Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY9106

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-09-2006
Datum publicatie
02-10-2006
Zaaknummer
C02/00203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gezamenlijk handelen van de bij [onderneming] betrokken personen, waaronder [appellant], levert een onrechtmatige daad op jegens de geïntimeerden, niet alleen omdat zij - onder valse namen - activiteiten ontplooiden op het gebied van de kredietbemiddeling zonder vergunning (art. 6 Wet toezicht kredietwezen 1992), welke regeling in elk geval mede beoogt de belangen van (toekomstige) crediteuren van een instelling te beschermen, maar ook omdat het onrechtmatig is eraan mee te werken dat via advertenties gelokte personen aanzienlijke bedragen aan "Versicherungskosten" betalen terwijl daar niets tegenover staat. Als [appellant] niet zonder meer heeft voorzien dat de toegezegde kredieten nooit zouden worden uitbetaald, dan had hij dat moeten voorzien, nu is komen vast te staan dat de bankinstellingen waarmee in de contracten werd geschermd, niet bestonden, zodat volstrekt onduidelijk is waar de toegezegde gigantische kredieten vandaan hadden moeten komen. De in r.o. 13.2.7 sub d genoemde werkinstructie aan de bemiddelaars, ondertekend door o.m. [appellant] ([valse naam]) moet dan ook worden aangemerkt als leugenachtig en onrechtmatig jegens geïntimeerden nu hierin wordt uiteengezet hoe de bemiddelaars kredietzoekers als geïntimeerden op het verkeerde been moesten zetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. LD

rolnr. C0200203/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 5 september 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant bij exploten van dagvaarding van 26 februari 2002,

procureur: mr. N.J.W.M. de Leeuw,

tegen:

1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

wonende te [plaats], Duitsland,

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

wonende te [plaats], Zwitserland,

geïntimeerden bij gemelde exploten,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

3. [GEÏNTIMEERDE SUB 3],

wonende te [plaats], Duitsland,

4. [GEÏNTIMEERDE SUB 4],

wonende te [plaats], Duitsland,

5. [GEÏNTIMEERDE SUB 5],

wonende te [plaats], Duitsland,

6. [GEÏNTIMEERDE SUB 6],

wonende te [plaats], Duitsland,

7. [GEÏNTIMEERDE SUB 7],

wonende te [plaats], Duitsland,

8. [GEÏNTIMEERDE SUB 8],

wonende te [plaats], Duitsland,

9. de vennootschap naar Zwitsers recht DENILA S.A.,

gevestigd te Ilanz, Zwitserland,

geïntimeerden bij gemelde exploten,

niet verschenen,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 26 april 2005 in het hoger beroep van het door de rechtbank te Maastricht onder nummer 59670/2000 gewezen vonnis van 29 november 2001.

11. Het tussenarrest van 26 april 2005

Bij laatstgenoemd arrest heeft het hof:

a. de zaak verwezen naar de rolzitting van 24 mei 2005 voor het nemen van een akte aan de zijde van [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] met het in voormeld arrest onder r.o. 4.3 vermelde doel;

b. iedere verdere beslissing aangehouden.

12. Het verdere verloop van de procedure

Op 28 april 2005 hebben geïntimeerden de depots die in de verwante zaak rolnr. C200200030 [appellant in verwante zaak] en [geïntimeerde in verwante zaak] zijn verricht op 7 februari 2003 en 17 februari 2004 tevens verricht in de verwante zaak van [partij verwante zaak] (rolnr. C200200172) en in de onderhavige zaak tegen geïntimeerden. Zij hebben dat in hun akte van 24 mei 2005 nog eens medegedeeld.

Ook [appellant]heeft daarop een akte genomen.

[appellant]resp. [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] hebben vervolgens de gedingstukken overgelegd en andermaal uitspraak gevraagd.

13. De verdere beoordeling

13.1. Aangezien de vorderingen van de geïntimeerden [geïntimeerde sub 7] en [geïntimeerde sub 8] door de rechtbank zijn afgewezen en deze afwijzing niet in hoger beroep aan de orde is, zal het hof het vonnis op dit punt onbesproken laten.

