Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY9527

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-09-2006
Datum publicatie
05-10-2006
Zaaknummer
C0500675
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[geïntimeerden] voert aan dat het de bedoeling van partijen bij de overeenkomst is geweest te waarborgen dat [appellanten] na de bedrijfsovername van voldoende werk was voorzien (cva pnt 16, mva pnt 23 t/m 25). Nu [appellanten] voldoende werk had (zie de verklaring van [appellant sub 2] in het procesverbaal van comparitie van partijen), kan zij zich, aldus [geïntimeerden], niet op het boetebeding beroepen.

4.6.1. Dit verweer verwerpt het hof. In art. 17 van de overeenkomst valt een beperking als hier door [geïntimeerden] bepleit niet te lezen. Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat partijen (ook [appellanten]) ervan zijn uitgegaan dat [appellanten] alleen dan een beroep op het boetebeding zou (kunnen) doen ingeval er onvoldoende werk voorhanden was en dat, wanneer [appellanten] van voldoende werk was voorzien, geen beroep op de garantie zou worden gedaan.

Nakoming van het boetebeding kan door [appellanten] daarom ook worden gevorderd indien [appellanten] voldoende werk had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. JD

rolnr. C0500675/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 26 september 2006,

gewezen in de zaak van:

1. de vennootschap onder firma [APPELLANTE SUB 1],

gevestigd te [plaats], [gemeente],

2. [APPELLANTE SUB 2], vennoot van de vof,

wonende te [woonplaats], [gemeente],

3. [APPELLANTE SUB 3], vennoot van de vof,

wonende [woonplaats], [gemeente],

appellanten bij exploot van dagvaarding van 28 januari 2005,

procureur: mr. A.T.L. van Zantvoort,

tegen:

1. de vennootschap onder firma [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

gevestigd te [plaats],

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

vennoot van de vof,

wonende te [woonplaats], [gemeente],

3. [GEÏNTIMEERDE SUB 3], echtgenote

van [geïntimeerden], vennoot van de vof,

geïntimeerden bij gemeld exploot,

procureur: mr. C.C.J. Aarts,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond gewezen vonnis van 17 november 2004 tussen appellanten - verder in enkelvoud aan te duiden als [appellanten] - als eisers en geïntimeerden - verder in enkelvoud aan te duiden als [geïntimeerden] - als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 61624/HA ZA 04-447)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 7 juli 2004.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellanten] vijf grieven aangevoerd, haar eis vermeerderd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van de vermeerderde eis.

2.2. [geïntimeerden] heeft een akte houdende vermeerdering van eis genomen.

2.3. Bij beslissing van 1 november 2005 heeft het hof het bezwaar van [appellanten] tegen de eisvermeerdering ongegrond verklaard.

2.4. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerden] de grieven en de eis voorzover deze is vermeerderd, bestreden.

2.5. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

De grieven strekken ten betoge dat de rechtbank de vordering van [appellanten] ten onrechte heeft afgewezen.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. [appellant sub 2] en [appellant sub 3], thans vennoten van [appellanten], waren voor 1 januari 1999 werknemers van [geïntimeerden]. [geïntimeerden] oefende voor 1 januari 1999 een autobedrijf met schadeherstelwerkplaats uit aan [adres 1] te [gemeente] (hoofdvestiging) met een filiaal aan de [adres 2] te [gemeente].

b. Bij overeenkomst, getekend op 2 januari 1999, heeft [geïntimeerden] de activiteiten van haar onderneming in haar hoofdvestiging verkocht en overgedragen aan [appellanten] (prod. 1 inl. dagv.: considerans en art. 3). [appellanten] heeft daartoe het pand waarin de onderneming gevestigd is gehuurd van de heer en mevrouw [geïntimeerden sub 2 en 3]] met uitzondering van het woongedeelte, alwaar de [geïntimeerden sub 2 en 3] woonachtig bleven (art. 14 overeenkomst en prod. 2 inl. dagvaarding). De ondernemingsactiviteit van [appellanten] betreft schadeherstel van auto's ten behoeve van verzekeringsmaatschappijen en particulieren, onderhoud van nieuwe en gebruikte auto's en handel in gebruikte auto's (zie considerans van de overeenkomst). [geïntimeerden] behoudt de onderneming aan de [adres 2] te [plaats].

c. In art. 17 van de overeenkomst is onder het kopje "werkgarantie" bepaald:

"Verkoper garandeert koper dat hij, en zijn eventuele rechtsopvolgers, alle werkzaamheden betreffende schadeherstel, plaat- en spuitwerk uit hoofde van zijn filiaal van het autobedrijf te [plaats] in de periode 1 januari 1999 tot en met 1 mei 2004 in zijn geheel zal aanbieden en laten verrichten door koper."

