Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY9449

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-09-2006
Datum publicatie
05-10-2006
Zaaknummer
C0501467
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het verwijt dat [appellante] [geïntimeerde] maakt, en waarvan zij met de gevorderde verklaring voor recht vastgesteld wil zien dat zij dit terecht doet, is dat [geïntimeerde] het vervreemdingsbeding heeft overtreden door a) het melkquotum te vervreemden en b) door vermogensrechten op onroerende goederen aan zijn persoonlijke bedrijfsuitoefening te onttrekken. Die enkele vaststelling leidt evenwel tot niets, ook niet wanneer veronderstellenderwijze wordt uitgegaan van de juistheid van de lezing van [appellante] van het vervreemdingsbeding met betrekking tot de kwalificatie van het melkquotum en de strekking van het beding. Immers, het vervreemdingsbeding verbiedt [geïntimeerde] op zich niet om a) het melkquotum te vervreemden en/of b) vermogensrechten op onroerende goederen aan zijn persoonlijke bedrijfsuitoefening te onttrekken. Het vervreemdingsbeding legt (nog steeds in de lezing van [appellante]) op [geïntimeerde] de verplichting om ingeval die handelingen zich binnen 15 jaar voordoen, met verkopers af te rekenen. Op het bestaan van een dergelijke verplichting en het nalaten om daaraan te voldoen heeft de gevraagde verklaring voor recht evenwel geen betrekking. Kort gezegd: wat wel in de verklaring voor recht staat, leidt niet tot enige aansprakelijkheid van [geïntimeerde] en iets wat als grondslag voor de schadevordering van onderdeel (3) kan dienen, staat er niet in.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. NJ

rolnr. C0501467/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vijfde kamer, van 19 september 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te [woonplaats], [gemeente],

appellante,

procureur: mr. C.M. van der Corput,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats], [gemeente],

geïntimeerde,

procureur: mr. J.E. Benner,

op het bij exploot van dagvaarding van 26 september 2005 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch tussen appellante, [naam], als eiseres en geïntimeerde, [naam], als gedaagde onder zaak/rolnummer 109892/HA ZA 04-987 gewezen tussenvonnis van 30 juni 2004 en eindvonnis van 29 juni 2005.

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen waarvan beroep, die zich bij de processtukken bevinden.

2. Het geding in hoger beroep

Van deze vonnissen is [appellante] tijdig in hoger beroep gekomen.

Bij memorie van grieven heeft [appellante] onder overlegging van acht producties zeven grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van deze memorie nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding, uitvoerbaar bij voorraad.

Vervolgens hebben partijen hun standpunten door hun raadslieden aan de hand van pleitnota's doen bepleiten. [geïntimeerde] heeft bij akte nog twee producties in het geding gebracht.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

3. De grieven

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 Tegen het tussenvonnis van 30 juni 2004 zijn geen grieven gericht, zodat [appellante] in haar beroep tegen dit vonnis niet-ontvankelijk verklaard wordt.

4.2 De vaststelling van de feiten in het vonnis waarvan beroep onder 2. is niet bestreden zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat.

4.3 Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende.

a) [appellante] is weduwe van [vader geïntimeerde], die op 20 januari 1996 is overleden. Het echtpaar heeft zeven kinderen gekregen waaronder geïntimeerde.

b) Bij notariële akte van 14 april 1987 hebben de ouders in het kader van een volledige bedrijfsoverdracht hun boerderij met een perceel weiland en een perceel cultuurgrond en alle aan die onroerende goederen verbonden rechten als melkquotum en refe-rentiehoeveelheden voor een prijs van ƒ 525.000,= verkocht aan geïntimeerde.

c) De koopprijs is daarbij bepaald op de agrarische waarde van het bedrijf en niet op de (aanzienlijk hogere) economische waarde ervan teneinde de voortzetting van het ouderlijk bedrijf door geïntimeerde mogelijk te maken. Hij had daarvoor als enige van de kinderen belangstelling.

