Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY8717

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-09-2006
Datum publicatie
25-09-2006
Zaaknummer
C0500369
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant is op 14 mei 1984 bij de BV als liftmonteur in dienst getreden. Diezelfde dag is appellant op het werk een ongeval overkomen, waardoor hij blijvend letsel heeft opgelopen. [appellant] heeft [geïntimeerde] bij exploot van 5 oktober 1995 gedagvaard voor de kantonrechter te 's-Gravenhage en vergoeding van zijn schade gevorderd. Na een tussenvonnis van 29 januari 1997 (prod. 1 mvg) heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 7 februari 2001 (prod. 1 inleidende dagvaarding) voor recht verklaard dat [geïntimeerde] met betrekking tot het ongeval van [appellant] is tekort geschoten in haar verplichtingen ex art. 7A:1638x lid 1 BW (oud), de vordering van [appellant] deels toegewezen en [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling aan [appellant] van de navolgende bedragen:

a. f 11.753,45 netto kosten

b. f 70.338,51 bruto loonderving

c. f 85.000,-- smartengeld

d. f 13.832,50 kosten rechtsbijstand.

De rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 26 november 2003 (prod. 3 inleidende dagvaarding) in hoger beroep geoordeeld dat de posten loondervingschade, immateriële schade, en een aantal onkostenposten waren verjaard. De rechtbank heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd met uitzondering van de verklaring voor recht, de post hierboven genoemd onder d, en de proceskostenveroordeling ten laste van [geïntimeerde], en de rechtbank heeft terzake van "kosten Nederlands Rekencentrum Letselschade" (NRL) aan [appellant] een bedrag toegewezen van f 13.526,60

(E. 6.138,10), waarmee [appellant] zijn vordering in appel had vermeerderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. JP

rolnr. C0500369/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 5 september 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats], gemeente [naam],

appellant bij exploot van dagvaarding van 2 maart 2005,

procureur: mr. J.E. Benner,

tegen:

de besloten vennootschap [GEÏNTIMEERDE],

gevestigd te [plaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Maastricht gewezen vonnis van 19 januari 2005 tussen appellant - [naam] - als gedaagde en geïntimeerde - [naam] - als eiseres.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 94495/HA ZA 04775)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar de beschikking van 22 september 2004 waarbij een comparitie van partijen werd gelast.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van producties zes grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot het alsnog afwijzen van de vordering van [geïntimeerde] en primair [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van E. 145.039,15, zijnde het bedrag dat [appellant] ingevolge het vonnis in eerste aanleg aan [geïntimeerde] heeft moeten betalen, met rente vanaf 1 april 2005, subsidiair [geïntimeerde] te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen [appellant] in maart 2005 aan [geïntimeerde] heeft betaald, zijnde E. 51.379,47 met rente vanaf 1 april 2005, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten van beide instanties, alles uitvoerbaar bij voorraad.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde], eveneens onder overlegging van producties, de grieven bestreden.

2.3. Vervolgens is de zaak ter zitting van het hof van

15 juni 2006 mondeling bepleit. Daarbij is voor [appellant] het woord gevoerd door mr A. Knigge en voor [geïntimeerde] door

mr C.A.J. Hoek, beiden aan de hand van pleitnotities die deel uitmaken van het dossier.

2.4. Partijen hebben tenslotte de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Grief 1 houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat toen [geïntimeerde] in juli 2001 aan [appellant]

f 218.776,32 betaalde, deze vordering van [appellant] een natuurlijke verbintenis was; dat was toen nog een volkomen verbintenis.

Grief 2 houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat slechts als een schuldenaar vrijwillig heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis, het betaalde niet als onverschuldigd betaald kan worden teruggevorderd. Ook ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] heeft toegegeven dat [geïntimeerde] heeft betaald omdat zij daartoe was veroordeeld.

Grief 3 is gericht tegen de afwijzing van het verweer van [appellant] dat [geïntimeerde] haar beroep op verjaring heeft prijsgegeven. [appellant] beroept zich in dat verband op rechtsverwerking, strijd met de goede procesorde en onaanvaardbaarheid naar redelijkheid en billijkheid.

