Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY9098

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-01-2006
Datum publicatie
02-10-2006
Zaaknummer
C04/00979
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling nalatenschap. Geschil over legitieme portie. Benoeming deskundige (taxateur). Aanhouding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. NJ

rolnr. C0400979/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

zevende kamer, van 31 januari 2006,

gewezen in de zaak van:

1. [APPELLANTE SUB 1],

wonende te [plaats], hierna: "[appellante sub 1]",

2. [APPELLANTE SUB 2],

wonende te [plaats], hierna: "[appellante sub 2]",

appellanten bij exploot van dagvaarding van 5 juli 2004,

procureur: mr. A.M.H.C. Coppens,

tegen:

1. [GEÏNTIMEERDE SUB 1],

wonende te [plaats], hierna: "[geïntimeerde sub 1]",

geïntimeerde bij voormeld exploot van dagvaarding,

procureur: mr. A.J.F. Manders,

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

wonende te [plaats], hierna: "[geïntimeerde sub 2]",

3. [GEÏNTIMEERDE SUB 3],

wonende te [plaats], hierna "[geïntimeerde sub 3]",

4. [GEÏNTIMEERDE SUB 4],

wonende te [plaats], hierna: "[geïntimeerde sub 4]",

geïntimeerden bij voormeld exploot van dagvaarding,

niet verschenen,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Roermond gewezen vonnissen van 29 januari 2003, 4 juni 2003 en 14 april 2004 tussen [appellante sub 1] en [appellante sub 2] als eiseressen en [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] als gedaagden.

1. Het verloop van het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen met zaak/rolnummer 58044 HAZA 00-2187.

2. Het verloop van het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven, met producties, hebben [appellante sub 1] en [appellante sub 2] twaalf grieven aangevoerd tegen de vonnissen waarvan beroep. Zij hebben geconcludeerd dat het hof de vonnissen waarvan beroep zal vernietigen en na eiswijziging in hoger beroep, opnieuw rechtdoende bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest - zakelijk weergegeven:

I. zal bepalen dat de woning [adres] te [plaats]op [datum] januari 1991 een waarde in het economisch verkeer, vrij en onverhuurd, heeft van E. 68.067,03, althans een door het hof in goede justitie te bepalen waarde;

II. PRIMAIR [geïntimeerde sub 1] zal veroordelen de waarde van het perceel [adres] te [plaats] per [datum] januari 1991 in te brengen dan wel te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf [datum] januari 1991, althans [datum] juli 1994, SUBSIDIAIR [geïntimeerde sub 1] zal veroordelen om een bedrag van E. 16.676,42 in te brengen dan wel te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf [datum] januari 1991, althans [datum] juli 1994, op straffe van verbeurte van een dwangsom van E. 450,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde sub 1] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

III. PRIMAIR [geïntimeerde sub 1] zal veroordelen om binnen 14 dagen na het wijzen van het arrest aan [appellante sub 1] en [appellante sub 2] rekening en verantwoording te doen van het door haar gevoerde beheer, in het bijzonder ten aanzien van bankrekeningen met nummers [bankrekeningnummer] en [bankrekeningnummer], vanaf [datum] januari 1991 tot aan [datum] april 2004, op straffe van verbeurte van een dwangsom van E. 450,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde sub 1] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen; SUBSIDIAIR [geïntimeerde sub 1] zal bevelen om binnen 14 dagen na het wijzen van het arrest alle bankafschriften vanaf [datum] januari 1991 tot aan [datum] april 2004 van de bankrekeningen met nummers [bankrekeningnummer] en [bankrekeningnummer] in het geding te brengen, althans aan [appellante sub 1] en [appellante sub 2] af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van E. 450,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde sub 1] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

IV. zal bepalen het zuiver saldo van de nalatenschap van [naam moeder] en [geïntimeerde sub 1] zal veroordelen tot uitbetaling aan [appellante sub 1] en [appellante sub 2] van hun legitieme porties, PRIMAIR te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf [datum] januari 1991, althans [datum] juli 1994, althans [datum] oktober 2000, SUBSIDIAIR onder afdracht van de renteopbrengsten over het bedrag van E. 52.759,10 vanaf 1991 tot 28 april 2004 aan [appellante sub 1] en [appellante sub 2], alsmede aan [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3], op straffe van verbeurte van een dwangsom van E. 450,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [geïntimeerde sub 1] in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

met hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3] in de proceskosten in hoger beroep.

