Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY9259

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-09-2006
Datum publicatie
03-10-2006
Zaaknummer
C04/01397
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellant] stelt zich in dit verband verder op het standpunt dat niet aan hem een bewijsopdracht had moeten worden verstrekt, maar dat [geïntimeerde] had moeten bewijzen dat hij zich niet aan seksueel misbruik schuldig had gemaakt. Het hof kan zich hier niet in vinden. Hetgeen door [appellant] is gesteld en aan producties is overgelegd is door [geïntimeerde] gemotiveerd bestreden. In die situatie is het overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv aan [appellant] om zijn stellingen te bewijzen. Voor een omkering van de bewijslast is in de stellingen en producties van [appellant] geen grond te vinden. Evenmin kan worden gezegd dat [appellant] daarmee zodanig bewijs van zijn stellingen heeft aangedragen dat hij voorshands, behoudens tegenbewijs van de kant van [geïntimeerde], in dat bewijs geslaagd geacht moet worden. Het hof neemt hierbij in aanmerking hetgeen hiervoor over het vonnis in de strafzaak is overwogen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. LD

rolnr. C0401397/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vijfde kamer, van 26 september 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

verder: [appellant],

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

t e g e n :

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

procureur: mr. J.C. Gillesse,

op het bij exploot van dagvaarding van 29 september 2004 ingeleide hoger beroep van het door de rechtbank 's-Hertogenbosch tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde onder zaaknummer 86883/HA ZA 02-1891 gewezen tussenvonnis van 7 januari 2004 en eindvonnis van 30 juni 2004.

1. De eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de vonnissen waarvan beroep, die zich bij de processtukken bevinden.

2. Het geding in hoger beroep

Van deze vonnissen is [appellant] tijdig in hoger beroep gekomen.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van vijf producties vier grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van de appeldagvaarding nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel heeft [geïntimeerde] onder overlegging van één productie de grieven van [appellant] bestreden, in het incidenteel appel twee grieven aangevoerd en geconcludeerd zoals in het petitum van deze memorie nader staat omschreven.

Bij memorie van antwoord in het incidenteel appel heeft [appellant] de grieven van [geïntimeerde] bestreden en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het incidenteel appel, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en uitspraak verzocht.

3. De grieven

In het principaal appel en in het incidenteel appel

Voor de exacte inhoud van de grieven verwijst het hof naar de desbetreffende memories.

4. De beoordeling

In het principaal appel en in het incidenteel appel

4.1 De vaststelling van de feiten in het tussenvonnis van 7 januari 2004 onder 1. is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat.

4.2 Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende.

a) [appellant] heeft op [datum] maart 1993 aangifte gedaan van ontucht jegens hem op 24/25 februari 1993 gepleegd door zijn voormalige muziekdocent [geïntimeerde]. [appellant], geboren op [datum] 1978, was toen 15 jaar oud.

b) [geïntimeerde] is naar aanleiding hiervan strafrechtelijk vervolgd en bij vonnis van 17 december 1997 door de rechtbank 's-Hertogenbosch veroordeeld wegens het plegen van ontucht met [appellant].

c) Het vonnis is door dit hof bij arrest van 29 december 1998 vernietigd. Het openbaar ministerie is door het hof niet-ontvankelijk verklaard terzake van het ten aanzien van [appellant] tenlastegelegde op de grond dat die zaak is geëindigd met een kennisgeving van niet verdere vervolging van 16 september 1993.

4.3 In deze procedure stelt [appellant] dat [geïntimeerde] hem in februari 1993 seksueel heeft misbruikt en daarmee jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld waardoor [appellant] schade heeft geleden. Op grond daarvan vordert [appellant] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van E. 10.000,= wegens immateriële schade en E. 4.808,13 wegens materiële schade, met rente en kosten. [geïntimeerde] heeft de vordering gemotiveerd betwist.

4.4 Bij tussenvonnis van 7 januari 2004 heeft de rechtbank [appellant] toegelaten te bewijzen dat [geïntimeerde] hem seksueel heeft misbruikt. Bij eindvonnis van 30 juni 2004 heeft de rechtbank [appellant] niet in het bewijs geslaagd geoordeeld en diens vordering afgewezen.

4.5 In het principaal appel komt [appellant] met de grieven 1 en 2 op tegen de hem verstrekte bewijsopdracht. Volgens hem was reeds voldoende bewijs geleverd met zijn aangifte van [datum] maart 1993 en het veroordelend vonnis van 17 december 1997. Omdat dit vonnis om een formele reden is vernietigd en [geïntimeerde] niet is vrijgesproken, dient naar analogie van artikel 161 Rv dit vonnis als sterk bewijs aangemerkt te worden.

4.6 Het hof overweegt hierover het volgende. Artikel 161 Rv bepaalt dat een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs van dat feit oplevert. Die situatie doet zich hier niet voor, in zoverre zijn partijen het eens.

4.7 Wanneer sprake is van een dergelijk vonnis dat niet in kracht van gewijsde is gegaan, komt aan dat vonnis vrije bewijskracht toe (HR 20 juni 2003, NJ 2003, 487). Anders dan [appellant] kennelijk meent, doet die situatie zich hier evenmin voor. Het vonnis van de rechtbank van 17 december 1997 is immers bij arrest van 29 december 1998 vernietigd. Dat betekent dat het vonnis niet meer bestaat zodat aan de inhoud ervan geen argumenten ontleend kunnen worden, ook niet in een civiele procedure. De grond voor de vernietiging is hierbij niet relevant, wel het gegeven van de vernietiging. Daardoor is, zoals de rechtbank het noemt, het vonnis als (zelfstandig) bewijsmiddel verloren gegaan. Het is er niet meer en daardoor kan er geen enkele bewijskracht aan worden toegekend.