De vierde grief betreft het oordeel van de rechtbank dat het vonnis van de kantonrechter van 7 februari 2001 is vernietigd en dat de rechtsgrond is ontvallen aan hetgeen [geïntimeerde] ter uitvoering daarvan heeft betaald.

De grieven 5 en 6 worden subsidiair aangevoerd - namelijk voor het geval het hof oordeelt dat [geïntimeerde] onverschuldigd heeft betaald - en zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] f 218.776,32 (E. 99.276,39) aan [geïntimeerde] dient terug te betalen, en tegen de toewijzing van wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 november 1998.

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.1.1. [appellant] is op 14 mei 1984 bij [geïntimeerde] als liftmonteur in dienst getreden. Diezelfde dag is [appellant] op het werk een ongeval overkomen, waardoor hij blijvend letsel heeft opgelopen. [appellant] heeft [geïntimeerde] bij exploot van 5 oktober 1995 gedagvaard voor de kantonrechter te 's-Gravenhage en vergoeding van zijn schade gevorderd. Na een tussenvonnis van 29 januari 1997 (prod. 1 mvg) heeft de kantonrechter bij eindvonnis van 7 februari 2001 (prod. 1 inleidende dagvaarding) voor recht verklaard dat [geïntimeerde] met betrekking tot het ongeval van [appellant] is tekort geschoten in haar verplichtingen ex art. 7A:1638x lid 1 BW (oud), de vordering van [appellant] deels toegewezen en [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling aan [appellant] van de navolgende bedragen:

a. f 11.753,45 netto kosten

b. f 70.338,51 bruto loonderving

c. f 85.000,-- smartengeld

d. f 13.832,50 kosten rechtsbijstand,

met wettelijke rente en veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

[appellant] heeft van dat vonnis hoger beroep ingesteld en [geïntimeerde] incidenteel hoger beroep. Bij memorie van antwoord/incidenteel appel van 20 november 2001 heeft [geïntimeerde] zich op verjaring beroepen.

De rechtbank te 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 26 november 2003 (prod. 3 inleidende dagvaarding) in hoger beroep geoordeeld dat de posten loondervingschade, immateriële schade, en een aantal onkostenposten waren verjaard. De rechtbank heeft het vonnis van de kantonrechter vernietigd met uitzondering van de verklaring voor recht, de post hierboven genoemd onder d, en de proceskostenveroordeling ten laste van [geïntimeerde], en de rechtbank heeft terzake van "kosten Nederlands Rekencentrum Letselschade" (NRL) aan [appellant] een bedrag toegewezen van f 13.526,60

(E. 6.138,10), waarmee [appellant] zijn vordering in appel had vermeerderd.

4.1.2. [appellant] heeft ter verzekering van zijn vordering ten laste van [geïntimeerde] conservatoir beslag gelegd op de bankrekening van [geïntimeerde]. Het beslag is opgeheven tegen het stellen door [geïntimeerde] van een bankgarantie op 26 oktober 1998.

4.1.3. De raadsman van [geïntimeerde] heeft aan de (eerste) raadsman van [appellant] [naam raadsman 1] bij brief van 5 november 1997 (prod. 1 mva) laten weten:

"Ik heb u al aangegeven dat in een Hoger Beroepsprocedure mijn cliënte zich op verjaring zal beroepen."

Bij faxbrief van 3 mei 2001 (prod. 2 mva) heeft de raadsman van [geïntimeerde] aan deze raadsman van [appellant] geschreven:

"Ik bericht u dat mijn cliënte besloten heeft hoger beroep in te stellen........U heeft gelijk waar u stelt dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Mijn cliënte zal dan ook moeten betalen. Ik vraag mij evenwel af of, nu u weet dat mijn cliënte in beroep komt, u alsnog betaling op dit moment wenst. Reden voor deze vraag is dat, mocht in hoger beroep het vonnis van de Kantonrechter vernietigd worden (bijvoorbeeld op grond van verjaring van de vordering) uw cliënt het bedrag zal dienen terug te betalen... .......Ik verneem daarom gaarne of uw cliënt nog steeds op dit moment betaling nastreeft.....Mocht dit inderdaad het geval zijn, gaat mijn cliënte ervan uit dat de bankgarantie die destijds gesteld werd teniet zal worden gedaan."