13.2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

13.2.1. [appellant]is per 1 januari 1996 in dienst getreden bij Tranquil Ltd, waar [partij verwante zaak] directeur was. Hij hield zich aanvankelijk bezig met de verkoop van wijnen maar in de loop van 1996 heeft [partij verwante zaak] hem gevraagd of hij ook werkzaamheden wilde verrichten voor [onderneming], waarin [appellant]heeft toegestemd. De taak van [appellant]werd de voorbereiding van bemiddelingsgesprekken en het fungeren als bode tussen Dutch Wing (zie verderop) en [onderneming] (cva blz. 2 en 3). [appellant]heeft zich veelvuldig beziggehouden met het zoeken van potentiële vertegenwoordigers voor [onderneming]. [appellant]trad veelal naar buiten onder de valse naam "[valse naam]". Het was zijn taak mensen die voor [onderneming] kwamen wegwijs te maken, dat wil zeggen tekst en uitleg te geven (p. 240 proces-verbaal van de politie).

[appellant verwante zaak]en [geïntimeerde verwante zaak] hebben onder de naam "Dutch Wing International Advisors" (verder te noemen Dutch Wing) in september 1996 voor de duur van een half jaar, met wederzijds goedvinden te verlengen, een samenwerkingsovereenkomst gesloten met [onderneming].

De samenwerking betrof kredietbemiddelingsactiviteiten, vooral op de Duitssprekende markt.

Door of namens [partij verwante zaak] werden voor [onderneming] advertenties geplaatst in de Duitstalige pers. Eind 1996 ontstonden de eerste contacten met klanten. Deze werden op het kantoor van Tranquil/[onderneming] door [appellant] ontvangen en begroet, en verder in aanwezigheid van [appellant] door [partij verwante zaak] te woord gestaan (blz. 4 cva).

[appellant] verstuurde ook wel brieven namens [onderneming], zo heeft hij de brieven die zijn overgelegd als prod. 2 bij repliek verzonden.

13.2.2. Noch Dutch Wing noch [onderneming] had een kredietbemiddelingsvergunning.

13.2.3. [appellant verwante zaak]en [geïntimeerde verwante zaak] gebruikten in hun contacten naar buiten toe, in plaats van hun eigen naam, veelal de namen (dr.) [naam 1] resp. [naam 2]. [partij verwante zaak] gebruikte naar buiten toe veelal de naam [naam 3]. [partij verwante zaak] had op die laatste naam ook een vals paspoort.

13.2.4. De "[onderneming]" heeft met elk van de geïntimeerden een door [naam 3] ondertekende geldleningsovereenkomst ("Darlehensvertrag") gesloten - [geïntimeerde sub 3] twee stuks -, bestaande uit de navolgende stukken:

- een "Erklaerung zum Kreditvertrag" waarin de leensom, looptijd en het rentepercentage wordt genoemd alsmede het direct aan [onderneming] te betalen bedrag aan "Versicherungskosten", ook genaamd "Versicherungskosten und Deposit gebühr".

Vermeld wordt dat het contract in overeenstemming is met de afspraken die zijn gemaakt met de "Banken, Instituten und Versicherungspartnern" van [onderneming].

Hierin wordt toegezegd dat het geleende bedrag binnen vijf maanden en 30 dagen na ondertekening van het contract wordt uitbetaald, bij gebreke waarvan de verzekeringskosten binnen 14 dagen worden terugbetaald,

- een "Darlehensbeauftragung/Darlehensvertrag" tussen de cliënt en de "South Asian Investment Group" (als Bank/ Institut), voor deze laatste steeds ondertekend door [naam 3], bevattende onder meer algemene voorwaarden betreffende de geldlening,

- een kredietverzekeringsverklaring van "Lloyds Insurances Londen" ter verzekering van de terugbetaling van de lening, tevens bevattende een door [naam 3] ondertekende kwitantie voor de betaalde kosten.

De genoemde banken bestaan niet en met de genoemde verzekeringsinstelling van Lloyds had [onderneming] geen relatie.

