Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY9436

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-09-2006
Datum publicatie
05-10-2006
Zaaknummer
C0500980
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BB7030, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BB7030
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof zal de vervroegde onteigening van de betreffende percelen uitspreken. Aangezien niet is gebleken dat tussen partijen overeenstemming is bereikt over het te betalen voorschot, zal het hof de voorschotten vaststellen op de aangeboden schadeloosstellingen; het opleggen van een verplichting voor de Gemeente tot het stellen van zekerheid kan dientengevolge achterwege blijven. Het hof zal tevens drie deskundigen benoemen teneinde de schadeloosstellingen te begroten en een raadsheer-commissaris benoemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. JD

rolnrs. C0500980/RO en C0500991/RO

HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 25 juli 2006,

heeft het arrest gewezen in de zaken van:

de GEMEENTE VENRAY,

zetelende te Venray,

appellante,

hierna te noemen: de Gemeente,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven (rolnr. 980/05),

en

de GEMEENTE VENRAY,

zetelende te Venray,

appellante,

hierna te noemen: de Gemeente,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen

de erven van [NAAM],

geïntimeerden,

hierna te noemen: de erven,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven (rolnr. 991/05),

[geïntimeerde] en de erven zullen hierna gezamenlijk ook worden aangeduid als [geïntimeerden].

Het geding in hoger beroep

Bij exploten van 11 juli 2005 is de Gemeente in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 13 april 2005, door de rechtbank te Roermond in beide zaken gewezen tussen partijen. Bij memories van grieven heeft de Gemeente in beide zaken vijf gelijkluidende grieven (één algemene en vier genummerde) tegen de vonnissen aangevoerd, welke door [geïntimeerden] bij zakelijk gelijkluidende memories van antwoord zijn bestreden. Op 25 februari 2006 hebben partijen de zaken voor het hof, zitting houdende te 's-Gravenhage, doen bepleiten, de Gemeente door mr. H. Zeilmaker, advocaat te Nijmegen, en [geïntimeerden] door mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, beide aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaken om het volgende. De Gemeente heeft op 18 juni 2004 ter griffie van de rechtbank te Roermond de onteigeningsstukken gedeponeerd als bedoeld in artikel 89 van de Onteigeningwet (verder: Ow) van [geïntimeerde] en de erven te onteigenen percelen. Op 18 oktober 2004, onderscheidenlijk 15 oktober 2004 heeft de Gemeente [geïntimeerde] en de voor de erven optredende derde mr C.H. Noordhuis gedagvaard. Op 18 en 21 oktober 2004 heeft de Gemeente deze dagvaardingen aan de hypotheekhouders betekend. De Gemeente heeft bij deze dagvaardingen de vervroegde onteigening gevorderd van de betreffende percelen, met bepaling van een voorschot op de schadeloosstelling volgens de wet. Na conclusie van antwoord en pleidooi heeft de rechtbank de Gemeente in beide zaken niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, overwegende dat de Kroon niet in redelijkheid tot goedkeuring van het onteigeningsbesluit heeft kunnen komen op de grond dat [geïntimeerde], onderscheidenlijk de erven de woonbestemming in het betreffende plandeel niet kunnen uitvoeren in de door de Gemeente gewenste vorm, omdat met hun tussenkomst en zijn beroep op zelfrealisering de individuele kopers niet zelf hun architect en aannemer kunnen kiezen.