Omstreeks 15 juli 2001 heeft [geïntimeerde] aan [appellant] een bedrag van f 218.776,37 (E. 99.276,39) betaald.

4.1.4. Nadat in hoger beroep het vonnis van 26 november 2003 was gewezen heeft [geïntimeerde] aan [appellant] gevraagd om terugbetaling van het bedrag dat zij aan [appellant] had betaald. Omdat [appellant] dat weigerde heeft [geïntimeerde] door deurwaarder [naam] op 22 maart 2004 het vonnis van de rechtbank en dat van de kantonrechter laten betekenen met bevel tot terugbetaling van E. 99.276,39 met wettelijke rente vanaf 1 november 1998. Omdat de (tweede) raadsman van [appellant] (mr Bots) zich tegen die terugbetaling verzette op grond dat die vonnissen alleen een titel opleverden voor tenuitvoerlegging van de proceskostenveroordeling ten laste van [appellant] (vgl. prod. 4 inleidende dagvaarding), heeft [geïntimeerde] haar executiemaatregelen uiteindelijk gestaakt en heeft zij [appellant] in de onderhavige procedure bij exploot van 2 juli 2004 gedagvaard tot terugbetaling van

E. 99.276,39 met wettelijke rente vanaf 1 november 1998.

4.1.5. In het vonnis van 19 januari 2005, waarvan thans beroep, heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en [appellant] in de proceskosten veroordeeld. [geïntimeerde] heeft het vonnis aan [appellant] laten betekenen en executoriaal beslag onder [appellant] gelegd.

[appellant] heeft vervolgens aan [geïntimeerde] omstreeks 17 maart 2005 een bedrag van E. 145.000,--, inclusief rente, terugbetaald. Op dit ronde bedrag waren partijen uitgekomen nadat verschil van mening was ontstaan over het exacte rentebedrag. Bij faxbrief van 16 maart 2005 (prod. 5 mva) heeft de toenmalige raadsman van [appellant] (mr Bots) aan [geïntimeerde] bericht:

"Wij spraken af dat u namens [geïntimeerde] voorlopig genoegen neemt met een bedrag van E. 145.000,--. Hoort u niets meer van mij dan is men akkoord."

Het bedrag van E. 145.000,-- is aan [appellant] voor de terugbetaling aan [geïntimeerde] ter beschikking gesteld ten titel van geldlening door Delta Lloyd, de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van de eerste raadsman van [appellant], [raadsman 1], die door [appellant] aansprakelijk is gesteld wegens het niet tijdig stuiten van de verjaring van de vordering van [appellant] op [geïntimeerde].

4.2. In het vonnis, waarvan thans beroep, heeft de rechtbank geoordeeld dat het verweer van [appellant], inhoudend dat hetgeen is betaald op grond van een verjaarde verbintenis niet kan worden teruggevorderd omdat daarmee is voldaan aan een natuurlijke verbintenis, niet geldt indien - zoals in dit geval - de betaling is verricht op grond van een executabel vonnis en aldus gedwongen is betaald. Ook het verweer van [appellant] dat hij er op grond van de proceshouding van [geïntimeerde] van uit mocht gaan dat [geïntimeerde] geen terugbetaling zou vorderen van hetgeen zij betaald had, is door de rechtbank verworpen.

4.3. Bij gelegenheid van het pleidooi ten overstaan van het hof heeft [appellant] zijn verweer uitgebreid met een subsidiaire stelling, inhoudende een beroep op verrekening van de in geding zijnde vordering van [geïntimeerde] tot terugbetaling, met de (verjaarde) vordering van [appellant] op [geïntimeerde] wegens schade ten gevolge van het arbeidsongeval.

[geïntimeerde] heeft dit beroep weersproken.