13.2.5. Aldus hebben de geïntimeerden de volgende bedragen beogen te lenen en de volgende kosten betaald:

- [geïntimeerde sub 1]: beoogde lening DM 27 mln. tegen 2,11% rente, betaalde kosten op 20 maart 1997 DM 153.900,--;

- [geïntimeerde sub 2]: beoogde lening SFR 2 mln. tegen 2,71% rente, betaalde kosten op 14 maart 1997 SFR 46.800,--;

- [geïntimeerde sub 3]: beoogde lening DM 550.000,-- tegen 3,05% rente, betaalde kosten op 25 februari 1997 DM 15.306,--; voorts beoogde lening DM 2,5 mln. tegen 2,72% rente, betaalde kosten op 20 maart 1997 DM 52.250,--;

- [geïntimeerde sub 4]: beoogde lening DM 400.000,-- tegen een rente van 3,75%, betaalde kosten op 11 april 1997 DM 12.600,--;

- [geïntimeerde sub 5]: beoogde lening DM 700.000,-- tegen 3,25% rente, betaalde kosten op 11 april 1997 DM 21.700,--;

- [geïntimeerde sub 6]: beoogde lening DM 750.000,-- tegen een rente van 2,73%, betaalde kosten op 4 april 1997 DM 18.000,--;

- Denila S.A.: beoogde lening SFR 3.55 mln tegen een rente van 2,27%, betaalde kosten op 14 maart 1997 SFR 64.965,--.

De leningsbedragen zijn in geen enkel geval uitgekeerd en de verzekeringskosten zijn niet terugbetaald.

13.2.6. Naar de activiteiten van [onderneming] is een groot justitieel onderzoek ingesteld onder de naam "[naam]". De geïntimeerden [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 1] hebben de processen-verbaal van de politie, die bijna 1100 pagina's beslaan, in ringmappen genummerd I, II en III ter griffie van het hof gedeponeerd.

Er heeft uiteindelijk geen strafrechtelijke vervolging tegen een van de appellanten plaatsgevonden.

13.2.7. Aan de genoemde processen-verbaal ontleent het hof het navolgende.

a) (p. 10-11) de politie constateert dat alle banken en verzekeringsinstellingen die [onderneming] heeft gebruikt, ofwel verzonnen zijn, ofwel op generlei wijze zaken deden met appellanten.

b) (p.230, 240-243) [appellant] verklaart dat hij nooit een kredietovereenkomst heeft gesloten, maar er wel bij was als zo'n contract werd opgemaakt door [partij verwante zaak]. De betalingen werden volgens [appellant] gedaan aan [partij verwante zaak].

c) [appellant] verklaart verder dat hij wel geld heeft gekregen van [onderneming]/[partij verwante zaak] (p. 236) en dat hij medio 1997 1/3 van f 60.000,-- heeft gekregen, welk bedrag door [onderneming] aan Dutch Wing is betaald en is verdeeld tussen [appellant verwante zaak], [geïntimeerde verwante zaak] en hemzelf (p. 238).

d) (p.835-836) In een brief van 3/4 december 1996 van Dutch Wing - ondertekend door "[naam 1], [naam 2] en [valse naam] "unsere Repraesentanten/Agenturen/ deutschsprachiger Bereich" wordt een soort werkinstructie gegeven om vragen van cliënten te kunnen beantwoorden. Daarin staat onder meer dat [onderneming] sinds 1937/1938 bestaat, over een banklicentie beschikt en in drie Europese filialen werkzaam is; dat als banken zaken- en financieringsbanken optreden en topbanken uit Amerika of het Arabische of Aziatische gebied, en dat alle banken geregistreerd zijn en opgenomen zijn in het internationaal verbond van banken; dat als kredietverzekeraar twee leidende Europese kredietverzekeraars optreden en een Amerikaans instituut; dat iedere aanvraag wordt voorgelegd aan een instituut dat de kredietverzekering voor de door [onderneming] aangeboden financieringen dwingend voorschrijft; dat de ondertekening van het contract en de betaling van het verzekeringsbedrag altijd tegelijkertijd geschieden, "Denn ohne Kreditversicherung ist kein Kreditvertrag moeglich!".

e) (p.1096-1097) Uit twee faxen van Lloyd's of London aan [naam 3] van 27 december 1996 en 10 februari 1997 blijkt dat [onderneming] ten onrechte de naam van Lloyd's heeft gebruikt.