2. In de algemene grief stelt de Gemeente dat de rechtbank, gelet op haar beperkte taak in deze, gelet op de bezwaren die [geïntimeerden] in de administratieve procedures hebben aangevoerd en op de verwerping daarvan door de raad en door de Kroon, de onteigeningstitels voor rechtmatig had moeten houden. De eerste grief is gericht tegen de overweging dat de Kroon niet heeft geoordeeld over de door [geïntimeerden] opgeworpen vraag of is aangetoond dat aan de door de Gemeente beoogde wijze van planuitvoering (vrij opdrachtgeverschap) in het publieke belang een zodanig dringende behoefte bestaat dat daartoe het middel van onteigening terecht kan worden ingeroepen. De tweede grief valt de overweging van de rechtbank aan dat niet is aangetoond dat vrij opdrachtgeverschap tot een zodanig ander resultaat zou leiden dan de door [geïntimeerden] voorgestane wijze van zelfrealisering en dat aan dat verschil een zodanig dringende behoefte bestaat dat de Gemeente op die grond terecht het middel van onteigening kan aanwenden, en dat de Gemeente niet duidelijk heeft gemaakt dat haar doel uitsluitend op de door haar voorgestane keuze zou kunnen worden gerealiseerd. Met de derde grief kant de Gemeente zich tegen de aanvullende overweging van de rechtbank dat het door de Gemeente voor het ontwerp vastgestelde programma van eisen zodanig stringent is dat de gewenste diversiteit niet anders dan beperkt kan zijn. De vierde grief beoogt het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3. Het hof stelt voorop dat de toetsing door de rechter, voor zover het betreft de afweging van de belangen die zijn betrokken bij het Koninklijk Besluit houdende de goedkeuring van een gemeentelijk onteigeningsbesluit, zich dient te beperken tot de vraag of de Kroon in redelijkheid tot die goedkeuring heeft kunnen komen. Daarbij geldt dat de Kroon haar goedkeuring aan het onteigeningsbesluit kan onthouden indien de ingebrachte bedenkingen daartoe aanleiding geven, wegens het niet of onvoldoende gediend zijn van het volkshuisvestingsbelang, het ruimtelijke ontwikkelingsbelang of het publieke belang, of het onvoldoende aanwezig zijn van de noodzaak of de urgentie van de onteigening. Dat geldt ook wanneer de eigenaar zelf een ander plan wil realiseren dan de gemeente voor ogen staat.

4. In het onderhavige geval hebben [geïntimeerden] bij de Kroon bedenkingen aangevoerd. In de eerste plaats hebben zij aangevoerd dat niet of onvoldoende is geprobeerd via minnelijke weg tot overeenstemming te komen. In de tweede plaats hebben zij betoogd dat, nu werd onteigend ten behoeve van particulier opdrachtgeverschap, daarmee geen publek belang werd gediend en er dus geen noodzaak van onteigening was. Ten derde hebben zij naar voren gebracht, dat, gelet op het rijksbeleid, het samengaan van het vergroten van de betrokkenheid van burgers bij de planontwikkeling kan samengaan met consumentgerichte bouw door projectontwikkelaars, dat een aan hen gelieerde projectontwikkelaar heeft aangegeven dat hij deze consumentgerichte bouw wil realiseren en dat de Gemeente geen inzicht heeft gegeven in de door haar te stellen eisen, waardoor strijd optreedt met het 'fair balance'- beginsel uit artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Ten slotte hebben zij een beroep gedaan op zelfrealisering.

5. De Kroon heeft blijkens haar besluit deze bewaren gewogen en terzake beslissingen genomen. Zij heeft geoordeeld dat, gelet op het gevoerde overleg en de onaannemelijkheid van overeenstemming op korte termijn, de Gemeente in beginsel tot onteigening heeft kunnen besluiten. Zij heeft voorts geoordeeld dat onteigening ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan door middel van uitgifte van bouwkavels aan particulieren in het publiek belang kan worden geacht en dat het de Gemeente vrijstaat terzake, vooruitlopend op rijksbeleid, eigen beleid te ontwikkelen. Tevens heeft de Kroon in den brede uiteengezet dat en hoe de Gemeente heeft aangegeven welke eisen zij stelde aan de planuitvoering. Tenslotte heeft de Kroon geoordeeld dat [geïntimeerden] het bestemmingsplan niet kunnen uitvoeren in de door de Gemeente gewenste vorm (vrij opdrachtgeverschap), nu met hun tussenkomst de individuele kopers niet zelf hun architect en aannemer kunnen kiezen. Het zelfstandig voeren van de grondexploitatie door [geïntimeerden] kan naar het oordeel van de Kroon niet worden beschouwd als het zelf verwezenlijken van een deel van het bestemmingsplan en moet naar het oordeel van de Kroon ook uit een oogpunt van doelmatigheid ongewenst worden geacht.