d) Om hem daarmee ten opzichte van de andere kinderen niet te bevoordelen is in de akte van 14 april 1987 als artikel 8 een vervreemdingsbeding opgenomen. Dit beding luidt:

"De koper [geïntimeerde] verbindt zich jegens de verkopers [de ouders] en hun rechtverkrijgenden om, wanneer hij binnen vijftien jaar na heden tot gehele of gedeeltelijke vervreemding overgaat van de in het kader van de onderhavige bedrijfsoverdracht door hem verkregen vermogensrechten op onroerende goederen (daaronder begrepen krachtens indeplaatsstelling verworven pachtrechten, zijnde hieronder uitdrukkelijk niet begrepen de erfpercelen en de daarop ge-stichte gebouwen) of deze vermogensrechten op onroerende goederen geheel of gedeeltelijk aan zijn persoonlijke agrarische bedrijfsuitoefening onttrekt, aan de verkopers of hun rechtverkrijgenden (daaronder hijzelf inbegrepen) een bedrag in kontanten te betalen als hierna bepaald.

Het uit te betalen bedrag zal bestaan uit het verschil tussen de prijs die voor die onroerende goederen op het moment van de vervreemding of onttrekking kan worden bedongen, indien deze vrij en onbezwaard zouden zijn verkocht en geleverd ter gelegenheid van liquidatie van het bedrijf, en de prijs die voor die onroerende goederen in aanmerking is te nemen als agrarische waarde op het moment van de vervreemding (..)".

e) In het jaar 2000 is [geïntimeerde] gestopt met het melkveebedrijf en heeft hij zijn melkvee en melkquotum verkocht.

f) Namens [appellante] is bij brief van 19 februari 2004 aanspraak gemaakt op afrekening ingevolge artikel 8 van de akte van 14 april 1987. Bij brief van 26 maart 2004 heeft de raadsman van [geïntimeerde] hier afwijzend op gereageerd.

4.4 [appellante] stelt zich op het standpunt dat [geïntimeerde] met de verkoop van het melkquotum het vervreemdingsbeding van artikel 8 van de akte van 14 april 1987 heeft overtreden. In eerste aanleg vorderde [appellante] in verband daarmee (1) betaling van een bedrag van in totaal E. 932.716,43. Dit betrof enerzijds de waarde in het economisch verkeer van het melkquotum dat volgens [appellante] destijds door [geïntimeerde] om niet was verkregen en anderzijds het verschil tussen de economische waarde van de grond en de agrarische waarde waarvoor [geïntimeerde] deze van zijn ouders had gekocht. Daarnaast vorderde [appellante], kort gezegd, (2) verschaffing van bescheiden inzake de mestrechten, het ammoniakquotum en het suikerbietenquotum, met dwangsom, (3) schadevergoeding op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en (4) betaling van proceskosten. [geïntimeerde] heeft tegen deze vorderingen gemotiveerd verweer gevoerd. De rechtbank heeft de vorderingen bij eindvonnis van 29 juni 2005 afgewezen.

4.5 In hoger beroep heeft [appellante] onderdeel (1) van haar vordering gewijzigd zodat dit als volgt komt te luiden:

Te verklaren voor recht dat geïntimeerde art. 8 van de notariële akte van 14 april 1987 tussen appellante en wijlen haar echtgenoot als verkopers en geïntimeerde als koper heeft overtreden door vervreemding van het melkquotum alsmede voor recht te verklaren dat geïntimeerde art. 8 van de notariële akte van 14 april 1987 tussen appellante en wijlen haar echtgenoot als verkopers en geïntimeerde als koper heeft overtreden door het onttrekken van vermogensrechten op onroerende goederen aan zijn persoonlijke bedrijfsuitoefening.