Ingeval van overtreding van deze garantie is door partijen een boete overeengekomen van F 25.000,- per overtreding. Voorts is overeengekomen:

"Ingeval van overtreding of niet-nakoming van deze garantie is verkoper uit kracht van het enkele feit der overtreding in gebreke, zonder dat sommatie of enige andere formaliteit nodig zal zijn en zonder dat schade behoeft te worden aangetoond.". Voorts:

"Koper is overigens verplicht de in dit artikel genoemde werkzaamheden te verrichten op een in onderling overleg overeen te komen kwalitatief niveau. (....)". Voorts:

"Tevens zal verkoper de te verrichten werkzaamheden terzake door hem verstrekte garantie op vanuit de vestiging in [appellanten], voor de overnamedatum, verkochte nieuwe (Hyundai) en gebruikte auto's door koper laten uitvoeren, indien de klanten dit wensen. (....)"

d. [appellanten] stelt dat [geïntimeerden] in de periode 1 januari 1999 tot en met 1 mei 2004 in een reeks van gevallen heeft nagelaten werkzaamheden als bedoeld in voormelde garantiebepaling aan te bieden aan [appellanten]. De administratie van [geïntimeerden] is door de raadsman, Mr. Kézér, en de [accountant], van [appellanten] onderzocht en daaruit zijn volgens [appellanten] de navolgende overtredingen gebleken

in 1999: 8 overtredingen (prod.5 inl. dagvaarding)

in 2000: 19 overtredingen (prod.5 inl. dagvaarding)

in 2001: 19 overtredingen (prod.6 inl. dagvaarding)

in 2002: 44 overtredingen (prod.6 inl. dagvaarding)

in 2003: 20 overtredingen (prod.6 inl. dagvaarding)

totaal :110

e. [appellanten] vordert terzake (niet 110 maar)101 overtredingen de boete van F 25.000,-

(= E. 11.344,50) = E. 1.145.794,50

buitengerechtelijke incassokosten E. 5.536,-

kosten onderzoek accountant p.m.

totaal E. 1.151.330,50

f. In hoger beroep heeft [appellanten] haar vordering vermeerderd met de overtredingen die zij na onderzoek over het jaar 2004 (tot 1 mei 2004) heeft geconstateerd, te weten in 2004: 9 overtredingen (memorie van grieven blad 7)

[appellanten] heeft haar vordering in hoger beroep met een bedrag van E. 102.100,54 ( 9 maal F 25.000,- = F 225.000,- = E. 102.100,54) vermeerderd.

Het hof zal de pagina's waarop voormelde overtredingen voorkomen verder aanduiden als de overtredingenlijst.

4.2. Bij eindvonnis d.d. 17 november 2004 heeft de rechtbank de vordering van [appellanten] afgewezen.

4.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat ingevolge art.

6:93 BW voor het vorderen van de nakoming van het boetebeding een aanmaning of een andere voorafgaande verklaring nodig is, dat deze aanmaning of verklaring ontbreekt, terwijl nakoming van de hoofdverbintenis niet blijvend onmogelijk was. De rechtbank acht [appellanten] daarom niet gerechtigd nakoming van het boetebeding te vorderen.

4.4. Tegen voormelde oordelen zijn de grieven I, II en V van [appellanten] gericht. De grieven zijn gegrond.

4.4.1. Indien juist zou zijn dat [geïntimeerden] in de door [appellanten] genoemde gevallen in strijd met de in artikel 17 overeengekomen garantie het werk niet heeft aangeboden aan [appellanten], is [geïntimeerden] tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis. Nakoming van de verbintenis is in die gevallen blijvend onmogelijk omdat het aanbieden niet meer alsnog kan plaatsvinden. Immers het aan te bieden herstel, plaat- of spuitwerk is inmiddels verricht door een ander bedrijf, zoals [bedrijf 1], [bedrijf 2] en [bedrijf 3], hetgeen [geïntimeerden] ook erkent (cva punt 20). Reeds op deze grond is voor het vorderen van nakoming van het boetebeding geen aanmaning of een andere voorafgaande verklaring vereist (art. 6: 93 jo 83, aanhef en sub b jo 74 BW).