2.2. Bij memorie van antwoord, met producties, heeft [geïntimeerde sub 1] de grieven bestreden en geconcludeerd tot verwerping van de grieven en bekrachtiging van de vonnissen waarvan beroep, met veroordeling van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] in de proceskosten in hoger beroep.

2.3 [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben vervolgens nog een akte genomen, waarop [geïntimeerde sub 1] bij antwoordakte, met producties, heeft gereageerd.

2.4 Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van hoger beroep

Hiervoor wordt verwezen naar de grieven en de daarop gegeven toelichting, zoals vermeld in de memorie van grieven.

4. De beoordeling:

4.1 Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [geïntimeerde sub 2], geboren 29 november 1909 (hierna: "vader"), en [naam moeder], geboren [datum] 1913 (hierna: "moeder"), waren met elkaar in eerste echt in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Vader is op [datum] 1971 overleden. Krachtens een bij testament getroffen ouderlijke boedelverdeling is het aandeel van vader in de huwelijksgemeenschap toegedeeld aan moeder.

4.1.2. Moeder heeft in 1973 een bedrag van NLG 25.000,-- aan de (inmiddels overleden) zoon [naam] geschonken zonder vrijstelling van de verplichting tot inbreng in de nalatenschap van moeder.

4.1.3. Tot de huwelijksgemeenschap behoorde een boerderij met bijgebouwen en ondergrond, plaatselijk bekend [adres 2] te [plaats], kadastraal bekend [gemeente], [sectienummer], groot ca 1.23 ha. Moeder heeft in 1979 de boerderij en ca 1.16 ha van de grond verkocht aan de [gemeente] voor een koopprijs van NLG 260.500,--, inclusief een vergoeding voor verhuiskosten. Het resterende gedeelte van het kadastrale perceel, groot circa 7 are, is aan moeder in eigendom verbleven, onder vestiging van een bouwplicht.

4.1.4. Moeder heeft op [datum] juli 1980 een bouwvergunning verkregen voor het oprichten van een dubbel woonhuis op het aan haar in eigendom verbleven perceel. Vervolgens heeft Moeder bij akte van [datum] juli 1980 van het aan haar verbleven perceel een gedeelte, groot 4 are 50 centiare, geleverd aan [naam], in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met haar dochter [geïntimeerde sub 1], tegen een koopprijs van NLG 19.500,--. Dit perceel is in september 1981 kadastraal afgesplitst en sedertdien kadastraal bekend [gemeente], [sectienummer], en plaatselijk bekend [adres] . Het resterende gedeelte, groot 2 are 57 centiare, bleef eigendom van moeder en is vanaf september 1981 kadastraal bekend [gemeente], [sectienummer], en plaatselijk bekend [adres 2].

4.1.5. Moeder en dochter [geïntimeerde sub 1] met haar echtgenoot hebben in 1981 een dubbel woonhuis opgericht op beide percelen. Moeder is in de woning [adres 2] gaan wonen, [geïntimeerde sub 1] en haar echtgenoot in de woning [adres] .

4.1.6. Moeder heeft bij op [datum] 1990 door mr. [notaris], notaris te [plaats], opgemaakt testament voor zover hier van belang als volgt over haar nalatenschap beschikt:

"Daar ik gedurende elf jaren door mijn dochter [geïntimeerde sub 1] verzorgd ben, erken ik hierbij ten opzichte van mijn genoemde dochter [geïntimeerde sub 1] een dringende verplichting van moraal en fatsoen om te zorgen, dat zij mijn woning [adres 2] te [plaats], welke aangebouwd is aan de woning van mijn genoemde dochter, in eigendom verkrijgt.

Daarom beschik ik over mijn nalatenschap als volgt:

VERERVING.

Mijn nalatenschap vererft volgens de Nederlandse wet, behoudens, dat, met uitzondering van mijn dochter [geïntimeerde sub 1] ik mijn afstammelingen-erfgenamen, waarbij de kinderen van mijn vooroverleden zoon [naam] in de plaats treden van hun vader, in de legitieme stel en met inachtneming van het navolgende:

BOEDELVERDELING TUSSEN MIJN AFSTAMMELINGEN.