6. Naar het oordeel van het hof heeft de Kroon hiermee op de door [geïntimeerden] ingebrachte bedenkingen gemotiveerd beslist. Feiten of omstandigheden die tot de conclusie zouden moeten leiden dat de Kroon bij de afweging van de betrokken belangen redelijkerwijs niet tot deze beslissing had kunnen komen, zijn niet gebleken. In het licht van artikel 79 Ow is de Kroon niet gehouden uitdrukkelijke beslissingen te nemen ter zake van die toetsingsmaatstaven waarop de ingediende bedenkingen geen betrekking hebben. Daarbij merkt het hof nog op, dat de bedenking ter zake van het ontbreken van publiek belang bij onteigening ten behoeve van particuliere bouw principieel gesteld was en dat feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de concrete onteigening daarbij niet naar voren zijn gebracht. Derhalve kon de Kroon bij de beoordeling daarvan volstaan met een weerlegging van dit principiële betoog. Uit de beslissing van de Kroon kan dan ook niet worden afgeleid dat aan deze wijze van planuitvoering in het publiek belang geen dringende behoefte zou bestaan. In die beslissing ligt besloten dat dit naar het oordeel van de Kroon wel het geval is.

7. Uit het bovenstaande volgt dat de grieven slagen. Dit leidt ertoe dat het de stellingen van [geïntimeerden] in eerste aanleg, voor zover niet in het bovenstaande reeds weerlegd, opnieuw ter beoordeling voorliggen. Daarbij dienen stellingen met betrekking tot het niet of onvoldoende gediend zijn van het volkshuisvestingsbelang, het ruimtelijke-ontwikkelingsbelang of het publieke belang, dan wel het onvoldoende aanwezig zijn van de noodzaak of de urgentie van de onteigening, die voor het eerst bij de onteigeningsrechter naar voren zijn gebracht, buiten beschouwing te blijven. Bezwaren van deze aard dienen bij de Kroon naar voren te worden gebracht en kunnen niet voor het eerst bij de onteigeningsrechter worden aangevoerd. Derhalve blijft slechts over het betoog van [geïntimeerde] dat per definitie onteigening met het oog op realisatie door particulieren geen wettelijke basis kent en een nodeloze inbreuk op het eigendomsrecht vormt die in strijd komt met artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM.

8. Het hof volgt dit betoog niet. Het stelsel van de Onteigeningswet vereist niet dat de daadwerkelijke realisatie van de doeleinden waarvoor onteigend wordt, door een publiekrechtelijke rechtspersoon plaats vindt. Dat blijkt reeds uit het feit dat de onteigening in bepaalde gevallen (niet in het onderhavige) kan geschieden ten name van privaatrechtelijke (rechts)personen (zie de artikelen 1, tweede streepje, en 78 Ow). Ingeval de onteigening, zoals in casu, ten name van een gemeente plaats vindt, is deze gehouden de deugdelijke uitvoering van het plan te waarborgen. Niet valt in te zien waarom de Gemeente daarbij, zoals zij kan kiezen voor gehele of gedeeltelijke realisatie door een of meer projectontwikkelaars, niet evenzeer zou mogen kiezen voor realisatie door vrije opdrachtgevers. Zolang de onteigening plaatsvindt met het oog op een van de in artikel 79 genoemde belangen, staat daarmee tevens vast dat de onteigening plaatsvindt in het algemeen belang in de zin van artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM. Het enkele feit dat de onteigende gronden ter realisatie worden uitgegeven aan (niet met name bepaalde) vrije opdrachtgevers, maakt dat niet anders.

9. Niet is gesteld of gebleken dat sprake is van later gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de Gemeente die zouden moeten leiden tot het oordeel dat wordt onteigend voor een ander doel dan tijdens de administratieve procedure gepresenteerd, dan wel dat de uitvoering van het plan niet meer is verzekerd.

