Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ0009

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-10-2006
Datum publicatie
12-10-2006
Zaaknummer
20-008243-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof verklaart verzoeker in verzoekschrift ex artikel 89 WvSv niet-ontvankelijk. Ook in artikel 89 heeft het begrip "zaak" de betekenis van "al datgene waarop het rechtsgeding betrekking had".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2007, 57

Uitspraak

OV-nummer: 008077-06:

parketnummer: 20-008243-05

uitspraakdatum: 2 oktober 2006

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

raadkamer

BESCHIKKING OP VERZOEK SCHADEVERGOEDING EX ARTIKEL 89 VAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING.

Beschikking op het op 17 mei 2006 ter griffie van dit hof ingediende verzoekschrift, met de daarbij behorende op 22 mei 2006 ingediende schriftelijke aanvulling, van:

[verzoeker],

geboren te [geboorteplaats], op [geboortedatum]1967,

wonende te [woonplaats], [adres],

in deze zaak domicilie kiezende op het kantoor van mr. J.J.M. Goltstein,

aan de [adres] te [woonplaats].

Het verzoek strekt tot toekenning van een vergoeding ten laste van de Staat voor de schade, welke verzoeker stelt te hebben geleden ten gevolge van ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis.

Onderzoek van de zaak

Het verzoek is door de raadkamer van dit hof op 18 september 2006 in het openbaar behandeld.

Het hof heeft kennis genomen van de conclusie van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van de verzoeker naar voren is gebracht.

De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeker in zijn verzoek.

Ontvankelijkheid

1. Het verzoek is tijdig ingediend en uit de gedingstukken, waaronder begrepen de stukken van de strafzaak, volgt dat de verzoeker preventief gedetineerd is geweest van 22 juni 2004 tot 20 december 2005. In zoverre is de verzoeker daarom ontvankelijk in zijn verzoek.

2. Ingevolge het bepaalde in artikel 89, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering geldt voorts als voorwaarde voor ontvankelijkheid van het verzoek dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten.

Met betrekking tot de vraag of aan deze voorwaarde is voldaan overweegt het hof als volgt.

3. Bij arrest van 3 april 2006 heeft het hof de verzoeker vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 03-005483-04 ten laste gelegde (brandstichting) en veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken terzake van het bij inleidende dagvaarding met parketnummer 03-040207-03 onder 1 en 2 ten laste gelegde (het telen van henneplanten en de diefstal van gas).

Van voormelde bij afzonderlijke dagvaarding aangebrachte feiten heeft de rechtbank op de zitting van 7 december 2004 in het belang van het onderzoek de voeging bevolen.

4. In een geval als het onderhavige waarin verschillende feiten gevoegd aan het oordeel van de rechter zijn onderworpen, komt de vraag op wat moet worden verstaan onder het begrip "zaak", voorkomend in de zinsnede "Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten" in artikel 89, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Is er sprake van één zaak of van meer dan één?

5. In zijn arrest van 14 november 1989, NJ 1990, 274, heeft de Hoge Raad een uitleg gegeven van het begrip "zaak" in het Wetboek van Strafvordering en meer in het bijzonder van dat begrip in artikel 591a van voormeld wetboek. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de term "de zaak" in dat artikel de betekenis heeft van "al datgene waarop het rechtsgeding betrekking had" en dat de grenzen daarvan zijn vastgelegd in hetgeen bij inleidende dagvaarding aan de verdachte is ten laste gelegd, zij het dat deze grenzen nadien nader kunnen worden bepaald door wijziging van de tenlastelegging op de voet van de artikelen 313-314a van het Wetboek van Strafvordering en/of voeging onderscheidenlijk splitsing op de voet van artikel 276 van dat wetboek (thans: artikel 285 van dat wetboek; hof).

