Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY9073

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-03-2006
Datum publicatie
28-09-2006
Zaaknummer
R200600058
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ingevolge vaste jurisprudentie (HR 17 december 1993, NJ 1994, 360) heeft de gezagsouder ook een wettelijke informatieplicht jegens de biologische vader in geval van ‘family life’ tussen deze biologische vader en het kind. De enkele omstandigheid van het biologische vaderschap is onvoldoende om ‘family life’ aan te nemen. Hiervoor zal tevens moeten blijken van bijzondere of bijkomende omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WvR

29 maart 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200600058

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[Appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

de vrouw,

procureur mr. A.H.A.C Waals,

t e g e n

[Geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de man,

procureur mr. A.T.L. van Zandvoort.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 18 oktober 2005, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 18 januari 2006, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking voor wat betreft de daarbij aan de vrouw opgelegde verplichting om de man op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [X.], te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek, althans dat zijn verzoek dient te worden afgewezen.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 6 februari 2006, heeft de man verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar beroep, dan wel de grieven van de vrouw als ongegrond en onbewezen af te wijzen met instandhouding van de bestreden beschikking van de rechtbank.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 februari 2006. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten, alsmede mevrouw Van der Staak namens de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) gehoord

2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- de brief van de raad van 19 januari 2006 met als bijlage het rapport van de raad d.d. 26 mei 2005.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Partijen hebben van begin 1995 tot eind 2001/begin 2002 een affectieve relatie met elkaar gehad, gedurende welke zij van begin 1995 tot eind 1995 hebben samengewoond. Uit deze relatie is op [geboortejaar] te [geboorteplaats] [X.] geboren. De man heeft [X.] niet erkend. De vrouw is belast met het ouderlijk gezag over [X.], die tevens haar hoofdverblijf bij de vrouw heeft.

4.2. De man heeft in eerste aanleg verzocht een omgangsregeling tussen hem en [X.] vast te stellen, inhoudende dat hij en [X.] gedurende een dag per week, afwisselend op zaterdag en op zondag, van 9.00 uur tot 20.00 uur, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en de feestdagen omgang met elkaar zullen hebben.

4.3. De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 24 september 2003 de zaak aangehouden en de raad verzocht een onderzoek te verrichten naar de mogelijkheden van omgang tussen de man en [X.].

4.4. Bij tussenbeschikking van 4 augustus 2004 heeft de rechtbank overwogen dat sprake is van ‘family life’ tussen de man en [X.] en dat de man om die reden ontvangen kan worden in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat partijen van begin 1995 tot begin 2002 een relatie met elkaar hebben gehad, dat er na de geboorte van [X.] gedurende een langere periode regelmatig contact is geweest tussen de man en [X.], welk contact voornamelijk bij de vrouw thuis plaatsvond en dat partijen en [X.] tezamen op vakantie zijn geweest. De rechtbank heeft vervolgens conform het advies van de raad de raad verzocht een drietal proefcontacten tussen de man en [X.] te bewerkstelligen en de rechtbank terzake aanvullend te rapporteren en te adviseren.

4.5. Uit het rapport van de raad van 26 mei 2005 komt naar voren dat zich bij [X.] en bij de man geen belemmeringen voordoen tegen inwilliging van het omgangsverzoek van de man en daar naar toe te werken door middel van begeleiding door het Omgangshuis te Goirle. Uit de proefcontacten is duidelijk is geworden dat [X.] een basis heeft met haar vader. Hoewel haar grondhouding ten opzichte van de man demonstratief afwerend, afwijzend en beschuldigend is, zijn haar gezichtsuitdrukking, woorden en handelen niet congruent. [X.] neemt zelf ook initiatief in het contact met de man, toont belangstelling voor hem en heeft op momenten plezier in het contact met hem. Zij lijkt dit, aldus de raad, zichzelf echter niet toe te staan vanuit haar loyaliteit naar de vrouw. De man was tijdens de proefcontracten gericht op [X.] en is goed in staat gebleken aansluiting bij haar te vinden wat betreft leefwereld, niveau en proces. De belemmeringen om tot een omgangsregeling tussen de man en [X.] te komen, worden vooral vanuit de vrouw geconstateerd. Het lukt haar niet om haar negatieve houding ten opzichte van de man voor [X.] te verbergen.

4.6. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 6 september 2005 een aanvullend verzoek gedaan tot vastelling van een informatieregeling waarin de vrouw verplicht is de man twee keer per jaar (voor het begin van de zomervakantie en aan het eind van het jaar) kopieën van de schoolrapporten van [X.] toe te zenden.