14.1. De geïntimeerden 1 t/m 9 hebben de vier appellanten bij exploot van 31 mei 2000 gedagvaard en gevorderd hen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van:

- aan [geïntimeerde sub 3]: DM 67.556,-- en DM 18.000,-- met wettelijke rente

- aan [geïntimeerde sub 4]: DM 12.600,-- met wettelijke rente

- aan [geïntimeerde sub 5]: DM 21.700,-- met wettelijke rente

- aan [geïntimeerde sub 6]: DM 18.000,-- met wettelijke rente (voorwaardelijk)

- aan [geïntimeerde sub 7]: DM 62.125,-- met wettelijke rente

- aan [geïntimeerde sub 1]: DM 153.900,-- en DM 15.000,-- met wettelijke rente

- aan [geïntimeerde sub 8]: DM 87.500,-- met wettelijke rente

- aan [geïntimeerde sub 2]: SFR 46.800,-- met wettelijke rente

- aan Denila S.A.: SFR 64.965,-- met wettelijke rente,

alsmede de proceskosten, waaronder de kosten van beslagleggingen.

14.2. De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 29 november 2001 de vorderingen van [geïntimeerde sub 7] en [geïntimeerde sub 8] afgewezen, de vordering van DM 18.000,-- van [geïntimeerde sub 3] afgewezen en de vordering van DM 15.000,-- van [geïntimeerde sub 1] eveneens, en de vorderingen voor het overige toegewezen, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten van alle eisers.

Van de afgewezen vorderingen is geen beroep ingesteld zodat die thans niet meer aan de orde zijn.

15. [appellant] is in de onderhavige procedure in beroep gekomen van het vonnis. [appellant verwante zaak]en [geïntimeerde verwante zaak], en [partij verwante zaak] hebben in afzonderlijke procedures beroep ingesteld, welke onder rolnr. C02/30 resp. C02/172 bij dit hof aanhangig zijn. Het is het hof ambtshalve bekend dat in die procedures eveneens heden arrest wordt gewezen.

16. In grief I heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen drie feitelijke vaststellingen door de rechtbank.

16.1. Het bezwaar tegen de vaststelling van de rechtbank dat alle gedaagden aanwezig zijn geweest bij één of meer gesprekken met klanten is niet meer van belang nu het hof deze vaststelling van de rechtbank niet heeft overgenomen.

Hetzelfde geldt voor de vaststelling van de rechtbank dat alle gedaagden in gesprekken met klanten andere namen dan hun echte namen hebben gevoerd. Het hof heeft thans vastgesteld dat zij naar buiten toe, dat wil zeggen jegens anderen dan de leden van de hierna onder 17.3 vermelde [onderneming], andere namen voerden.

16.2. De rechtbank heeft met juistheid vastgesteld dat geen van de eisers het toegezegde krediet heeft gekregen. Het bestaan van de overeenkomsten waarbij de kredieten werden toegezegd is voldoende komen vast te staan door de deponering van de originelen - en één kopie, ten name van [geïntimeerde sub 1] - ter griffie van het hof. Een betwisting daarvan "bij gebrek aan wetenschap" is onvoldoende.

16.3. Bij zijn bezwaar tegen de vaststelling dat [appellant verwante zaak]en [geïntimeerde verwante zaak] samen ongeveer f 150.000,-- hebben betaald aan personen, niet zijnde een der eisers, heeft [appellant] geen belang nu het hof die vaststelling niet heeft overgenomen.

Grief I is daarmee behandeld; voor zover de grief slaagt brengt dat echter niet mee dat het vonnis niet in stand kan blijven.

17.1. In de grieven II, III en IV bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat hij aansprakelijk is op grond van art. 6:166 BW.