6. In zijn arrest van 8 mei 2001, NJ 2001, 508 (cassatieberoep in het belang der wet), heeft de Hoge Raad, ondanks een andersluidend standpunt van de advocaat-generaal, geoordeeld dat er geen grond was om de uitleg die in het hiervoor onder 5 vermelde arrest aan de term "zaak" in artikel 591a, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, is gegeven te heroverwegen, dat nog immer gold dat het Wetboek van Strafvordering met de term zaak in het algemeen het oog heeft op een strafvervolging van een persoon ter zake van één of meer strafbare feiten, dat tekst of strekking van afzonderlijke bepalingen kunnen nopen tot een andere uitleg, doch dat dat ten aanzien van artikel 591a, eerste en tweede lid, niet het geval was.

7. Het hof is van oordeel dat hetgeen in het hiervoor onder 6 vermelde arrest is overwogen ten aanzien van het begrip "zaak" in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op dat begrip in artikel 89 van voormeld wetboek.

Taalkundig biedt artikel 89 geen ruimte voor een andere interpretatie. In die bepaling wordt het begrip zaak op dezelfde manier gebruikt als in artikel 591a. Ook de strekking van artikel 89 biedt geen ruimte voor een andere uitleg. Zowel in het geval van artikel 591a als in dat van artikel 89 gaat het om de mogelijkheid van toekenning van een schadevergoeding aan een gewezen verdachte nadat de zaak is geëindigd op een wijze als bedoeld in die respectieve bepalingen. Ook in artikel 89 heeft het begrip "zaak" dus de betekenis van "al datgene waarop het rechtsgeding betrekking had".

8. In het onderhavige geval zijn de grenzen van het rechtsgeding ("de zaak") vastgelegd in hetgeen bij de twee inleidende dagvaardingen aan de verzoeker ten laste is gelegd en nadien nader bepaald door de voeging van de op die dagvaarding voorkomende feiten door de rechtbank. Het hof acht niet aannemelijk dat de voeging door de rechtbank heeft plaatsgevonden om - door de advocaat van de verzoeker gesuggereerde - oneigenlijke motieven zoals de wens om eventuele schadevergoeding na vrijspraak voor de brandstichting te voorkomen.

Tijdens de behandeling van het hoger beroep heeft het hof het verzoek van de raadsman om de zaak te splitsen afgewezen, omdat het hof hetgeen de raadsman daartoe aanvoerde - te weten de mogelijkheid te verkrijgen een schadevergoedingsverzoek ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering in te dienen - een oneigenlijk motief achtte en geen goede grond voor splitsing aanwezig oordeelde.

9. Het hof ziet geen ruimte om, op grond van het feit dat de verzoeker het als onbillijk ervaart dat hij geen schadevergoeding ex artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering kan verzoeken, af te wijken van de vaste rechtspraak van de Hoge Raad omtrent de uitleg van het begrip zaak.

10. De verzoeker heeft zich beroepen op artikel 5 EVRM. Het hof overweegt in dit verband dat artikel 5, vijfde lid, EVRM recht geeft op schadeloosstelling indien de betrokkene het slachtoffer is geweest van een arrestatie of detentie in strijd met de bepalingen van artikel 5. De verzoeker heeft echter niet gesteld en het is ook niet gebleken dat zijn arrestatie of zijn preventieve hechtenis in strijd zijn geweest met artikel 5 EVRM.

11. Het voorgaande brengt mee dat, nu de verzoeker door dit hof is vrijgesproken voor de brandstichting, doch aan hem terzake van het telen van hennepplanten en de diefstal van gas (feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten) een gevangenisstraf is opgelegd, niet kan worden gezegd dat de zaak is geëindigd op een wijze als bedoeld in artikel 89, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.

12. Dit betekent dat de verzoeker niet in zijn verzoek kan worden ontvangen.

B E S L I S S I N G :

Het hof:

Verklaart de verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek.

Aldus beslist door mr. J.A. van Zon, voorzitter, mrs. J.C.A.M. Claassens en M.A. Wabeke, in tegenwoordigheid van mr. A.T.W. Looijmans, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2006, zijnde mr. J.A. van Zon en mr. M.A. Wabeke buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

1

1