4.4. Het hof oordeelt als volgt.

4.4.1. De stelling dat [appellant] geen belang heeft bij deze procedure (zodat hij, begrijpt het hof, niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard in zijn terugbetalingsvordering) wordt verworpen. [geïntimeerde] heeft niet weersproken dat Delta Lloyd aan [appellant] het bedrag dat hij [geïntimeerde] heeft betaald, ten titel van geldlening heeft verstrekt, zodat [appellant] reeds daarom belang heeft bij de uitslag van deze procedure.

4.4.2. Allereerst stelt het hof vast dat [geïntimeerde] in rechte niet eerder dan bij memorie van antwoord/incidenteel appel van 20 november 2001 in de procedure die leidde tot het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 26 november 2003 (hierna te noemen: de schadeprocedure) een beroep op verjaring heeft gedaan. Daarnaast staat vast dat [appellant] er al veel eerder, in elk geval vanaf de hierboven in r.o. 4.1.3 genoemde brief van 5 november 1997, van op de hoogte was dat [geïntimeerde] het standpunt innam dat de vordering van [appellant] was verjaard en dat zij dat ook in rechte zou gaan bepleiten.

4.4.3. [geïntimeerde] heeft aan [appellant] betaald omstreeks 15 juli 2001, daartoe gedwongen door de dreiging met executie door [appellant] van het bij voorraad uitvoerbaar verklaarde vonnis van de kantonrechter van 7 februari 2001 (vgl. de brief van [raadsman 1] van 3 mei 2001). [geïntimeerde] voldeed toen aan een opeisbare en door het vonnis van de kantonrechter afdwingbaar geworden verbintenis. Van verjaring was op dat moment van betaling nog geen sprake: zolang geen beroep op verjaring is gedaan blijft de verbintenis immers in stand (vgl. art. 3:322 BW).

Er is mitsdien geen sprake van dat [geïntimeerde] heeft voldaan aan een niet afdwingbare, natuurlijke verbintenis, waarvan zij naderhand geen terugbetaling, op grond van het ontbreken van een rechtsgrond voor die betaling, zou kunnen vorderen.

Door de (gedeeltelijke) vernietiging van het vonnis van de kantonrechter in hoger beroep is vervolgens de rechtsgrond aan (een groot deel van de posten van) hetgeen ter uitvoering van dat vonnis is betaald, komen te ontvallen. Aan [geïntimeerde] komt derhalve op grond van art. 6:203 lid 3 BW (in zoverre) een vordering tot ongedaanmaking van die betaling toe (HR 19 februari 1999, NJ 1999, 367).

De omstandigheid dat de kantonrechter de verklaring voor recht dat [geïntimeerde] jegens [appellant] in haar zorgplicht tekort is geschoten, in stand heeft gelaten, leidt niet tot een ander oordeel aangezien die (op zichzelf niet noodzakelijke, maar nu eenmaal gevorderde) constatering nog diende ter ondersteuning van de nog in stand gelaten, en in hoger beroep alsnog toegewezen, schadeposten van [appellant]. Op die grond berust eveneens de, niet vernietigde, veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

De vierde grief van [appellant] wordt op deze grond verworpen.

4.4.4. De eerste grief van [appellant] berust op een onjuiste lezing van het vonnis van 19 januari 2005. De rechtbank heeft in r.o. 3.1 niet aangenomen dat [geïntimeerde] in juli 2001 voldeed aan een natuurlijke verbintenis, maar zij heeft juist overwogen dat er geen sprake van is dat [geïntimeerde] voldeed aan een natuurlijke verbintenis. [appellant] stelt zich terecht op het standpunt dat er, toen [geïntimeerde] betaalde in juli 2001, sprake was van een volkomen verbintenis, maar hij verbindt daaraan een onjuiste conclusie, zoals blijkt uit hetgeen het hof hiervoor in r.o. 4.4.2 heeft overwogen. Deze grief kan derhalve niet leiden tot vernietiging van het vonnis, waarvan beroep.

