Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY9456

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-10-2006
Datum publicatie
05-10-2006
Zaaknummer
C0401650
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Van belang is nu welke betekenis moet worden toegekend aan de brief van de gemachtigde van [geïntimeerden] van 5 juni 2003. Indien deze brief aangemerkt kan worden als kennisgeving in de zin van artikel 7:23 lid 1 BW, heeft [geïntimeerden] de klachttermijn bij het hier aangenomen aanvangstijdstip van 26 mei 2003 niet laten verlopen. Dat laatste is wel het geval wanneer de brief van 5 juni 2003 niet als zodanig aangemerkt kan worden aangezien de eerstvolgende kennisgeving waarop [geïntimeerden] zich beroept eerst op 2 september 2003, en dus ruim na het verstrijken van genoemde klachttermijn, is verzonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. LD

rolnr. C0401650/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vijfde kamer, van 3 oktober 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te [woonplaats],

appellante,

procureur: voorheen mr. G.R.A.G. Goorts,

thans mr. P.J.A. van de Laar,

t e g e n :

1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

procureur: mr. R.J.H. van den Dungen,

op het bij exploot van dagvaarding van 17 november 2004 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch, sector kanton, locatie Helmond, tussen appellante, [naam], als gedaagde en geïntimeerden, in enkelvoud: [naam], als eisers onder zaaknummer 329385/rolnummer 207/04 gewezen vonnis van 13 oktober 2004.

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis waarvan beroep, dat zich bij de processtukken bevindt.

2. Het geding in hoger beroep

Van dit vonnis is [appellante] tijdig in hoger beroep gekomen.

Bij memorie van grieven heeft [appellante] vier grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van deze memorie nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerden] de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding.

Vervolgens hebben partijen uitspraak verzocht; alleen [geïntimeerden] heeft de stukken overgelegd. Kennisneming van dit dossier wordt overigens ernstig bemoeilijkt door de vele markeringen die erin voorkomen maar er, vanzelfsprekend, niet in thuis horen.

3. De grieven

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 De vaststelling van de feiten in het vonnis waarvan beroep onder 4. is niet bestreden zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat.

4.2 Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende.

a) Op 22 februari 2003 heeft [geïntimeerden] van [appellante] voor een bedrag van E. 2.500,= een paard, genaamd [naam paard], gekocht. Dit bedrag is voldaan. Voorafgaande aan de verkoop heeft [geïntimeerden] het paard bezichtigd. Het stond toen in een wei aan het [adres 1], het woonadres van de vader van [appellante].

b) Eind maart heeft [geïntimeerden] bemerkt dat [paard] onregelmatig liep en schrikachtige bewegingen maakte. Op 5 april 2003 werd bij het paard een baarmoederontsteking geconstateerd, veroorzaakt door een dode foetus.

c) Op 26 mei 2003 kwam [geïntimeerden] in contact met [persoon 1] die meedeelde [paard] in augustus 2002 aan [appellante] verkocht te hebben en daarbij verteld te hebben dat het paard ongeschikt was voor recreatieve doeleinden. Naar aanleiding daarvan heeft diergeneeskundig onderzoek plaatsgevonden, dat heeft geleid tot de diagnose 'ataxie', een afwijking waarvoor geen behandeling mogelijk is en met een ongunstige prognose voor recreatief gebruik van het paard.

d) In verband met deze bevindingen heeft de gemachtigde van [geïntimeerden] op 5 juni 2003 een aangetekende brief naar [appellante] gezonden op het adres [adres 1]. Hierin wordt meegedeeld dat de koopovereenkomst buitengerechtelijk wordt ontbonden. De retourkaart bevat niet de handtekening van [appellante].

e) Op 2 september 2003 en op 5 november 2003 heeft de gemachtigde van [geïntimeerden] (aangetekende) brieven van gelijke strekking gezonden aan [appellante] op het [adres 2], haar woonadres. Op deze brieven is door [appellante] niet gereageerd.

f) In overleg met een diergeneeskundige en met toestemming van de verzekeraar heeft [geïntimeerden] het paard op 17 november 2003 laten afmaken.

