprake is indien de schade veroorzaakt is door het bewezenverklaarde feit. Het begrip 'feit' dient niet beperkt te worden tot hetgeen bewezenverklaard is, maar omvat ook de uit de bewijsmiddelen blijkende gedragingen van de verdachte die, in dit geval met het strafbaar feit schuldheling, in een zodanig nauw verband staan dat de schade door het bewezenverklaarde feit veroorzaakt is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 314
VR 2008, 9

Uitspraak

Parketnummer: 20-001236-06

Uitspraak : 11 oktober 2006

VERSTEK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Roermond van 17 maart 2006 in de strafzaak met parketnummer 04-850755-05 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Bij vonnis, waarvan beroep, is de vordering van [benadeelde partij] niet

toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep - binnen de grenzen van

haar eerste vordering - opnieuw gevoegd ter zake van de niet toegewezen vordering.

De vordering van de benadeelde partij in hoger beroep strekt derhalve tot betaling van het thans gevorderde bedrag

Bevoegdheid van het gerechtshof

Verdachte wordt primair ten laste gelegd dat hij, zakelijk weergegeven, zich in Duitsland schuldig heeft gemaakt aan diefstal. Subsidiair wordt verdachte onder meer ten laste gelegd dat hij zich in Duitsland en/of België aan heling heeft schuldig gemaakt.

Het hof heeft zich in de eerste plaats ervan vergewist dat de verdachte de Nederlandse nationaliteit bezit. Voorts is het hof er ambtshalve mee bekend dat op de hierboven genoemde feiten, die door de Nederlandse strafwet als misdrijf worden beschouwd, ook in Duitsland respectievelijk België straf is gesteld.

Gelet hierop is ten aanzien van het primair ten laste gelegde en het subsidiair ten laste gelegde voor zover dit in Duitsland en/of België zou zijn begaan de Nederlandse strafwet toepasselijk op verdachte en is het hof bevoegd daarvan kennis te nemen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende:

- verdachte terzake van de primair tenlastegelegde diefstal en in de subsidiaire tenlastelegging opgenomen opzetheling zal vrijspreken;

- verdachte terzake van de in de subsidiaire tenlastelegging opgenomen schuldheling zal veroordelen tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis;

- de teruggave van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zal gelasten ten behoeve van de rechthebbende;

- de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij in of omstreeks de periode van 3 november 2004 tot en met 7 november 2004 te Soest (Duitsland), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een aanhanger, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 3 november 2004 tot en met 24 mei 2005 in de gemeente Weert, in elk geval in Nederland en/of Duitsland en/of België, een aanhangwagen (merk Kumlin: VIN nummer [nummer]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die aanhanger wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Vrijspraak

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 3 november 2004 tot en met 24 mei 2005 in België een aanhangwagen (merk Kumlin: VIN nummer [nummer]) heeft verworven en in de periode van 3 november 2004 tot en met 24 mei 2005 in Nederland en België een aanhangwagen (merk Kumlin: VIN [nummer]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven en voorhanden krijgen van die aanhanger redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen worden in het geval van beroep in cassatie vermeld in de aanvulling als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering, welke aanvulling in dat geval aan het arrest wordt gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 417bis, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf en maatregel

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Op grond daarvan acht het hof oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor het hierna te vermelden aantal uren, passend en geboden.

Voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult, zal het hof bevelen dat aan hem vervangende hechtenis zal worden opgelegd voor de hierna te vermelden duur.

Uit het onderzoek ter terechtzitting, in het bijzonder uit de hierna te bespreken vordering van de benadeelde partij, is gebleken, dat [benadeelde partij], wonende te [adres], [woonplaats] (Duitsland) als gevolg van het bewezen verklaarde feit, schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 32.556,34.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van EUR 32.556,34 te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Beslag

Het op de beslaglijst vermelde goed is onder verdachte in beslag genomen. Naar het oordeel verzetten strafvorderlijke belangen zich op zich niet tegen teruggave, maar, gelet op de bewezenverklaring, wel tegen teruggave aan verdachte.

Ten aanzien van het in beslag genomen goed is uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep niet duidelijk geworden wie thans de rechthebbende is. Uit het procesdossier, in het bijzonder de vordering van de benadeelde partij en de door de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep gegeven toelichting, is naar voren gekomen dat er inmiddels door de verzekering, in verband met de diefstal van dat goed, een vergoeding in de vorm van verzekeringspenningen is uitgekeerd. Het is daarom niet uit te sluiten dat het inbeslaggenomen goed inmiddels toebehoort aan de betreffende verzekeringsmaatschappij. Derhalve is het hof niet in staat de teruggave daarvan aan een met name te noemen rechthebbende te gelasten. Daarom zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

Vordering van de benadeelde partij

[benadeelde partij], wonende te [adres], [woonplaats] (Duitsland) heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend. Deze vordering heeft de benadeelde partij ter terechtzitting in eerste aanleg van EUR 33.130,54 verminderd tot een bedrag van EUR 32.556,34. De benadeelde partij is in deze (verminderde) vordering door de eerste rechter niet-ontvankelijk verklaard.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering opnieuw gevoegd ter zake van geleden schade tot het bedrag van EUR 32.556,34.