Bovendien is een ingebrekestelling in casu niet vereist omdat partijen zulks expliciet zijn overeengekomen in art. 17 van de overeenkomst.

4.5. Opnieuw rechtdoende oordeelt het hof als volgt omtrent de vordering van [appellanten].

4.6. [geïntimeerden] voert aan dat het de bedoeling van partijen bij de overeenkomst is geweest te waarborgen dat [appellanten] na de bedrijfsovername van voldoende werk was voorzien (cva pnt 16, mva pnt 23 t/m 25). Nu [appellanten] voldoende werk had (zie de verklaring van [appellant sub 2] in het procesverbaal van comparitie van partijen), kan zij zich, aldus [geïntimeerden], niet op het boetebeding beroepen.

4.6.1. Dit verweer verwerpt het hof. In art. 17 van de overeenkomst valt een beperking als hier door [geïntimeerden] bepleit niet te lezen. Er zijn overigens geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat partijen (ook [appellanten]) ervan zijn uitgegaan dat [appellanten] alleen dan een beroep op het boetebeding zou (kunnen) doen ingeval er onvoldoende werk voorhanden was en dat, wanneer [appellanten] van voldoende werk was voorzien, geen beroep op de garantie zou worden gedaan.

Nakoming van het boetebeding kan door [appellanten] daarom ook worden gevorderd indien [appellanten] voldoende werk had.

4.7. [geïntimeerden] stelt dat de overeengekomen werkgarantie zich niet uitstrekt tot alle schadeherstel, plaat- en spuitwerk, maar beperkt is tot werkopdrachten die [geïntimeerden] zelf in de periode voorafgaande de bedrijfsovername "ook steeds in eigen beheer herstelde". Dat betroffen "de eenvoudige herstellingen aan in het algemeen oudere auto's". Het ging er immers om dat [appellanten] het bedrijf van [geïntimeerden] te [appellanten] going concern overnam (cva pnt 10). Opdrachten tot herstel van nieuwere auto's of erg ingewikkelde schadegevallen vielen daarbuiten (cva pnt 11).

4.7.1. Ook dit verweer verwerpt het hof. Een beperking als hier bepleit door [geïntimeerden] valt in art. 17 van de overeenkomst evenmin te lezen en valt ook niet op andere gronden aan te nemen. [appellanten] heeft van [geïntimeerden] ook auto's van slechts 1 of 2 jaar oud ter reparatie aangeboden gekregen, zoals [appellanten] onweersproken heeft aangegeven in haar akte d.d. 5 oktober 2004 en de daarbij gevoegde productie 1. Bovendien heeft [geïntimeerden] een schriftelijke verklaring van haar werknemer [getuige 1] (verantwoordelijk voor de werkplaatsplanning bij [geïntimeerden] [plaats]) overgelegd (prod. 1 cva) waarin deze mededeelt dat hij in het verleden meerdere malen schades heeft afgehandeld "waarbij de opdracht was ten alle tijden eerst Autobedrijf [appellanten] bellen voor een afspraak." Een aldus geformuleerde opdracht aan werknemer [getuige 1] strookt niet met de stelling dat geen aanbiedingsplicht gold in gevallen waarin het ging om herstel van nieuwere auto's of erg ingewikkelde schadegevallen.

4.8. [geïntimeerden] stelt dat [appellanten] op de hoogte was van de normale praktijk die ook al voorafgaande aan de bedrijfsovername bij [geïntimeerden] werd gevolgd, te weten dat opdrachten tot herstel aan nieuwere auto's of erg ingewikkelde schadegevallen door [geïntimeerden] werden uitbesteed aan derden en dat die praktijk na de bedrijfsovername door [geïntimeerden] is voortgezet (cva punt 12). [geïntimeerden] voegt daaraan toe dat [geïntimeerden] zelf in de periode voor de bedrijfsovername ook geen schadeherstelwerkzaamheden verrichtte aan auto's waarvan de klanten of de verzekeringsmaatschappij wilden dat deze werden hersteld door een autoschadebedrijf dat was aangesloten bij de Stichting Schadeherstel en/of bij Focwa (cva punt 31). [appellanten] was, aldus [geïntimeerden], na de bedrijfsovername ook op de hoogte van binnenkomende opdrachten bij [geïntimeerden], nu zij in hetzelfde pand zat als waarin [geïntimeerden] zijn bedrijf had. Het is dan ook onredelijk volgens [geïntimeerden] dat [appellanten] pas begint te klagen op een moment dat de ruim 5-jarige aanbiedingstermijn nagenoeg is verstreken (cva punt 18).