4.6 Bij het pleidooi heeft [appellante] in haar pleitnota hieraan nog een aanvullende zinsnede toegevoegd, namelijk 'door welke overtreding geïntimeerde wanprestatie heeft gepleegd jegens appellante en jegens haar schadeplichtig is geworden'. Zijdens [geïntimeerde] is tegen deze eiswijziging bezwaar gemaakt. Volgens [appellante] betreft de aanvulling echter alleen een tekstuele aanpassing waardoor de vordering niet gewijzigd wordt.

4.7 In dit standpunt van [appellante] kan het hof zich niet vinden. Door de voorgenomen aanvulling is de vordering van [appellante] niet meer dezelfde als daarvoor, aangezien de gevorderde verklaring voor recht er door is uitgebreid met elementen die daarin niet voorkwamen. Dat betekent dat de voorgenomen aanvulling zonder meer als eiswijziging beschouwd dient te worden. Een dergelijke eiswijziging kan niet mondeling bij pleidooi worden gedaan en evenmin in een pleitnota geschieden. Hiervoor is een schriftelijke akte vereist; een schriftelijke akte heeft [appellante] evenwel niet genomen. Dit brengt mee dat de eiswijziging buiten beschouwing gelaten dient te worden en dat onderdeel (1) van de vordering van [appellante] luidt zoals hiervoor in 4.5 aangehaald.

4.8 Met betrekking tot dat onderdeel van de vordering van [appellante] stelt [geïntimeerde] zich op het standpunt dat [appellante] hierbij geen belang heeft. Hij wijst erop dat de oorspronkelijke vordering tot betaling van een geldsom wegens afrekening voor grond en melkquotum is vervallen en dat in plaats daarvan een verklaring voor recht wordt gevorderd. Bij die verklaring voor recht heeft zij evenwel gezien de intrekking van haar geldvordering geen belang meer. De schadevordering onder (3) heeft, zoals in eerste aanleg ter comparitie uitdrukkelijk is gebleken, uitsluitend betrekking op onderdeel (2) van de vordering en niet tevens op onderdeel (1), aldus [geïntimeerde]. Hij wijst erop dat door [appellante] in haar memorie van grieven ook niet kenbaar is gemaakt dat onderdeel (3) voortaan tevens betrekking heeft op onderdeel (1).

4.9 [appellante] brengt hiertegen in dat de beperking van onderdeel (3) tot onderdeel (2) alleen in eerste aanleg gold omdat toen onderdeel (1) een geldvordering inhield. Nu dat in hoger beroep niet langer het geval is, moet onderdeel (3) niet alleen op onderdeel (2) maar tevens op onderdeel (1) worden betrokken.

4.10 Aan [appellante] kan worden toegegeven dat wanneer de vordering zoals deze in hoger beroep is komen te luiden in haar geheel wordt bezien, er op zich genomen geen reden is om onderdeel (3) niet mede betrekking te doen hebben op onderdeel (1). Wat over de strekking van onderdeel (3) in eerste aanleg naar voren is gebracht, is in dit verband niet maatgevend, aangezien in dat stadium onderdeel (3) logischerwijze alleen betrekking kón hebben op onderdeel (2) en die situatie na de eiswijziging anders is geworden. Nu [appellante] aangeeft dat beide onderdelen in onderlinge samenhang bezien dienen te worden en de formulering van de vordering zoals deze thans luidt daaraan niet in de weg staat, zal het hof van die samenhang uitgaan.

4.11 Dat wil evenwel nog niet zeggen dat onderdeel (1) van de vordering voor toewijzing in aanmerking kan komen. Naar het oordeel van het hof gaat het verweer van [geïntimeerde] dat [appellante] geen belang heeft bij dit onderdeel van de vordering zoals het thans is geformuleerd ook op wanneer wordt uitgegaan van de samenhang tussen beide onderdelen. Het hof overweegt hierover het volgende.