4.3 In deze procedure stelt [geïntimeerden] dat na de levering van het paard [paard] is gebleken dat het niet aan de overeenkomst beantwoordde, zodat sprake is van wanprestatie aan de zijde van [appellante]. Als gevolg daarvan hebben zij schade geleden die bestaat uit de aankoopprijs minus het bedrag van E. 1.900,= dat van de verzekeraar is ontvangen, derhalve E. 600,=, en verschillende kosten ten bedrage van in totaal E. 2.350,25. Op grond hiervan vordert [geïntimeerden], kort gezegd, een verklaring voor recht dat de koopovereenkomst is ontbonden en veroordeling van [appellante] tot betaling van in totaal E. 2.950,25 met rente en kosten. [appellante] heeft de vordering van [geïntimeerden] gemotiveerd bestreden en heeft zich daarbij onder meer beroepen op overschrijding door [geïntimeerden] van de klachttermijn als bedoeld in artikel 7:23 BW.

4.4 In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter dit verweer van [appellante] verworpen, ook voor het overige haar verweer goeddeels verworpen en de vorderingen van [geïntimeerden] grotendeels toegewezen.

4.5 Met grief II komt [appellante] op tegen de verwerping van haar beroep op artikel 7:23 BW. Volgens [appellante] kan [geïntimeerden] zich er niet meer op beroepen dat het paard [paard] niet aan de koopovereenkomst beantwoordt, omdat hij de termijn van artikel 7:23 lid 2 BW (bedoeld is kennelijk lid 1) heeft laten verlopen. De kantonrechter heeft het aanvangstijdstip van deze termijn gesteld op 26 mei 2003 toen [geïntimeerden] door [persoon 1] werd geïnformeerd over de toestand van het paard. Volgens [appellante] dient van een eerder tijdstip uitgegaan te worden, maar het hof zal in het hierna volgende veronderstellenderwijze uitgaan van de juistheid van dit aanvangstijdstip.

4.6 De huidige tekst van artikel 7:23 lid 1 BW geeft voor een consumentenkoop een termijn van twee maanden. Deze bepaling is op 1 mei 2003 in werking getreden en geldt ingevolge artikel 196 lid 3 Ow NBW niet in het onderhavige geval aangezien de gestelde wanprestatie van vóór 1 mei 2003 dateert. Echter, ook voordien werd in de rechtspraak een vergelijkbare termijn gehanteerd. Voor een geval als dit acht het hof een klachttermijn van twee maanden redelijk.

4.7 Van belang is nu welke betekenis moet worden toegekend aan de brief van de gemachtigde van [geïntimeerden] van 5 juni 2003. Indien deze brief aangemerkt kan worden als kennisgeving in de zin van artikel 7:23 lid 1 BW, heeft [geïntimeerden] de klachttermijn bij het hier aangenomen aanvangstijdstip van 26 mei 2003 niet laten verlopen. Dat laatste is wel het geval wanneer de brief van 5 juni 2003 niet als zodanig aangemerkt kan worden aangezien de eerstvolgende kennisgeving waarop [geïntimeerden] zich beroept eerst op 2 september 2003, en dus ruim na het verstrijken van genoemde klachttermijn, is verzonden.