Ik maak gebruik van de regelingen als bedoeld in artikel 1167 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

Ik maak derhalve een boedelverdeling tussen mijn dochter [geïntimeerde sub 1] en mijn afstammelingen-erfgenamen, waarbij de kinderen van mijn vooroverleden zoon [naam] in de plaats treden van hun vader.

A. Ik deel toe aan mijn voornoemde dochter [geïntimeerde sub 1] mijn woning aan de [adres 2] te [plaats], onder de verplichting de daarop drukkende zakelijke lasten en de daarop drukkende hypothecaire schulden geheel voor haar rekening te nemen.

Voorts deel ik aan haar toe al mijn geldmiddelen, zowel die op mijn lopende rekening als die op mijn spaarrekeningen.

Omdat mijn dochter [geïntimeerde sub 1] voornoemd wordt overbedeeld is zij verplicht om aan mijn afstammelingen-erfgenamen hun wettelijk erfdeel uit te keren.

B. Ik deel toe aan ieder van mijn afstammelingenerfgenamen, waarbij de kinderen van mijn vooroverleden zoon [naam] in de plaats treden van hun vader, een vordering op mijn dochter [geïntimeerde sub 1] voornoemd ter grootte van ieders wettelijk erfdeel in mijn nalatenschap.

C. Ik deel toe aan mijn afstammelingen-erfgenamen, waarbij de kinderen van mijn vooroverleden zoon [naam] in de plaats treden van hun vader, al mijn huishoudelijke inboedelgoederen en sieraden.

WAARDEBEPALING.

Ik wens dat de waarde van mijn woning aan de [adres] te [plaats]in onderling overleg zal worden vastgesteld. Wanneer dit faalt dan wel wanneer de wet dit voorschrijft, dan geschiedt de waardering door deskundigen overeenkomstig de wettelijke regeling bij boedelscheidingen met minderjarigen."

4.1.7. Moeder is op [datum] 1991 overleden. Toen waren vier van haar kinderen in leven, [appellante sub 2] (geboren in 1939), [appellante sub 1] (geboren in 1941), [geïntimeerde sub 4] (geboren in 1944) en [geïntimeerde sub 1] (geboren in 1946). Haar zoon [naam] was vóór haar overleden. [naam] had twee bij het overlijden van moeder nog minderjarige kinderen, [geïntimeerde sub 2] (geboren in 1974) en [geïntimeerde sub 3] (geboren in 1977).

4.1.8. Op 4 februari 1991 heeft notaris Mr. [notaris] een verklaring van erfrecht afgegeven, waarin hij verklaart dat [geïntimeerde sub 1] uit kracht van het testament van moeder is gerechtigd om alle geldmiddelen van moeder 'naar en onder zich te nemen'.

4.1.9. De kantonrechter heeft bij beschikking van 26 februari 1991 op verzoek van deze notaris voor de waardering van het woonhuis en van de inboedel volstaan met benoeming van één deskundige, te weten [deskundige], taxateur te [plaats].

4.1.10. [deskundige] heeft op [datum] maart 1991 een taxatierapport uitgebracht, waarin hij het woonhuis [adres 2] waardeert op NLG 97.900,-- in onbewoonde staat en op NLG 58.700,-- in bewoonde staat, en de verkoopwaarde van de inboedel op NLG 775,--.

4.1.11. De notaris heeft in september 1991 aangifte voor de successiebelasting gedaan, waarin hij komt tot navolgende opstelling van het zuiver saldo van de nalatenschap van moeder en van de legitieme porties:

Activa:

- woonhuis [adres 2] NLG 97.900,--

- inboedel NLG 775,--

- geldmiddelen NLG 124.557,53

Totaal: NLG 223.232,53

Af: Passiva NLG 4.583,33

Saldo Activa/Passiva: NLG 218.649,20

Bij: Inbreng schenking [vooroverleden zoon] NLG 25.000,--

Saldo: NLG 243.649,20

Af: Begrafeniskosten NLG 8.206,28

Zuiver saldo: NLG 235.442,92 ==============

Legitieme porties:

[appellante sub 1] NLG 35.316,44

[appellante sub 2] NLG 35.316,44

[geïntimeerde sub 4] NLG 35.316,44

[geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3], na aftrek van inbreng

NLG 10.316,44

Totaal uit te keren: NLG 116.265,76

==============

Resteert voor [geïntimeerde sub 1]: NLG 119.177,16

==============

4.1.12. De erven hebben geen overeenstemming bereikt over de omvang van de door [geïntimeerde sub 1] aan de overige erven uit te keren legitieme porties. De sieraden en inboedelzaken zijn feitelijk verdeeld.