4.12 Het verwijt dat [appellante] [geïntimeerde] maakt, en waarvan zij met de gevorderde verklaring voor recht vastgesteld wil zien dat zij dit terecht doet, is dat [geïntimeerde] het vervreemdingsbeding heeft overtreden door a) het melkquotum te vervreemden en b) door vermogensrechten op onroerende goederen aan zijn persoonlijke bedrijfsuitoefening te onttrekken. Die enkele vaststelling leidt evenwel tot niets, ook niet wanneer veronderstellenderwijze wordt uitgegaan van de juistheid van de lezing van [appellante] van het vervreemdingsbeding met betrekking tot de kwalificatie van het melkquotum en de strekking van het beding. Immers, het vervreemdingsbeding verbiedt [geïntimeerde] op zich niet om a) het melkquotum te vervreemden en/of b) vermogensrechten op onroerende goederen aan zijn persoonlijke bedrijfsuitoefening te onttrekken. Het vervreemdingsbeding legt (nog steeds in de lezing van [appellante]) op [geïntimeerde] de verplichting om ingeval die handelingen zich binnen 15 jaar voordoen, met verkopers af te rekenen. Op het bestaan van een dergelijke verplichting en het nalaten om daaraan te voldoen heeft de gevraagde verklaring voor recht evenwel geen betrekking. Kort gezegd: wat wel in de verklaring voor recht staat, leidt niet tot enige aansprakelijkheid van [geïntimeerde] en iets wat als grondslag voor de schadevordering van onderdeel (3) kan dienen, staat er niet in.

4.13 De consequentie hiervan is dat ook indien zou komen vast te staan dat het vervreemdingsbeding met betrekking tot het melkquotum op grond van de formulering van het beding en/of de bedoeling van partijen de strekking heeft die [appellante] eraan toekent, dit bij de vorderingen zoals deze door [appellante] in hoger beroep zijn ingesteld niet leidt tot enige grondslag voor aansprakelijkheid van [geïntimeerde] voor schade, zodat reeds om deze reden haar vordering op dit punt afgewezen dient te worden. Bij deze stand van zaken behoeven de grieven I, II en III die op de strekking van het beding en/of de bedoeling van partijen daarbij betrekking hebben, geen verdere behandeling. Deze grieven worden verworpen.

4.14 Grief IV betreft onderdeel (2) van de vordering, in samenhang met onderdeel (3). De achtergrond van deze vordering is dat [appellante] zich ervan wil vergewissen of het bietenquotum, het ammoniakquotum en de mestrechten nog aanwezig zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] niet aan haar stelplicht omtrent de vervreemding van deze quota en rechten heeft voldaan. In haar toelichting op deze grief stelt [appellante] zich op het standpunt dat het gezien het feit dat [geïntimeerde] is gestopt met melken en zijn bedrijfsvoering ingrijpend heeft gewijzigd meer dan aannemelijk is dat hij deze quota en rechten heeft vervreemd.

4.15 In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] gemotiveerd betwist dat sprake is van vervreemding van het bietenquotum, het ammoniakquotum en de mestrechten. Met hetgeen [appellante] hier tegenover heeft gesteld heeft zij, ook naar het oordeel van het hof niet aan haar stelplicht voldaan. Dat is in hoger beroep niet anders geworden, aangezien ook hetgeen zij thans naar voren heeft gebracht niet toereikend is om als grondslag voor onderdeel (2) van haar vordering te dienen, zodat onderdeel (3) evenmin aan de orde komt. Grief IV wordt verworpen.

4.16 De grieven V, VI en VII borduren blijkens de daarop gegeven toelichting voort op de grieven I tot en met IV en delen het lot daarvan: zij worden verworpen.

4.17 Door [appellante] zijn overigens geen feiten of omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat haar bewijsaanbod als niet relevant wordt gepasseerd.

4.18 Nu alle grieven worden verworpen, zal het eindvonnis van 29 juni 2005 worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

5. De beslissing

Het hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar beroep tegen het tussenvonnis van 30 juni 2004;

bekrachtigt het eindvonnis van 29 juni 2005;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op E. 291,= aan verschotten en op E. 2.682,= aan salaris procureur;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Meulenbroek, Feddes en Van der Flier en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 19 september 2006.