De gevorderde schade heeft betrekking op de volgende posten:

a. kosten fabricage nieuwe oplegger Euro 38.280,00;

b. zeil nieuwe oplegger Euro 1.183,20

c. diverse werkzaamheden aan oplegger Euro 5.800,00

Door de verzekering is Euro 12.706,86 uitgekeerd, zijnde 50% van de getaxeerde waarde van de gestolen oplegger.

Het hof zal eerst nagaan of sprake is van schade die rechtstreeks veroorzaakt wordt door het bewezenverklaarde feit.

In deze zaak zal verdachte veroordeeld worden ter zake schuldheling van een oplegger die exclusief gemaakt is voor het vervoer van een kermisattractie. Door middel van de exploitatie van die kermisattractie voorzag de benadeelde partij in zijn levensonderhoud.

Van rechtstreekse schade is sprake indien de schade veroorzaakt is door het bewezenverklaarde feit. Het begrip "feit" dient niet beperkt te worden tot hetgeen bewezenverklaard is, maar omvat ook de uit de bewijsmiddelen blijkende gedragingen van de verdachte die, in dit geval met het strafbaar feit schuldheling, in een zodanig nauw verband staan dat de schade door het bewezenverklaarde feit veroorzaakt is. Deze regel heeft de Hoge Raad neergelegd in het arrest HR 30 maart 2004, JOL 2004, 190.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte verklaard heeft dat hij de oplegger langs de weg in de buurt van Brussel gekocht heeft voor een bedrag van Euro 4.000,00 en dat dat bedrag veel lager lag dan de werkelijke waarde (door de verzekeraar getaxeerd op ruim Euro 25.000,00.) Voorts blijkt daaruit dat verdachte niet zodanige gegevens kan verschaffen als hij op het moment van verkrijging voldoende mocht achten om de verkoper te kunnen terugvinden.

Het hof acht de schuldheling derhalve bewezen mede op de grond dat verdachte geen informatie kan verschaffen op grond waarvan hij de verkoper kon terugvinden. In deze onmogelijkheid ligt naar het oordeel van het hof een directe oorzaak van de schade van de benadeelde partij: zou hij die gegevens wel hebben kunnen verschaffen, dan zou de benadeelde partij mogelijk de dief of diens verkrijger hebben kunnen traceren en die in rechte kunnen betrekken. Het hof ziet deze regel als de verbintenisrechtelijke uitwerking van de gedachte die aan de goederenrechtelijke wegwijsplicht van art. 3:87 BW ten grondslag ligt.

Ten aanzien van de hoogte van de schade oordeelt het hof allereerst dat het de benadeelde partij zo begrepen heeft dat deze de hoogte van de schade naar Nederlands recht beoordeeld wenst te zien. Het hof zal de hoogte van de schade derhalve naar Nederlands recht bepalen.

Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de hoogte van de schade voldoende gemotiveerd gesteld is. Het hof zal het gevorderde bedrag toewijzen, omdat het niet betwist is en het gevorderde bedrag het hof overigens ook niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

Het merkt nog op dat het gevorderde bedrag uitgaat boven de door de verzekeraar getaxeerde waarde van de gestolen oplegger. Gezien de volgende, in onderling verband te beschouwen, omstandigheden van het geval oordeelt het hof dat het gevorderde bedrag toch voor vergoeding in aanmerking komt, ook al is dat bedrag hoger dan de getaxeerde waarde van de gestolen oplegger:

a. de functie van de oplegger voor de benadeelde partij is het vervoeren van de kermisattractie waarmee hij in zijn broodwinning voorziet;

b. de gestelde en niet betwiste onmogelijkheid voor de benadeelde partij een gelijkwaardige zaak aan te schaffen: een dergelijke oplegger wordt speciaal voor het genoemde doel gemaakt en is in de handel niet verkrijgbaar, ook niet tweede hands;

c. de mate waarin de kosten van "herbouw" het bedrag van de getaxeerde waarde overtreffen, is niet zodanig dat die kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 24c, 36f, 56 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het subsidiair bewezen verklaarde oplevert:

De voortgezette handeling van schuldheling (verwerven) en schuldheling (voor handen hebben).

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van

80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij], wonende te [adres] [woonplaats], een bedrag te betalen van EUR 32.556,34 (tweeëndertigduizend vijfhonderd zesenvijftig euro en vierendertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 651 (zeshonderd eenenvijftig) dagen hechtenis.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomen voorwerp, ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven, te weten:

1.00 STK Aanhanger KUMLIN Kl: grijs.

Wijst de vordering van [benadeelde partij] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 32.556,34 (tweeëndertigduizend vijfhonderd zesenvijftig euro en vierendertig cent).

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. A.R.O. Mooy, voorzitter,

mrs. C.H.W.M. Sterk en J.W. de Ruijter,

in tegenwoordigheid van mr. C.P.J. Scheele, griffier,

en op 11 oktober 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.