4.4.5. Ook in de tweede grief wordt een overweging van de rechtbank aangevallen die de rechtbank zo niet heeft gegeven. De rechtbank heeft niet overwogen dat "slechts als een schuldenaar vrijwillig heeft voldaan aan een natuurlijke verbintenis, het betaalde niet op grond van onverschuldigde betaling kan worden teruggevorderd." De rechtbank heeft slechts overwogen dat [geïntimeerde] niet vrijwillig heeft betaald op grond van een dringende verplichting van moraal en fatsoen. Die overweging is op zichzelf niet onjuist, hoewel [appellant] in dit geval niet het oog heeft op die categorie natuurlijke verbintenissen (art. 6:3 lid 2 sub b BW), maar op die genoemd in art. 6:3 lid 2 sub a BW, zodat deze overweging op zichzelf nog niet redengevend is voor de verwerping van het verweer van [appellant].

Of [appellant] al dan niet heeft toegegeven dat [geïntimeerde] betaalde omdat zij daartoe was veroordeeld - zoals [appellant] ook aanvoert bij grief 2 - doet niet terzake, nu, zoals reeds overwogen, uit de in r.o. 4.1.3 geciteerde brief van de raadsman van [geïntimeerde] van 3 mei 2001 duidelijk blijkt dat [geïntimeerde] uitsluitend betaalde omdat zij bij uitvoerbaar verklaard vonnis van de kantonrechter daartoe was veroordeeld en [appellant] op executie van dat vonnis aanstuurde.

Ook deze grief moet mitsdien worden verworpen.

4.4.6. Het hof verwerpt ook het standpunt dat [appellant] in zijn derde grief verdedigt.

Uit de eerder genoemde, in r.o. 4.1.3 geciteerde brieven van de raadsman van [geïntimeerde] heeft [geïntimeerde] overduidelijk aan [appellant] laten weten dat zij zich in hoger beroep alsnog op verjaring zou gaan beroepen. De omstandigheid dat zij dat in rechte in de procedure bij de kantonrechter niet heeft gedaan, brengt niet mee dat zij het recht om dat in hoger beroep alsnog te doen, zou hebben verwerkt. Hoger beroep dient er immers onder meer toe om eigen fouten of omissies uit de eerste aanleg te herstellen. Evenmin is het in strijd met de goede procesorde of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [geïntimeerde] zich in hoger beroep alsnog op verjaring heeft beroepen en, nu het vonnis van de kantonrechter als gevolg daarvan (ten dele) is vernietigd, terugbetaling verlangt van hetgeen zij ingevolge (het vernietigde deel van) het vonnis heeft voldaan.

4.5. Wat betreft het beroep van [appellant] op verrekening overweegt het hof dat dat niet opgaat, aangezien niet voldaan is aan de voorwaarde (art. 6:127 lid 2 BW) dat [appellant] bevoegd moet zijn tot het afdwingen van de betaling van zijn vordering. De uitzonderingsbepaling van art. 6:131 lid 1 BW is hier immers niet van toepassing omdat daarvoor vereist is dat de bevoegdheid tot verrekening aanwezig is op het moment dat de verjaring wordt voltooid. Daarvan is hier geen sprake.

4.6. Het hof komt thans toe aan beoordeling van de subsidiair voorgedragen grieven 5 en 6. Deze grieven slagen.

4.6.1. De rechtbank 's-Gravenhage heeft het vonnis van de kantonrechter niet vernietigd voor wat betreft de door [geïntimeerde] aan [appellant] te betalen posten rechtsbijstand

(f 13.832,50) en proceskosten (f 24.389,75). Voor zover [appellant] deze bedragen aan [geïntimeerde] heeft terugbetaald, is dat mitsdien ten onrechte geschied. Tevens heeft [appellant] doordat hij teveel aan [geïntimeerde] heeft terugbetaald, een te hoog bedrag aan wettelijke rente betaald. Tenslotte heeft de rechtbank de vermeerderde eis van [appellant] tot betaling van de kosten NRL ad f 13.526,60 toegewezen.