Hij stelt dat hij niet heeft deelgenomen aan een "groep" en dat hij niet heeft samengewerkt op het terrein van de kredietverstrekking. Hij wijst erop dat hij zijn werkzaamheden voor [onderneming] heeft verricht in het kader van zijn arbeidsovereenkomst met Tranquil Ltd, zodat hij niet uit art. 6:166 BW aansprakelijk kan zijn. Hij is niet betrokken geweest bij het totstandkomen van kredietovereenkomsten en is slechts bij enkele betalingen aanwezig geweest.

17.2. Voor (hoofdelijke) aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW is vereist (1) dat er is gehandeld in groepsverband, waarbij de deelnemers hebben gehandeld in bewuste samenhang en ieder een bijdrage hebben geleverd aan de gedragingen die het gevaar voor schade hebben doen ontstaan; (2) dat de deelneming van een betrokkene aan de gedragingen in groepsverband een onrechtmatige daad oplevert, die hierin bestaat dat de kans op het toebrengen van de schade hem van deelneming aan de gemeenschappelijke gedragingen had behoren te weerhouden, hetgeen het geval is als hij de kans op het toebrengen van de schade zoals die is voorgevallen, had behoren te voorzien; (3) dat de deelneming aan de gedraging in groepsverband de betrokkene als een onrechtmatige daad kan worden toegerekend; (4) dat de handeling waardoor de schade rechtstreeks wordt toegebracht, een onrechtmatige daad jegens het slachtoffer oplevert. Ingeval een deelnemer zich op zeker moment aan het groepsoptreden onttrekt is deze in beginsel voor daarna ontstane schade niet aansprakelijk, tenzij zijn eerdere gedragingen een ontwikkeling in gang hebben gezet die tot de schade heeft geleid en die zijn terugtreden niet meer heeft kunnen afremmen (zie Parl.gesch. Inv. blz. 1355).

17.3. Het hof is van oordeel, dat op grond van hetgeen [appellant] zelf heeft gesteld en verklaard blijkens het proces-verbaal van de politie is komen vast te staan dat [appellant] wel degelijk in groepsverband heeft samengewerkt met de andere betrokkenen bij [onderneming].

[appellant] heeft immers erkend

- dat hij werkzaamheden heeft verricht voor [onderneming], en wel de voorbereiding van bemiddelingsgesprekken, het veelvuldig zoeken naar vertegenwoordigers en het fungeren als bode tussen [onderneming] en Dutch Wing (cva blz. 3 en 4);

- dat hij potentiële cliëntèle begroette, deze antwoord gaf op vragen aan de hand van een leidraad die hij van [partij verwante zaak] had gekregen, en vaak bij de afwikkeling door [partij verwante zaak] heeft gezeten (cva blz. 4);

- dat hij de valse naam "[valse naam]" gebruikte (cvd blz. 4);

- dat hij wel eens een bedrag van een klant heeft ontvangen; hij heeft dit doorgegeven aan [partij verwante zaak] (cvd blz. 4);

- dat hij wel aanwezig was bij betalingen door klanten aan [partij verwante zaak] werden verricht (cvd blz. 4);

- dat hij voor "[naam 3]" brieven aan klanten verstuurde, zoals bijvoorbeeld de brieven overgelegd bij productie 2 cvr (blz. 4 cvd);

- dat hij personen die voor [onderneming] kwamen tekst en uitleg gaf, dat hij geld heeft gekregen van [onderneming], en dat hij medio 1997 met [appellant verwante zaak]en [geïntimeerde verwante zaak] een bedrag van f 60.000,-- heeft verdeeld dat zij van [partij verwante zaak] hadden gekregen.

Op grond van deze feiten en omstandigheden, daarbij gevoegd nog de mede door [appellant] ondertekende werkinstructie (zie r.o. 13.2.7 sub d), staat naar het oordeel van het hof het handelen in bewuste samenhang, waarbij ieder, ook [appellant], een bijdrage leverde, vast.

Dat [appellant] zijn aandeel leverde op grond van een arbeidsovereenkomst met Tranquil doet daar niet aan af, aangezien dat het onrechtmatige karakter niet aan zijn handelen ontneemt.