4.7. De rechtbank heeft bij beschikking waarvan beroep bepaald dat de vrouw gehouden is om de man op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van [X.], en hierbij tweemaal per jaar, te weten voor het begin van de zomervakantie en voor het einde van het jaar, kopieën van de schoolrapporten van [X.] naar de man te sturen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het informatierecht op grond van art. 8 EVRM ook toekomt aan de vader die het kind niet heeft erkend, maar die wel in een betrekking tot het kind staat die aangemerkt moet worden als ‘family life’. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van ‘family life’ tussen de man en [X.] op de gronden als vermeld in de beschikking van de rechtbank van 4 augustus 2004. De rechtbank heeft daarnaast de behandeling van de zaak aangehouden en partijen verwezen naar Stichting Kompaan te Goirle teneinde omgangscontacten tussen de man en [X.] te begeleiden.

De vrouw kan zich met voornoemde beslissing - voor wat betreft de aan haar opgelegde informatieverplichting - niet verenigen en komt hiertegen op.

4.8. De vrouw stelt dat de man zich meerdere malen agressief en bedreigend naar haar en [X.] heeft gedragen. Zij meent voldoende redenen te hebben om de man geen informatie over [X.] te verstrekken. Volgens haar heeft de man hier ook nooit om gevraagd. De vrouw stelt voorts grote weerstand te hebben tegen omgang tussen de man en [X.], hetgeen zowel bij haar als bij [X.] tot grote spanningen en de daarmee gepaard gaande klachten leidt. De vrouw is hiervoor met [X.] naar een kinder- en jeugdpsychotherapeut geweest. Deze heeft geconcludeerd dat de klachten bij [X.] zijn ontstaan in reactie op spannings- volle ervaringen voor [X.] en toenemende spanningen in de relatie tussen partijen, aldus de vrouw.

De vrouw is voorts van mening dat een wettelijke basis voor het geven van informatie aan de man over [X.] ontbreekt, nu de man geen juridische vader is en ook geen gezag over [X.] heeft. De vrouw betwist dat er sprake is van ‘family life’ tussen de man en [X.]. Volgens haar is het biologische vaderschap van de man en het bestaan van een lat-relatie tussen partijen onvoldoende om aan te nemen dat er ‘family life’ bestaat. Immers niet de man en [X.], maar de man en de vrouw hadden contact met elkaar.

4.9. De man brengt tegen het bovenstaande naar voren dat, nu er weer sprake is van omgang tussen hem en [X.] via Stichting Kompaan, het niet meer dan logisch is dat de man op de hoogte wordt gehouden van de ontwikkelingen van [X.] op school. De man brengt voorts naar voren dat de door de vrouw gestelde klachten van [X.] blijkens de door de vrouw overgelegde brief van de kinder- en jeugdpsychotherapeut, drs. H.W. Kruip, van 12 oktober 2005 weer voorbij zijn. Naar de mening van de man verzetten de belangen van [X.] zich niet tegen het verstrekken van informatie door de vrouw aan hem en heeft zij daar niet onder te lijden. Volgens hem is er wel degelijk sprake van ‘family life’. Hij voert daartoe aan dat ten tijde van de geboorte van [X.] de samenwoning tussen partijen weliswaar verbroken was, maar dat zij gedurende geruime tijd daarna nog een lat-relatie met elkaar hebben gehad. Voorts voert hij aan dat hij altijd veelvuldig langs is geweest bij de vrouw en [X.], dat hij later daarnaast vaak telefonisch contact met [X.] had, dat partijen als ‘gezin’ verschillende malen uitstapjes hebben gemaakt en op vakantie zijn geweest en dat de man bij de doop en de verjaardagen van [X.] aanwezig was. Tenslotte brengt de man nog naar voren dat ook uit het onderzoek van de raad blijkt dat hij erg betrokken is op [X.].

4.10. Het hof overweegt op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen als volgt.

Op grond van art. 1:377b lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden de persoon en het vermogen van het kind betreffende. Vast staat dat de man wel de biologische vader maar niet de juridische vader van [X.] is. Hij heeft [X.] immers niet erkend. Echter ingevolge vaste jurisprudentie (HR 17 december 1993, NJ 1994, 360) heeft de gezagsouder ook een wettelijke informatieplicht jegens de biologische vader in geval van ‘family life’ tussen deze biologische vader en het kind. De enkele omstandigheid van het biologische vaderschap is onvoldoende om ‘family life’ aan te nemen. Hiervoor zal tevens moeten blijken van het bestaan van bijzondere of bijkomende omstandigheden.

Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden aangenomen dat voornoemde omstandigheden aanwezig zijn en dat de man dus ontvankelijk is ten aanzien van zijn verzoek tot vaststelling van een informatieregeling, welke gronden het hof overneemt. De vrouw heeft in haar beroepschrift en ter zitting gesteld dat gedurende de relatie van partijen voornamelijk sprake is geweest van contacten tussen de man en de vrouw en niet tussen de man en [X.]. Het door haar gemaakte overzicht van het contact tussen de man en [X.], overgelegd bij haar verweerschrift in eerste aanleg, bevestigt echter juist de stelling van de man dat er gedurende de relatie van partijen wel degelijk een nauwe band aanwezig was tussen hem en [X.]. Uit dit overzicht blijkt immers dat de man en [X.] gedurende de relatie van partijen en ook nog enige tijd daarna veelvuldig persoonlijk contact met elkaar hebben gehad, soms zelfs dagelijks, en dat partijen samen met [X.] regelmatig als ‘gezin’ uitstapjes hebben gemaakt. De vrouw heeft dit min of meer ook zelf ter zitting erkend door te verklaren dat zij het contact tussen de man en [X.] in eerste instantie toegestaan heeft, omdat dat haar het beste leek voor [X.]. Het hof voegt daar nog aan toe dat de man ter zitting niet dan wel onvoldoende weersproken naar voren heeft gebracht dat [X.] hem als haar vader zag en dat hij haar zeer regelmatig naar bed heeft gebracht. Tenslotte verwijst het hof naar het rapport van de raad van 26 mei 2005, waaruit naar voren komt, hetgeen het hof zwaarwegend acht, dat de man en [X.] een basis met elkaar hebben, waaruit tevens kan worden afgeleid dat de man een grote rol in het leven van [X.] heeft gespeeld.

4.11. Aangezien hiermee vast is komen te staan dat tussen de man en [X.] sprake is van ‘family life’, heeft de man in beginsel recht op informatie van de vrouw omtrent belangrijke aangelegenheden die [X.] betreffen. Dit is alleen anders, indien het belang van [X.] vereist dat het recht van de man op informatie buiten toepassing blijft (art. 1:377b lid 2 BW). De vrouw stelt dat sprake is van ontzegginggronden op grond waarvan er geen omgang tussen de man en [X.] dient te worden vastgesteld en ook geen informatie over [X.] aan de man verstrekt dient te worden. Uit het rapport van de raad van 26 mei 2005 blijkt echter niet van enige belemmeringen vanuit de man of [X.] tegen omgang, laat staan tegen het verstrekken van informatie aan de man over [X.]. Weliswaar komt uit de door de vrouw overgelegde brief van drs. H.W. Kruip, kinder- en jeugdpsychotherapeut, van 12 oktober 2005 naar voren dat de aanmeldingsklachten van [X.] (paniekaanvalletjes met misselijkheid en braakneigingen) zijn ontstaan in reactie op spanningsvolle ervaringen voor [X.] en toenemende spanningen in de relatie tussen partijen, echter in diezelfde brief wordt tevens vermeld dat de klachten door een adequate aanpak verdwenen zijn. Daar komt nog bij dat de door de rechtbank aan de vrouw opgelegde informatieverplichting naar het oordeel van het hof niet bijzonder belastend voor de vrouw genoemd kan worden, aangezien deze voornamelijk bestaat uit het tweemaal per jaar toesturen van schoolrapporten van [X.] aan de man. Nu anderszins evenmin gebleken is dat het belang van [X.] vereist dat het recht van de man op informatie buiten toepassing dient te blijven, is het hof van oordeel dat de rechtbank terecht het verzoek van de man tot vaststelling van een informatieregeling heeft toegewezen.

De vrouw heeft ter zitting aangegeven met name bezwaar te hebben tegen het verstrekken van informatie over de vermogenspositie van [X.], nu de man zelf nooit zijn financiële verantwoordelijkheid ten aanzien van [X.] heeft genomen. De man heeft hierop te kennen gegeven bereid te zijn alsnog deze financiële verantwoordelijkheid op zich te nemen. Voorts heeft hij verklaard dat het hem niet gaat om informatie over het vermogen van [X.], maar om [X.] zelf. Het hof is derhalve van oordeel dat de door de rechtbank vastgestelde informatieregeling niet dient te zien op informatie met betrekking tot de vermogenspositie van [X.].

4.13. Voor wat betreft het verzoek van de man ter zitting om aan de vrouw een dwangsom op te leggen van € 500,- voor iedere keer dat zij haar informatieverplichting jegens de man niet nakomt, overweegt het hof dat de vrouw ter zitting verklaard heeft zich aan de informatieregeling te zullen houden, indien het hof de beschikking van de rechtbank bekrachtigt voorzover de informatieverstrekking de persoon van [X.] betreft. Gelet op deze toezegging acht het hof het niet noodzakelijk om aan de vrouw in dit kader een dwangsom op te leggen. Bovendien kan, als de vrouw haar informatieverplichting ondanks haar toezegging niet nakomt, dit in een later stadium in de procedure bij de rechtbank alsnog aan de orde gesteld worden.

4.14. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen, dient de bestreden beschikking van de rechtbank te worden vernietigd voor wat betreft de verplichting van de vrouw om aan de man informatie te verstrekken met betrekking tot het vermogen van [X.].

4.15. Gelet op de aard van de zaak zal het hof de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen compenseren.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 18 oktober 2005 voorzover daarmee de vrouw verplicht wordt de man informatie te verschaffen met betrekking tot het vermogen van [X.];

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Philips, Van Teeffelen en Van der Linden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 29 maart 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.