4.8 De brief van 5 juni 2003 is gezonden naar het adres dat door [appellante] zelf was opgegeven. Volgens [appellante] betrof dit het adres waar het paard [paard] te bezichtigen was en heeft zij haar juiste adresgegevens aan [geïntimeerden] meegedeeld. [geïntimeerden] heeft bij conclusie van repliek (punt 3) gesteld dat [appellante] hem het [adres 1] als haar woonadres heeft opgegeven. [appellante] heeft daartegenover bij conclusie van dupliek (punt 13) aangegeven dat zij [geïntimeerden] haar adresgegevens heeft meegedeeld en dat hij over haar mobiele telefoonnummer en e-mailadres beschikte. In haar memorie van grieven (blz. 5 onderaan) heeft [appellante] vervolgens herhaald dat de brief van 5 juni 2003 naar een onjuist adres is gezonden en dat zij [geïntimeerden] destijds een juist adres heeft opgegeven. In zijn memorie van antwoord heeft [geïntimeerden] vervolgens volstaan met een verwijzing naar het door hem in eerste aanleg bij dagvaarding en repliek ingenomen standpunt en hij is niet nader ingegaan op hetgeen [appellante] daarna over dit onderwerp naar voren heeft gebracht. Daarmee heeft [geïntimeerden] zijn stellingen op dit punt tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door [appellante] onvoldoende onderbouwd zodat het ervoor gehouden dient te worden dat [appellante] [geïntimeerden] destijds (ook) haar woonadres heeft opgegeven. Door [appellante] is verder gesteld dat zij de brief van 5 juni 2003 destijds niet heeft ontvangen. Dit is door [geïntimeerden] niet bestreden zodat ervan uitgegaan dient te worden dat dit juist is. Hetgeen door [geïntimeerden] verder is gesteld met betrekking tot de onduidelijkheid over het adres van [appellante] betreft steeds handelingen van anderen dan [appellante] met name handelingen die aan haar ouders worden toegeschreven. Wat [appellante] zelf betreft vermeldt de kantonrechter in het vonnis waarvan beroep (r.o. 8) alleen dat [appellante] in een telefoongesprek geweigerd heeft haar woonadres kenbaar te maken. De desbetreffende stelling van [geïntimeerden] is evenwel dat de gemachtigde van [geïntimeerden] op 20 juni 2003 telefonisch contact heeft opgenomen met [appellante] op haar mobiele nummer en dat [appellante] de gemachtigde toen heeft meegedeeld de brief van 5 juni 2003 niet te hebben ontvangen en geen tijd te hebben voor een gesprek, waarop zij de verbinding heeft verbroken. In deze stelling leest het hof geen weigering van [appellante] om haar juiste adresgegevens bekend te maken. Ook in hetgeen [geïntimeerden] overigens naar voren heeft gebracht is een dergelijke stelling niet te ontdekken. Het dient er dan ook voor gehouden te worden dat de brief van 5 juni 2003 naar het verkeerde adres is gezonden, dat deze brief [appellante] niet heeft bereikt en dat een en ander niet aan enig handelen van [appellante] is toe te schrijven zodat de brief van 5 juni 2003 niet als kennisgeving kan worden aangemerkt. Deze omstandigheid komt op grond van vorenstaande overwegingen niet voor risico van [appellante], maar voor risico van [geïntimeerden].

4.9 De consequentie hiervan is dat ook indien 26 mei 2003 als aanvangstijdstip voor de klachttermijn wordt aangehouden, [geïntimeerden] eerst na verloop van die termijn [appellante] in kennis heeft gesteld, zodat het beroep van [appellante] op artikel 7:23 BW opgaat. De overschrijding van die termijn acht het hof zodanig dat zich hier niet de situatie voordoet dat slechts sprake is van een geringe overschrijding die er onder de gegeven omstandigheden toe moet leiden dat deze niet in aanmerking genomen wordt omdat een ander resultaat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

4.10 Voor zover [geïntimeerden] zich beroept op artikel 7:23 lid 3 BW dat bepaalt dat de termijn niet loopt zolang de koper zijn rechten niet kan uitoefenen als gevolg van opzet van de verkoper, gaat dit beroep naar het oordeel van het hof niet op. Door [geïntimeerden] zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat [appellante] hem heeft verhinderd zijn rechten uit te oefenen en dat daartoe aan de zijde van [appellante] sprake is geweest van opzet als bedoeld in deze bepaling.

4.11 De slotsom is dat grief II slaagt en dat alle vorderingen van [geïntimeerden], zowel primair als subsidiair, afgewezen dienen te worden. Dit brengt mee dat de overige grieven en verweren van [appellante] geen bespreking behoeven. Hetgeen [geïntimeerden] overigens aan feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden. Dit betekent dat zijn bewijsaanbod als niet relevant gepasseerd wordt.

4.12 Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. [geïntimeerden] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en, opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerden] af;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding, tot op deze uitspraak aan de zijde van [appellante] begroot op

E. 162,-- aan verschotten en op E. 450,-- aan salaris gemachtigde in eerste aanleg;

en op E. 324,78 aan verschotten en op E. 632,-- aan salaris procureur in hoger beroep deze laatste bedragen op de voet van artikel 243 Rv te voldoen aan de griffier van dit hof;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek en Feddes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 3 oktober 2006.