4.8.1. [appellanten] heeft betwist dat zij ervan op de hoogte was dat [geïntimeerden] na de bedrijfsoverdracht herstelwerk uitbesteedde aan derden zonder dit vooraf aan [appellanten] aan te bieden.

Ter comparitie van 5 oktober 2004 heeft [appellant sub 2] namens [appellanten] verklaard: "Het schadewerk wordt alleen door [appellant sub 2] gedaan. Het door [geïntimeerden] aangeboden schadewerk werd op een gegeven moment langzamerhand minder. Wij hebben hierover 's avonds vaker in onze kantine met [geïntimeerden] ge-sproken. De kantine van ons bedrijf maakt deel uit van het woonhuis van [geïntimeerden]. Vorig jaar hoorden wij van een jongen in het dorp dat [geïntimeerden] schadeauto's aanbood aan andere bedrijven. Daarop hebben wij contact opgenomen met onze advocaat."

4.9. Het hof is van oordeel dat [appellanten] er op grond van art. 17 van de overeenkomst vanuit mocht gaan dat [geïntimeerden] alle werkzaamheden betreffende schadeherstel, plaat- en spuitwerk vanuit haar filiaal te [plaats] zou aanbieden aan [appellanten]. Nu [geïntimeerden] niet concretiseert op welke wijze en wanneer [appellanten] er, op een eerder moment dan [appellanten] zelf stelt, na de bedrijfsovername van op de hoogte was of is geraakt dat [geïntimeerden] (ook) na de bedrijfsovername schadeauto's die zij moest aanbieden aan [appellanten], aanbood (of bleef aanbieden) aan derden zonder deze vooraf aan [geïntimeerden] aan te bieden, passeert het hof de stellingen van [geïntimeerden] op dit punt. Bewijs wordt door [geïntimeerden] ook niet aangeboden.

4.10. [geïntimeerden] stelt dat zij de onder de garantie vallende werkzaamheden te allen tijde aan [appellanten] heeft aangeboden (cva pnt 17, mva pnt 14 en 33), maar dat [appellanten] in voorkomende gevallen die opdrachten niet heeft aangenomen met de mededeling "geen tijd" of "niet op korte termijn". In 2003 is [appellant sub 2] (degene die bij [appellanten] de reparaties feitelijk uitvoert) ook negen maanden ziek geweest volgens [geïntimeerden]. In dat soort gevallen moest [geïntimeerden] voor haar klanten wel naar andere schadeherstelbedrijven uitwijken. [geïntimeerden] wijst op schriftelijke verklaringen van [getuige 1] voornoemd (prod. 1 cva), van klanten (prod. 2 t/m 5 cva) en van [getuige 2] BV (prod. 6 cva). Ter comparitie heeft [geïntimeerden] verklaard dat melding aan [appellanten] plaatsvond door de chefmonteur, de receptonist of door [geïntimeerden] zelf, dat de op de overtredingenlijst vermelde auto's die door [bedrijf 1] zijn hersteld, alle auto's betroffen die niet binnen een termijn van veertien dagen door [appellanten] konden worden hersteld en dat het ook voorkwam dat klanten herstel wensten door een bedrijf dat was aangesloten bij de Stichting Schadegarant en/of Focwa, zodat in die gevallen niet kon worden verwezen naar [appellanten], nu [appellanten] daarbij niet was aangesloten.

4.10.1. Ter comparitie heeft [appellant sub 2] namens [appellanten] verklaard: " In vijf concrete schadegevallen hebben wij een schadegeval moeten weigeren, omdat we het niet acceptabel in onze planning konden inpassen. Als [geïntimeerden] alle schadegevallen had aangeboden hadden we ons bedrijf kunnen uitbreiden ofwel werk kunnen uitbesteden aan derden." en " Wij zijn niet aangesloten bij Focwa noch bij Schadegarant.".

4.11. Het hof is van oordeel dat in de gevallen dat [geïntimeerden] werkopdrachten heeft aangeboden aan [appellanten], doch [appellanten] niet tot herstel daarvan in staat of bereid was binnen de termijn die [geïntimeerden] redelijkerwijs ten behoeve van haar klanten mocht stellen (14 dagen), [geïntimeerden] voldaan heeft aan haar garantieplicht.