4.1.13. [geïntimeerde sub 1] heeft het op grond van de successie aangifte in totaal uit te keren bedrag aan legitieme porties van NLG 116.265,76 gereserveerd op bankrekening nummer [bankrekeningnummer] ten name van [naam].

4.1.14. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben bij brief van hun advocaat van 30 juli 1999 [geïntimeerde sub 1] gesommeerd alle gegevens en inlichtingen te verstrekken ter bepaling van de omvang van de nalatenschap van moeder en ter vaststelling van de legitieme porties. Daarbij hebben zij aanspraak gemaakt op renteopbrengsten van tot de nalatenschap behorende banktegoeden c.q. op de wettelijke rente over de legitieme porties.

4.1.15. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben bij exploten van dagvaarding van 12 oktober 2000 tegen [geïntimeerde sub 1], [geïntimeerde sub 4], [geïntimeerde sub 2] en [geïntimeerde sub 3], na eiswijzigingen, gevorderd als weergegeven in de vonnissen waarvan beroep.

4.1.16. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 4 juni 2003 [taxateur], taxateur te [plaats], tot deskundige benoemd teneinde de waarde in het economische verkeer op [datum] juli 1980 te doen vaststellen van het hiervoor onder 4.1.4 bedoelde perceel, kadastraal bekend [gemeente], [sectienummer], en plaatselijk bekend [adres] . [deskundige] heeft op 25 september 2003 zijn deskundigenbericht uitgebracht, waarin deze waarde per 4 juli 1980 is bepaald op NLG 56.250,--.

4.1.17. Bij eindvonnis van 14 april 2004 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] gedeeltelijk toegewezen en voor het overige afgewezen.

4.1.18. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] kunnen zich niet met de vonnissen van 29 januari 2003, 4 juni 2003 en 14 april 2004 verenigen en komen daarvan in hoger beroep.

4.2. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben geen grieven gericht tegen het tussenvonnis van 4 juni 2003, zodat zij niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun tegen dat vonnis ingestelde hoger beroep.

4.3. De tegen de vonnissen van 29 januari 2003 en 14 april 2004 aangevoerde grieven stellen de volgende geschilpunten aan de orde:

- de waardering van het woonhuis [adres] te [plaats](grieven 1, 2, 3 en 7);

- de grondtransactie van [datum] juli 1980 (grieven 4, 5 en 6);

- de AOW-uitkeringen in 1990 (grief 8);

- de vordering tot het doen van rekening en verantwoording, in het bijzonder ten aanzien van de mutaties van de saldi van de bankrekeningen (grieven 9 en 10);

- de bepaling van het zuiver saldo van de nalatenschap van moeder en van de legitieme porties (grief 11);

- rentevergoeding over de legitieme porties (grief 12).

4.4. Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof het volgende voorop. Het geschil in hoger beroep betreft het hiervoor onder 4.1.6 aangehaalde testament van moeder en haar op 8 januari 1991 opengevallen nalatenschap. Ingevolge het bepaalde in artikel 69 van de Overgangswet NBW is daarom het erfrecht zoals dat tot 1 januari 2003 heeft gegolden op de door de erven in de nalatenschap van moeder verkregen rechten van toepassing. Op de boedelverdeling is de vijfde afdeling van de zestiende titel van Boek 4 zoals deze tot 1 januari 2003 heeft gegolden van toepassing. De verplichting tot inbreng van giften dient te worden beoordeeld naar het tot 1 januari 2003 geldende erfrecht, de artt. 4:1132 en volgende (oud) BW. Op de verdeling van de nalatenschap is ingevolge art. 101 Overgangswet NBW het vanaf 1 januari 1992 geldende recht van toepassing, met uitzondering van het bepaalde in art. 3: 186, lid 1 BW.

4.5. Uitgangspunt bij de beoordeling van de grieven is dat krachtens de testamentaire boedelverdeling de nalatenschap partieel is verdeeld met ingang van [datum] januari 1991, namelijk voor wat betreft het woonhuis aan de [adres 2] en het bezit van de in de erfboedel aanwezige geldmiddelen. Daarmee geldt [datum] januari 1991 als peildatum voor de waardering van dat woonhuis.