4.6.2. Wat betreft de wettelijke rente overweegt het hof het volgende.

Uit het feit dat partijen het er na het vonnis, waarvan beroep, over eens zijn geworden (brieven mr Bots van

16 maart 2005, prods. 5 en 6 bij mva) dat [appellant] aan [geïntimeerde] een afgerond bedrag van f 145.000,-- zou terugbetalen, kan niet worden afgeleid dat [appellant] ervan afzag daarvan nog enig bedrag van [geïntimeerde] terug te vorderen noch dat partijen het er over eens waren dat onder alle omstandigheden de wettelijke rente berekend zou worden vanaf 1 november 1998 en dat het [appellant] niet meer zou vrijstaan om daartegen een grief aan te voeren. Wettelijke rente betreft schadevergoeding die is verschuldigd wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom (art. 6:119 lid 1 BW). Daaronder vallen niet de kosten en/of de rentebedragen die de bank aan [geïntimeerde] in rekening heeft gebracht wegens het per 1 november 1998 stellen van een bankgarantie. [appellant] is aan [geïntimeerde] wettelijke rente verschuldigd vanaf de datum dat [geïntimeerde] hem daadwerkelijk heeft betaald: 15 juli 2001.

Evenzo is [geïntimeerde] aan [appellant] wettelijke rente verschuldigd over het teveel terugbetaalde bedrag vanaf het moment dat [appellant] aan [geïntimeerde] daadwerkelijk heeft betaald, waarvoor [appellant] als ingangsdatum onweersproken heeft gevorderd 1 april 2005.

4.6.3. Een en ander leidt tot de navolgende berekening.

- [geïntimeerde] heeft betaald aan [appellant] op 15 juli 2001

f 218.776,37 (E. 99.276,39);

- [appellant] heeft na het vonnis, waarvan beroep, aan [geïntimeerde] dit bedrag met de wettelijke rente daarover vanaf

1 november 1998, terugbetaald op 17 maart 2003; partijen zijn het erover eens dat dat bedrag beloopt E. 145.000,-- ;

- Ingevolge vonnissen van 7 februari 2001 en 26 november 2003 bleef [geïntimeerde] echter aan [appellant] verschuldigd:

* rechtsbijstand f 13.832,50

* proceskosten f 24.389,75

* NRL f 13.526,60

totaal f 51.748,85 (E. 23.482,60);

- Van de vordering van [geïntimeerde] is dus niet E. 99.276,39 met de wettelijke rente vanaf 1 november 1998 toewijsbaar maar slechts E. 75.793,79 met de wettelijke rente vanaf 15 juli 2001;

- [geïntimeerde] dient derhalve aan [appellant] alsnog te betalen een bedrag van E. 23.482,60 alsmede de wettelijke rente over

E. 23.482,60 van 1 november 1998 tot 15 juli 2001, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 april 2005.

4.7. Het vonnis, waarvan beroep, zal mitsdien worden vernietigd en de vordering van [geïntimeerde] zal alsnog in de zojuist aangegeven beperkte omvang - in de vorm van een terugbetalingsverplichting van [geïntimeerde] aan [appellant] van hetgeen [appellant] haar ingevolge het te vernietigen vonnis teveel heeft terugbetaald - worden toegewezen.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep tussen partijen compenseren in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt, nu partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld. In eerste aanleg zal het hof de proceskostenveroordeling ten laste van [appellant] in stand laten nu [geïntimeerde] op zichzelf terecht bedragen van [appellant] heeft teruggevorderd.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, echter met uitzondering van de proceskostenveroordeling ten laste van [appellant], en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verstaat dat van de vordering van [geïntimeerde] toewijsbaar is een bedrag van E. 75.793,79 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 juli 2001;

veroordeelt [geïntimeerde] - nu [appellant] aan [geïntimeerde] ingevolge het thans vernietigde vonnis teveel heeft terugbetaald - tot betaling aan [appellant] van een bedrag van E. 23.482,60 alsmede een bedrag gelijk aan de wettelijke rente over E. 23.482,60 van 1 november 1998 tot 15 juli 2001, beide bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2005 tot de dag der algehele voldoening;

compenseert tussen partijen de kosten van de procedure in hoger beroep aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-van Dijken,

De Klerk-Leenen en F. Vermeulen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op

5 september 2006.