4.11.1. Nu [geïntimeerden] met betrekking tot de door [bedrijf 1] herstelde auto's gemotiveerd betwist dat deze door haar niet vooraf ter reparatie zijn aan geboden aan [appellanten], dient [appellanten] met betrekking tot deze auto's te bewijzen dat [geïntimeerden] met het aanbieden van deze auto's in gebreke is gebleven.

4.12. Met betrekking tot de auto's waarvan de klant of de verzekeringsmaatschappij heeft verlangd dat herstel daarvan plaats diende te vinden door een autoschadebedrijf dat aangesloten was bij de Stichting Schadegarant en/of Focwa, dient [geïntimeerden] te bewijzen dat zich deze situatie heeft voorgedaan in de gevallen die voorkomen op de overtredingenlijst van [appellanten].

4.12.1. In zodanig geval kan aan [geïntimeerden] niet worden toegerekend dat hij de werkopdracht niet heeft aangeboden aan [appellanten]. [appellanten] is immers niet bij de Stichting Schadegarant en/of bij Focwa aangesloten.

4.13. [geïntimeerden] stelt dat [appellanten] dient te bewijzen dat [geïntimeerden] haar aanbiedingsplicht niet steeds is nagekomen, nu [geïntimeerden] dat betwist (mva punt 14). Het hof oordeelt hieromtrent als volgt.

4.13.1. Ten aanzien van werkopdrachten die onder de garantie vallen en die [geïntimeerden] heeft laten uitvoeren door [bedrijf 1], heeft het hof reeds overwogen dat [appellanten] haar stelling moet bewijzen dat aanbieding niet heeft plaatsgevonden.

Ten aanzien van de overige werkopdrachten is de betwisting door [geïntimeerden] van de stelling van [appellanten] dat deze niet door [geïntimeerden] aan [appellanten] zijn aangeboden, niet voldoende gemotiveerd. Het verweer dat herstelopdrachten "te allen tijde" aan [appellanten] werden aangeboden is te vaag en algemeen en bovendien niet verenigbaar met de gelijktijdig door [geïntimeerden] geponeerde stelling dat zij met betrekking tot nieuwere auto's en ingewikkelde schadegevallen geen herstelopdrachten aan [appellanten] behoefde aan te bieden omdat dat buiten de garantie viel, hetgeen, zoals hoger overwogen, onjuist is. De schriftelijke verklaring van [getuige 1] (prod. 1 cva) waarin deze zegt dat de opdracht was "ten alle tijden eerst [appellanten] bellen" is ook onvoldoende omdat [getuige 1] niet de enige was die schadegevallen bij [geïntimeerden] afhandelde en uit zijn verklaring niet blijkt dat onder de schadegevallen die [getuige 1] heeft afgehandeld, gevallen voorkomen die op de overtredingenlijst van [appellanten] zijn vermeld. In de overige door [geïntimeerden] overgelegde schriftelijke verklaringen (prod. 2 t/m 6 cva) wordt evenmin een relatie gelegd met de door [appellanten] gestelde overtredingen, zodat ook daaruit niet blijkt of met deze verklaringen een of meer van de door [appellanten] gestelde overtredingen wordt betwist. Voorshands moet daarom als juist worden aanvaard dat [geïntimeerden] het werk waarop deze overige opdrachten betrekking hebben niet vooraf heeft aangeboden aan [appellanten].

4.13.2. [geïntimeerden] wordt in de gelegenheid gesteld tegenbewijs tegen deze aanname te leveren tegelijk met het bewijs in contra-enquête dat [geïntimeerden] kan leveren in het kader van de uitvoering van de bewijsopdracht aan [appellanten] omtrent diens stelling dat geen aanbieding heeft plaatsgevonden van de door [bedrijf 1] uitgevoerde herstelwerkzaamheden.

4.14. [geïntimeerden] heeft nog gesteld dat [appellanten] niet over de vereiste apparatuur beschikt om alle voorkomende werkopdrachten uit te voeren, omdat zij geen deugdelijke afzuiginstallatie en geen voldoende richt- en meetapparatuur heeft, noch een spuitcabine waarin bij temperaturen van 75 tot 80 graden kan worden gespoten (cva pnt 35). [appellanten] kon daardoor, volgens [geïntimeerden], de werkzaamheden niet verrichten op een kwalitatief voldoende niveau (cva punt 36).