17.4. Het gezamenlijk handelen van de bij [onderneming] betrokken personen, waaronder [appellant], levert een onrechtmatige daad op jegens de geïntimeerden, niet alleen omdat zij - onder valse namen - activiteiten ontplooiden op het gebied van de kredietbemiddeling zonder vergunning (art. 6 Wet toezicht kredietwezen 1992), welke regeling in elk geval mede beoogt de belangen van (toekomstige) crediteuren van een instelling te beschermen, maar ook omdat het onrechtmatig is eraan mee te werken dat via advertenties gelokte personen aanzienlijke bedragen aan "Versicherungskosten" betalen terwijl daar niets tegenover staat. Als [appellant] niet zonder meer heeft voorzien dat de toegezegde kredieten nooit zouden worden uitbetaald, dan had hij dat moeten voorzien, nu is komen vast te staan dat de bankinstellingen waarmee in de contracten werd geschermd, niet bestonden, zodat volstrekt onduidelijk is waar de toegezegde gigantische kredieten vandaan hadden moeten komen. De in r.o. 13.2.7 sub d genoemde werkinstructie aan de bemiddelaars, ondertekend door o.m. [appellant] ([valse naam]) moet dan ook worden aangemerkt als leugenachtig en onrechtmatig jegens geïntimeerden nu hierin wordt uiteengezet hoe de bemiddelaars kredietzoekers als geïntimeerden op het verkeerde been moesten zetten.

17.5. De onrechtmatige daad moet aan [appellant] worden toegerekend nu hij zich niet heeft beroepen op omstandigheden die dat anders doet zijn.

17.6. Het overhalen van geïntimeerden tot het sluiten van de kredietovereenkomsten en het innen van de door hen betaalde "Versicherungskosten" waardoor de schade uiteindelijk teweeg werd gebracht, is onder de boven geschetste omstandigheden - nu tevoren vaststond dat de contracten niet zouden en konden worden nagekomen - onrechtmatig.

17.7. Dat [appellant] niet aanwezig is geweest bij alle betalingen door de oorspronkelijk eisers, zoals [appellant] in zijn vierde grief naar voren brengt, speelt geen enkele rol, aangezien voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:166 BW niet vereist is dat alle deelnemers aan de groep alle handelingen persoonlijk hebben verricht.

De grieven II, III en IV falen derhalve.

Dat [appellant] niet strafrechtelijk is vervolgd doet daar geenszins aan af.

18. De vijfde grief betreft het contract van [geïntimeerde sub 2] en de vraag of dit nu is gesloten op naam van de natuurlijke persoon [geïntimeerde sub 2] of van een rechtspersoon [bedrijf].

[appellant] stelt dat niet is gebleken dat er geen sprake is van een afzonderlijke rechtspersoon.

Naar het oordeel van het hof kan echter uit het contract van [geïntimeerde sub 2] in samenhang met de daarin gevoegde brief van [geïntimeerde sub 2] van 28 februari 1997 en de aangifte van [geïntimeerde sub 2] als benadeelde bij de politie, als voldoende vaststaand worden afgeleid dat "[bedrijf]" de naam is waaronder [geïntimeerde sub 2] in het rechtsverkeer optreedt. [appellant] heeft niets gesteld waaruit zou kunnen blijken dat "[bedrijf]" een zelfstandige rechtspersoon zou zijn. De grief wordt verworpen.

19. Ook de zesde grief wordt verworpen, nu [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij terecht is veroordeeld in de proceskosten.

20. Het vonnis, waarvan beroep, zal worden bekrachtigd nu alle daartegen door [appellant] aangevoerde grieven falen.

[appellant] zal als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

21. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden gevallen aan de zijde van geïntimeerden 1 ([geïntimeerde sub 1]) en 2 ([geïntimeerde sub 2]) en begroot op euro 4.536,-- voor verschotten en euro 3263,-- voor salaris procureur, te voldoen aan de griffier van dit hof op de voet van art. 243 lid 1 Rv.

Dit arrest is gewezen door mrs. Bod, De Groot-van Dijken en Hendriks-Jansen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 5 september 2006.