10. Het boven overwogene leidt tot de slotsom dat de vonnissen van de rechtbank dienen te worden vernietigd en dat de vorderingen van de Gemeente tot onteigening voor toewijzing gereed liggen. Het hof begrijpt de vorderingen in hoger beroep (zoals weergegeven in de dagvaardingen in hoger beroep, de memories van grieven en de pleitnota) aldus, dat gevorderd wordt dat het hof vervroegd de onteigening van de percelen zal uitspreken onder toekenning van een voorschot op de schadeloosstelling en de benoeming van drie deskundigen.

11. Het hof zal de vervroegde onteigening van de betreffende percelen uitspreken. Aangezien niet is gebleken dat tussen partijen overeenstemming is bereikt over het te betalen voorschot, zal het hof de voorschotten vaststellen op de aangeboden schadeloosstellingen; het opleggen van een verplichting voor de Gemeente tot het stellen van zekerheid kan dientengevolge achterwege blijven. Het hof zal tevens drie deskundigen benoemen teneinde de schadeloosstellingen te begroten en een raadsheer-commissaris benoemen.

12. Alle verdere beslissingen zullen worden aangehouden.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt de vonnissen waarvan beroep;

- veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de Gemeente tot op heden begroot op E. 753,20 aan verschotten en op E. 2.682,- aan salaris procureur;

en, opnieuw rechtdoende,

spreekt ten name en ten behoeve van de Gemeente de onteigening uit:

a. ten laste van [geïntimeerde] van

- een gedeelte, groot 43 are en 31 centiare, van het

perceel kadastraal bekend gemeente Venray, sectie [letter],

[nummer 1], in totaal groot 1 hectare, 23 are en 90

centiare;

- een gedeelte, groot 3 are en 73 centiare, van het

perceel kadastraal bekend gemeente Venray, sectie [letter],

[nummer 2], in totaal groot 57 are en 25 centiare;

b. ten laste van de erven van

- een gedeelte, groot 9 are en 3 centiare, van het

perceel kadastraal bekend gemeente Venray, sectie [letter],

[nummer 3], in totaal groot 24 are en 95 centiare;

- het perceel kadastraal bekend gemeente Venray, sectie

[letter], [nummer 4], groot 71 are en 30 centiare;

- een gedeelte, groot 34 are en 78 centiare, van het

perceel kadastraal bekend gemeente Venray, sectie [letter],

[nummer 5], in totaal groot 1 hectare, 13 are en 25

centiare;

- het perceel kadastraal bekend gemeente Venray, sectie

[letter], [nummer 6], groot 1 hectare, 6 are en 40 centi-

are;

een en ander zoals nader aangeduid op de bij de dag

vaardingen behorende grondtekeningen;

- bepaalt voor Derckx het voorschot op de vast te tel-

len schadeloosstelling op E. 120.840,- en voor de

erven op E. 634.152,50;

- benoemt tot deskundigen om de schadeloosstelling te

begroten:

-mr. I.P.A. van Heijst, [adres],

-ir. A.C.M. Schimmel, [adres], en

- ing. Th.A. van Sambeek, [adres];

benoemt mr. A.V. van den Berg, raadsheer-plaatsvervanger in dit hof, tot raadsheer-commissaris om, vergezeld van de griffier, bij de opneming door deskundigen, op een na overleg met partijen en deskundigen te bepalen datum en tijdstip, aanwezig te zijn;

- wijst het Dagblad De Limburger, Editie Noord-Limburg,

aan als nieuwsblad waarin de aankondiging van deze

vervroegde onteigening en van tijd en plaats van de

opneming door de deskundigen van de ligging en de

gesteldheid van de onteigende goederen door de grif-

fier moet geschieden;

- verwijst de zaak naar de rol van 8 augustus 2006 om

partijen de gelegenheid te geven hun verhinderdata in

de eerste vier maanden na laatstgenoemde datum op te

geven;

- verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad;

- houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, S.A. Boele en A.V. van den Berg en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 25 juli 2006.