Waardering van het woonhuis [adres 2] te [plaats]:

4.6. De rechtbank heeft zich voor de waardering van het woonhuis van moeder aangesloten bij de hiervoor onder 4.1.10 bedoelde taxatie van [taxateur]. Deze taxatie is door [appellante sub 1] en [appellante sub 2] gemotiveerd betwist. Zij voeren daartoe aan dat de in 1991 geldende wettelijke regeling van de waardering van onroerende zaken bij boedelscheidingen waarbij minderjarigen zijn betrokken - welke in het testament is voorgeschreven voor het hier aan de orde zijn geval waarin de erfgenamen niet onderling tot overeenstemming kunnen komen over de waardering - niet is nageleefd omdat de taxatie van het woonhuis in strijd met het bepaalde in art. 4: 1123 (oud) BW niet door drie deskundigen is verricht. Bovendien heeft de betrokken notaris, mr. [notaris] voornoemd, hen niet geraadpleegd omtrent het aantal en de persoon van de te benoemen deskundige(n). Ten slotte stemt de taxatie niet overeen met de werkelijke waarde van het woonhuis op [datum] januari 1991, hetgeen onder meer zou blijken uit de in de aanslag onroerend goed belasting uit 1991 gehanteerde hogere waarde van NLG 106.000,--. Zij hebben uitdrukkelijk bewijs door deskundigenbericht aangeboden.

4.7. Het hof acht op grond van hetgeen door [appellante sub 1] en [appellante sub 2] is aangevoerd een nieuwe taxatie van het woonhuis [adres] te [plaats]aangewezen. Het hof acht in dit verband mede van belang dat [appellante sub 1] en [appellante sub 2] niet in de gelegenheid zijn gesteld om aan de deskundige vragen te stellen of opmerkingen te maken. Voorts is van belang dat de taxatie is opgemaakt ten behoeve van de successieaangifte en op geen enkele wijze is onderbouwd. Het hof zal daarom een of meer deskundige(n) benoemen teneinde de waarde in het economisch verkeer, vrij en onverhuurd, op [datum] januari 1991 van dat woonhuis vast te doen stellen. Partijen kunnen zich bij akte uitlaten over aantal, deskundigheid en - bij voorkeur eensluidend - over de persoon van de te benoemen deskundige(n). Voorts kunnen partijen suggesties doen over de aan de deskundige(n) voor te leggen vragen. Het hof is voornemens de kosten van de deskundige(n) voorshands ten laste van de eisende partij, [appellante sub 1] en [appellante sub 2], te brengen (art. 195 Rv) met dien verstande dat mogelijk de kosten ten laste van de nalatenschap dienen te komen (art. 4:1087 (oud) BW).

De grondtransactie van [datum] juli 1980:

4.8. Grieven 4 en 5 hebben betrekking op het geschil over de inbreng van een bevoordeling van [geïntimeerde sub 1] welke besloten zou liggen in de hiervoor onder 4.1.4 omschreven grondtransactie. De verplichting tot inbreng in de in 1991 opengevallen nalatenschap dient te worden beoordeeld naar het tot 1 januari 2003 geldende recht. Bij de toepassing van art. 4:1132 (oud) BW dient - zowel bij de beoordeling van de verplichting tot inbreng als bij het bepalen van de hoogte van de inbreng - te worden uitgegaan van een geobjectiveerd schenkingsbegrip; de motieven die tot de bevoordeling hebben geleid, zijn in beginsel niet van belang voor de vraag of de schenking moet worden ingebracht; voor het aannemen van vrijgevigheid is voldoende dat degene die is verarmd, de verrijking van de andere partij heeft gewild (HR 11 april 2003, NJ 2003, 493).

4.9. De rechtbank heeft beslist dat deze transactie een bevoordeling van [geïntimeerde sub 1] inhoudt met een bedrag van NLG 36.750,--, alsmede dat [geïntimeerde sub 1] dit bedrag in de nalatenschap dient in te brengen. De rechtbank heeft niet (expliciet) beslist op het verweer van [geïntimeerde sub 1] dat de bevoordeling niet berust op (bewuste) vrijgevigheid van moeder en dus niet behoeft te worden ingebracht.