4.14.1. Dit verweer kan [geïntimeerden] niet baten. Omtrent het kwalitatieve niveau van werkzaamheden zouden partijen blijkens art. 17, 4de alinea van de overeenkomst onderlinge afspraken maken en bij onenigheid daarover kan een schade-expert worden ingeschakeld. Niet gesteld of gebleken is dat [appellanten] in gebreke was de werkzaamheden op het overeengekomen kwalitatief niveau uit te voeren, laat staan dat zij daarvoor door [geïntimeerden] ingebreke is gesteld. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat op grond hiervan [geïntimeerden] gerechtigd was de nakoming van zijn garantieplicht op te schorten. Overigens is ook niet gesteld of gebleken dat [geïntimeerden] in het verleden op deze grond de nakoming van haar garantieplicht feitelijk heeft opgeschort en dat aan [appellanten] heeft kenbaar gemaakt.

4.15. Het hof zal tevens een comparitie van partijen bepalen ter beproeving van een minnelijke regeling.

4.15.1. Het hof verzoekt [appellanten]

a. een overzichtelijke totaallijst op te stellen van alle niet aan haar aangeboden herstelopdrachten die zij als overtreding kwalificeert met vermelding daarachter van de geschatte data waarop deze werkopdrachten door [geïntimeerden] aan haar zouden moeten zijn aangeboden en van de factuurbedragen die zij op grond van art. 17, 5de alinea, van de overeenkomst terzake in rekening had kunnen brengen indien dit werk haar was aangeboden;

b. voorts op deze lijst aan te geven welke werkopdrachten de door [bedrijf 1] herstelde auto's betreffen, en

c. deze lijst voorafgaande aan het getuigenverhoor en comparitie aan de te benoemen raadsheer-commissaris en de wederpartij toe te sturen.

4.15.2. [geïntimeerden] dient een opstelling te maken van de gevallen, vermeld op de overtredingenlijst van [appellanten], waarin zich een situatie als voormeld in rov. 4.11. en 4.12. heeft voorgedaan en die opstelling voorafgaande aan het getuigenverhoor en comparitie aan de te benoemen raadsheer-commissaris en de wederpartij toe te sturen.

4.16. [geïntimeerden] heeft zich nog beroepen op matiging (mvg punt 39). Voorzover nodig zal het hof daarop te zijner tijd beslissen.

5. De uitspraak

Het hof:

laat [appellanten] toe te bewijzen dat [geïntimeerden] de herstelopdrachten aan schadeauto's die op de overtredingenlijst van [appellanten] zijn vermeld en door [bedrijf 1] zijn uitgevoerd, niet vooraf heeft aangeboden aan [appellanten] (rov. 4.11.1.);

laat [geïntimeerden] toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling van [appellanten] dat [geïntimeerden] in de door [appellanten] op de overtredingenlijst vermelde gevallen het herstelwerk niet (eerst) heeft aangeboden aan [appellanten] (rov. 4.14.2.);

laat [geïntimeerden] voorts toe te bewijzen dat op de overtredingenlijst van [appellanten] werkopdrachten voorkomen met betrekking tot auto's waarvan de klant of de verzekeringsmaatschappij heeft verlangd dat herstel daarvan plaats diende te vinden door een bedrijf dat aangesloten was bij de Stichting Schadegarant en/of Focwa, en welke werkopdrachten dat zijn (rov. 4.12.);

bepaalt, voor het geval partijen of één van hen bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. Bod als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 10 oktober 2006 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n) op maandagen in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

bepaalt dat de procureur van [appellanten] bij zijn opgave op genoemde rolzitting een fotokopie van het procesdossier zal overleggen;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde rolzitting dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

verstaat dat partijen tevoren onderling overleg plegen over het aantal en de persoon van de getuigen dat tegen deze datum zal worden opgeroepen en de volgorde waarin de getuigen zullen worden voorgebracht;

bepaalt dat de procureurs tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zullen opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

bepaalt voorts dat partijen in persoon dan wel deugdelijk vertegenwoordigd door een persoon die tot het treffen van een minnelijke regeling bevoegd is, ter beproeving van een minnelijke regeling zullen verschijnen voor voormelde raadsheer-commissaris op een door deze nader te bepalen datum tegelijk met of na afloop van de getuigenverhoren, zulks ter beproeving van een minnelijke regeling;

verzoekt partijen om uiterlijk een week voorafgaande aan het getuigenverhoor en de comparitie aan de rechter-commissaris en aan de wederpartij toe te sturen de lijst bedoeld in rov. 4.15.1. en de opstelling bedoeld in rov. 4.15.2.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, De Groot-van Dijken en Huijbers-Koopman en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 26 september 2006.