4.8 [appellant] stelt zich in dit verband verder op het standpunt dat niet aan hem een bewijsopdracht had moeten worden verstrekt, maar dat [geïntimeerde] had moeten bewijzen dat hij zich niet aan seksueel misbruik schuldig had gemaakt. Het hof kan zich hier niet in vinden. Hetgeen door [appellant] is gesteld en aan producties is overgelegd is door [geïntimeerde] gemotiveerd bestreden. In die situatie is het overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv aan [appellant] om zijn stellingen te bewijzen. Voor een omkering van de bewijslast is in de stellingen en producties van [appellant] geen grond te vinden. Evenmin kan worden gezegd dat [appellant] daarmee zodanig bewijs van zijn stellingen heeft aangedragen dat hij voorshands, behoudens tegenbewijs van de kant van [geïntimeerde], in dat bewijs geslaagd geacht moet worden. Het hof neemt hierbij in aanmerking hetgeen hiervoor over het vonnis in de strafzaak is overwogen.

4.9 Een en ander leidt tot de conclusie dat de grieven 1 en 2 in het principaal appel worden verworpen.

4.10 Dat geldt ook voor grief 3 in het principaal appel die zich richt tegen het oordeel van de rechtbank in het eindvonnis van 30 juni 2004 dat [appellant] er niet in is geslaagd het gevraagde bewijs te leveren. Het hof overweegt hierover het volgende.

4.11 [appellant] heeft naast zichzelf zijn moeder, zijn zus en een reclasseringswerker als getuigen doen horen. De verklaring van [appellant] als partijgetuige kan ingevolge artikel 164 Rv geen bewijs in zijn voordeel opleveren tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Hiervan is alleen sprake bij bewijs dat zodanig sterk is en zodanig essentiële punten betreft dat daardoor de partijverklaring voldoende geloofwaardig wordt gemaakt. Dat bewijs is niet in voldoende mate te vinden in de verklaringen van de overige getuigen, met name niet met betrekking tot het gestelde seksueel misbruik zelf, terwijl de bewijsopdracht daarop betrekking heeft. Daar komt bij dat [geïntimeerde] als getuige stellig en gedetailleerd het seksueel misbruik heeft ontkend, terwijl voor zijn getuigenverklaring niet de beperking van artikel 164 Rv geldt. Nader bewijs is door [appellant] in hoger beroep niet aangeboden.

4.12 In zijn toelichting op deze grief stelt [appellant] zich op het standpunt dat hij het bewijs heeft geleverd op grond van zijn aangifte, het veroordelend vonnis in de strafzaak en de afgelegde getuigenverklaringen. Echter, de aangifte is van [appellant] zelf afkomstig, zodat deze slechts in beperkte mate tot het bewijs kan bijdragen. Het gegeven dat de aangifte kort na de gestelde feiten is gedaan, maakt dit op zich niet anders. Verder kan, zoals gezegd, aan het vonnis in de strafzaak kan geen bewijskracht worden toegekend (r.o. 4.7) en bieden de getuigenverklaringen onvoldoende bewijs (r.o. 4.11).

4.13 Ten slotte verwijst [appellant] in zijn toelichting op deze grief naar het door hem als productie 5 overgelegde proces-verbaal van de terechtzitting in de strafzaak. Volgens hem blijkt hier uit dat het veroordelend vonnis in de strafzaak niet alleen is gebaseerd op de aangifte van [appellant] zelf, maar op een groot aantal bewijsmiddelen. Verder volstaat hij met een verwijzing daarnaar.

4.14 [appellant] heeft bedoeld proces-verbaal overgelegd zonder aan te geven aan welke passages in zijn visie het bewijs kan worden ontleend. Bij die stand van zaken heeft het hof zich beperkt tot die onderdelen, welke kennelijk op de zaak [appellant] (en niet de zaak [naam]) betrekking hebben. Daarbij heeft het hof kennis genomen van, voor zover opgenomen, de integrale verklaringen, dus ook die gedeelten welke ten behoeve van het strafvonnis waren weggestreept.

Deels betreft het dan verklaringen van thans partijen en personen die ook in de onderhavige procedure als getuigen zijn gehoord. Kennisname van hun verklaringen, zoals opgenomen in dit proces-verbaal, werpt geen ander licht op de zaak. Aan de verklaringen van anderen ([getuige 1] en [getuige 2]) valt ook onvoldoende bewijs te ontlenen, ook indien deze samenhang met de overige verklaringen worden bezien.

4.15 Resteert in het principaal appel grief 4. Deze grief richt zich tegen de afwijzing van de vordering en heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis zodat ook grief 4 wordt verworpen.

4.16 Nu alle grieven in het principaal appel zijn verworpen zullen de vonnissen waarvan beroep worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het principaal appel.

4.17 In het incidenteel appel heeft [geïntimeerde] zich beroepen op verjaring (grief 1) en rechtsverwerking (grief 2). Gezien het resultaat van het principaal appel heeft [geïntimeerde] geen belang bij het incidenteel appel zodat dit geen behandeling behoeft en een proceskostenveroordeling daarin achterwege kan blijven.

5. De beslissing

Het hof:

In het principaal appel en in het incidenteel appel

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het principaal appel, tot op deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op E. 445,= aan verschotten en op E. 894,= aan salaris procureur;

verstaat dat het incidenteel appel geen behandeling behoeft.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek en Feddes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 26 september 2006.