4.10. Met hun grieven 4 en 5 stellen [appellante sub 1] en [appellante sub 2] de volgende vraag aan de orde: kan de transactie van [datum] juli 1980 nog als een reële verkooptransactie worden aangemerkt, of is de koopprijs van zo geringe betekenis dat aangenomen moet worden dat het perceel grond zelf is geschonken. In het eerste geval dient [geïntimeerde sub 1] het bedrag van de bevoordeling op 4[datum] juli 1980 aan de nalatenschap te vergoeden, in het tweede geval de waarde van de grond op [datum] januari 1991, aldus [appellante sub 1] en [appellante sub 2].

4.11. Op grond van het in hoger beroep verder niet bestreden deskundigenbericht van [deskundige] (hiervoor onder 4.1.17 genoemd) staat vast dat de waarde in het economische verkeer van het perceel grond op [datum] juli 1980 een bedrag van NLG 56.250,-- beliep. De deskundige heeft deze waarde bepaald uitgaande van de in 1980 voor bouwkavels in de [gemeente] gehanteerde grondprijzen. De door moeder en [geïntimeerde sub 1] overeengekomen prijs voor het perceel is blijkens de in zoverre niet of onvoldoende bestreden stellingen van [geïntimeerde sub 1] gerelateerd aan de door de [gemeente] gehanteerde koopprijs van NLG 260.500,-- bij de (hiervoor onder 4.1.3 omschreven) aankoop in 1979 van de boerderij met bijgebouwen en 1.16 ha grond. In deze prijs was verdisconteerd dat een gedeelte van de grond, een perceel van circa 7 are, aan moeder in eigendom verbleef. Het aan [geïntimeerde sub 1] geleverde bouwkavel betreft een gedeelte (groot 4.50 ca) van dit perceel van 7 ca. Uitgaande van deze koopprijs van NLG 260.500,-- is een koopprijs in juli 1980 voor het aan [geïntimeerde sub 1] geleverde bouwkavel van 4.50 ca van NLG 19.500,-- naar het oordeel van het hof niet van zo geringe betekenis dat moet worden aangenomen dat moeder dit bouwkavel zelf aan [geïntimeerde sub 1] heeft geschonken.

4.12. Hieruit volgt dat - uitgaande van de door de grieven 4 en 5 niet bestreden veronderstellingen dat moeder zich bewust was van deze bevoordeling en dat deze uit vrijgevigheid is geschied - [geïntimeerde sub 1] het bedrag waarmee de waarde van het perceel in juli 1980 de koopprijs overtrof, NLG 36.750,--, in de nalatenschap dient in te brengen. De tegen de hiervoor onder 4.9 weergegeven beslissing van de rechtbank aangevoerde grieven 4 en 5 falen dus. Dit brengt mee dat het door [geïntimeerde sub 1] gevoerde verweer dat de in de transactie van 1980 besloten liggende bevoordeling niet berust op (bewuste) vrijgevigheid van moeder niet opnieuw aan de orde kan komen.

4.13. Grief 6 stelt de vraag aan de orde of en zo ja met ingang van welke datum [geïntimeerde sub 1] rente over het bedrag van deze inbreng dient te vergoeden. Uit het hier toepasselijke artikel 4:1144 (oud) BW volgt dat zonder ingebrekestelling rente over de verplichting tot inbreng moet worden vergoed vanaf de dag van overlijden van moeder, [datum] januari 1991, tot de dag waarop de nalatenschap, inclusief deze inbreng, is verdeeld. Ook grief 6 slaagt dus. Het hof bepaalt de rentevergoeding over het bedrag van de door [geïntimeerde sub 1] verschuldigde inbreng op de wettelijke rente, te berekenen vanaf [datum] januari 1991 tot aan de dag waarop in rechte omtrent de verdeling van de nalatenschap zal zijn beslist.

De AOW-uitkeringen:

4.14. Met grief 8 stellen [appellante sub 1] en [appellante sub 2] de verantwoording van de door [geïntimeerde sub 1] in 1990 contant opgenomen AOW-uitkeringen van moeder aan de orde. Zij stellen dat in 1990 in totaal een bedrag van NLG 14.101,80 aan AOW van moeder contant aan [geïntimeerde sub 1] is uitbetaald, waarvan [geïntimeerde sub 1] een bedrag van NLG 5.800,-- op de betaalrekening van moeder heeft gestort. Het niet afgedragen gedeelte, een bedrag van NLG 8.301,80, kan worden beschouwd als een gift van moeder aan [geïntimeerde sub 1] zodat dit bedrag door haar aan de nalatenschap dient te worden vergoed, aldus [appellante sub 1] en [appellante sub 2]. [geïntimeerde sub 1] voert daartegen aan dat zij alle door haar opgenomen bedragen aan moeder heeft afgedragen of ten behoeve van moeder heeft aangewend.

4.15. Grief 8 faalt. Gesteld noch gebleken is dat moeder vóór haar overlijden, in de loop van 1990, [geïntimeerde sub 1] uit vrijgevigheid met enig bedrag aan niet afgedragen AOW-uitkeringen heeft willen bevoordelen. Voor zover [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben bedoeld te stellen dat [geïntimeerde sub 1] zich het bedrag van NLG 8.301,80 onrechtmatig heeft toegeëigend, hebben zij hun stelling onvoldoende onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij gaat.

Rentevergoeding over de legitieme porties:

4.16. Grief 12 stelt de over de legitieme porties van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] te berekenen rentevergoeding aan de orde. Het hof bespreekt deze grief voordat aan bespreking van de grieven 9 en 10 wordt toegekomen omdat de beslissing op deze grief invloed heeft op de beantwoording van de vraag of en zo ja in hoeverre [geïntimeerde sub 1] is gehouden tot het doen van rekening en verantwoording.

4.17. Bij de beoordeling van de grief neemt het hof tot uitgangspunt dat de nalatenschap als gevolg van de testamentaire boedelverdeling - waarbij aan de andere erven op grond van de overbedeling van [geïntimeerde sub 1] een vordering tot uitkering van de geldswaarde van hun legitieme porties is toebedeeld - nog slechts partieel is verdeeld. Immers, de te verdelen legitimaire massa omvat niet alleen de op [datum] januari 1991 in de boedel aanwezige goederen, maar ook de daarin nog terug te brengen goederen waarover bij giften onder de levenden is beschikt (art. 4:968 BW). De erven hebben geen overeenstemming kunnen omtrent de omvang van deze legitimaire massa, zodat de verdeling van de nalatenschap eerst definitief tot stand komt door de vaststelling in rechte van de legitimaire massa en daarmee van de geldswaarde van de legitieme porties.

4.18. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben blijkens de successieaangifte van september 1991 de vordering tot uitkering van de geldswaarde van hun legitieme porties opgeëist. [geïntimeerde sub 1] voert aan dat zij niet tot uitkering is overgegaan omdat de erven geen overeenstemming konden bereiken over de omvang van de legitimaire massa, alsmede dat zij het voor de uitkering van de legitieme porties bestemde bedrag, berekend volgens de successieaangifte uit september 1991, op een afzonderlijke rekening heeft gereserveerd.

4.19. Naar het oordeel van het hof valt de rente welke is gekweekt over de voor de uitkering van de legitieme porties gereserveerde en in zoverre nog onverdeelde gelden op de voet van art. 3: 172 BW in de nalatenschap. [geïntimeerde sub 1] heeft een bedrag van NLG 116.265,76 voor de overige erven gereserveerd, maar heeft geweigerd de hierover gekweekte rente aan de nalatenschap te verantwoorden. Deze rente maakt echter als vrucht van het in zoverre nog tot de onverdeelde nalatenschap behorend vermogen onderdeel uit van de legitimaire massa. [geïntimeerde sub 1] dient om die reden alsnog informatie over de gekweekte rente te verstrekken, zoals hierna onder 4.25 wordt overwogen.

4.20. De vordering van [appellante sub 1] en [appellante sub 2] tot vergoeding van de wettelijke rente over hun legitieme porties is eerst toewijsbaar vanaf het tijdstip waarop de verdeling is vastgesteld (HR 21 febr. 1997, NJ 1997,316), dus vanaf de dag waarop in rechte omtrent de verdeling van de nalatenschap zal zijn beslist.

4.21. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat grief 12 slaagt.

Rekening en verantwoording en bankafschriften:

4.22. Met grief 9 stellen [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hun vordering tot het doen van rekening en verantwoording door [geïntimeerde sub 1] opnieuw aan de orde. Een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording kan slechts worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden. Een rechtsverhouding die een dergelijke verantwoordingsplicht impliceert kan voortvloeien uit hetgeen onder bepaalde omstandigheden volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt (HR 8 december 1995, NJ 1996, 274).

4.23. [geïntimeerde sub 1] is op grond van de in het testament van moeder opgenomen boedelverdeling sedert [datum] januari 1991 rechthebbende op de in de boedel voorhanden geldmiddelen en op het woonhuis aan de [adres 2] te [plaats], onder de verplichting uit (de opbrengst) van deze activa aan de overige erven hun legitieme porties in geld uit te keren. Op deze rechtsverhouding is de - vanaf 1 januari 1992 in art. 3: 173 BW neergelegde - rekenplicht van toepassing.

4.24. Voorts is [geïntimeerde sub 1] gehouden aan de overige erven inzage te geven in en een afschrift te verstrekken van alle door haar uit de nalatenschap verkregen bescheiden die deze erven voor de berekening van hun legitieme porties behoeven en dient [geïntimeerde sub 1] hen desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen te verstrekken.

4.25. De door [appellante sub 1] en [appellante sub 2] verlangde inlichtingen c.q. rekening en verantwoording betreffen - mede gelet op grief 10 - in het bijzonder de mutaties van de het saldo van de bankrekening met nummer [bankrekeningnummer] ten name van [naam], alsmede van de saldi van een aantal tot de nalatenschap behorende andere bankrekeningen (met nummers [bankrekeningnummer], [bankrekeningnummer] en [bankrekeningnummer]). [appellante sub 1] en [appellante sub 2] stellen dat zij daartoe een rechtens te respecteren belang hebben in verband met de door hen gevorderde afdracht van rente welke is gekweekt over - in zoverre nog onverdeelde - gelden die zijn gereserveerd voor de uitkering van hun legitieme porties.

4.26. [geïntimeerde sub 1] heeft in eerste aanleg enkele bankafschriften overgelegd met betrekking tot deze bankrekeningen. In hoger beroep heeft [geïntimeerde sub 1] aanvullende informatie verschaft over de herkomst van het saldo op bankrekening nummer [bankrekeningnummer] en over mutaties van de saldi op de andere bankrekeningen. Hiermee heeft [geïntimeerde sub 1] naar het oordeel van het hof niet in voldoende mate aan haar informatieplicht voldaan omdat zij aldus onvoldoende inzicht verschaft in de burgerlijke vruchten welke zijn gekweekt over het voor de overige erven gereserveerde bedrag van NLG 116.265,76.

4.27. [geïntimeerde sub 1] zal in de gelegenheid worden gesteld bij akte een volledig overzicht van bankafschriften vanaf [datum] januari 1991 over te leggen met betrekking tot de bankrekeningen met nummers [bankrekeningnummer], [bankrekeningnummer], [bankrekeningnummer] en [bankrekeningnummer], opdat vastgesteld kan worden welke rente vanaf [datum] januari 1991 is gekweekt over het nog aan de overige erven uit te keren bedrag van NLG 116.265,76.

4.28. Grief 10 slaagt. De beslissing op grief 9 wordt aangehouden ten einde [geïntimeerde sub 1] in de gelegenheid te stellen alsnog de gevraagde informatie te verschaffen.

Conclusie:

4.29. Grief 11 welke de berekening van de legitimaire massa en het zuivere saldo van de nalatenschap betreft, zal worden aangehouden totdat op de grieven 1, 2, 3 en 7 met betrekking tot de waardering van het woonhuis van moeder kan worden beslist. De zaak zal naar de rol worden verwezen voor het nemen van een akte door [appellante sub 1] en [appellante sub 2] respectievelijk [geïntimeerde sub 1] met het hiervoor onder 4.7 omschreven doel en door [geïntimeerde sub 1] met het onder 4.27 omschreven doel.

4.30. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5. De uitspraak

Het hof:

- verwijst de zaak naar de rolzitting van 21 februari 2006 voor het nemen van een akte door ieder van partijen met het hiervoor onder 4.7 omschreven doel en het nemen van een akte door [geïntimeerde sub 1] met het onder 4.27 omschreven doel;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van Etten, Den Hartog Jager en Van den Bergh en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 31 januari 2006.