Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY8713

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-09-2006
Datum publicatie
25-09-2006
Zaaknummer
C0500217
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

[appellant] heeft op 6 juli 2003 schade veroorzaakt aan de auto van [geïntimeerde] (een Toyota Celica, [kentekennummer]) door een paar maal hard tegen de zijkant van de auto te trappen. Daarvoor is [appellant] bij vonnis van 17 november 2003 door de kinderrechter strafrechtelijk veroordeeld tot een werkstraf van 30 uur (prod. 2 inleidende dagvaarding). De vordering van [geïntimeerde] als benadeelde partij is daarbij afgewezen omdat deze naar het oordeel van de kinderrechter niet van zo eenvoudige aard was dat deze zich leende voor behandeling in het strafgeding. Na aanvankelijk te zijn uitgegaan van een (ongedateerde) reparatieopgave van [garage] te [plaats] betreffende de Toyota (prod.3 inleidende dagvaarding) ten bedrage van E. 3.609,93, heeft [geïntimeerde] zijn schade uiteindelijk gesteld op E. 2.292,84 incl. BTW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. MdL

rolnr. C0500217/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 5 september 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant bij exploot van dagvaarding van 2 februari 2005,

procureur: mr. R.J.A. Slag,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. R.J.H. van den Dungen,

op het hoger beroep van het door de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Roermond gewezen vonnis van 9 november 2004 tussen appellant - [naam] - als gedaagde en geïntimeerde - [naam] - als eiser.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 127834\ CV EXPL 04-2332)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot afwijzing van de vordering van [geïntimeerde] met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, zulks uitvoerbaar bij voorraad.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden.

2.3. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Grief 1 houdt in dat de rechtbank (lees: kantonrechter, hof) ten onrechte de schade op E. 2.292,84 heeft bepaald.

Grief 2 betreft het door de kantonrechter afgewezen verzoek van [appellant] om een schade-expert in te schakelen.

In grief 3 maakt [appellant] bezwaar tegen toewijzing van de hoofdvordering van [geïntimeerde].

4. De beoordeling

4.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

[appellant] heeft op 6 juli 2003 schade veroorzaakt aan de auto van [geïntimeerde] (een Toyota Celica, [kentekennummer]) door een paar maal hard tegen de zijkant van de auto te trappen. Daarvoor is [appellant] bij vonnis van 17 november 2003 door de kinderrechter strafrechtelijk veroordeeld tot een werkstraf van 30 uur (prod. 2 inleidende dagvaarding). De vordering van [geïntimeerde] als benadeelde partij is daarbij afgewezen omdat deze naar het oordeel van de kinderrechter niet van zo eenvoudige aard was dat deze zich leende voor behandeling in het strafgeding. Na aanvankelijk te zijn uitgegaan van een (ongedateerde) reparatieopgave van [garage] te [plaats] betreffende de Toyota (prod.3 inleidende dagvaarding) ten bedrage van E. 3.609,93, heeft [geïntimeerde] zijn schade uiteindelijk gesteld op E. 2.292,84 incl. BTW, gespecificeerd als volgt (prod. 7 inleidende dagvaarding):

- onderdelen E. 263,14

- deur (tweedehands) E. 200,--

- [autoschadebedrijf] E. 1.642,20

- eigen uren (15 x E. 12,50) E. 187,50

totaal E. 2.292,84

Partijen hebben van november 2003 tot april 2004 onderhandeld over een minnelijke afdoening van de schade, maar zijn niet tot overeenstemming gekomen.

[appellant] heeft een offerte overgelegd van spuiterij Be-Jo vof te Kelpen-Oler terzake herstel van de schade aan de Toyota ten bedrag van E. 357,-- incl. BTW.

4.2. [geïntimeerde] heeft [appellant] gedagvaard voor de kantonrechter te Roermond en betaling gevorderd van voormeld schadebedrag van E. 2.292,84, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 6 juli 2003 en met een bedrag van E. 408,-- aan buitengerechtelijke incassokosten.

4.3. De kantonrechter heeft in het vonnis, waarvan beroep, geoordeeld dat [geïntimeerde] zijn schade voldoende heeft geadstrueerd om het bedrag op de voet van art. 6:97 BW op E. 2.292,84 te bepalen, en dat [appellant] onvoldoende tegenbewijs heeft aangeboden. De hoofdvordering en de niet weersproken nevenvorderingen zijn aldus toegewezen.

4.4.1. Met zijn eerste grief maakt [appellant] bezwaar tegen de rekening van het [autoschadebedrijf] van E. 1.642,20. Hij stelt dat deze kosten niet in verhouding staan tot de geleden schade en dat de beschadigingen in het linkerachterscherm geen gevolg zijn van de trappen van [appellant]. Gelet op de offerte van Be-Jo had de kantonrechter niet zonder meer van deze rekening mogen uitgaan, aldus [appellant].

4.4.2. Deze grief moet worden verworpen.

[appellant] heeft in elk geval erkend dat hij twee keer tegen de auto heeft getrapt. Deze trappen kunnen, mede gelet op de overgelegde foto's, de schade zonder meer hebben veroorzaakt. Een vergelijking met de offerte van Be-Jo gaat niet op nu het daar slechts een offerte betreft en geen rekening na reparatie, zoals van [autoschadebedrijf], terwijl bovendien door [appellant] niet gesteld is - en het hof het niet zeer waarschijnlijk acht - dat Be-Jo de betreffende auto daadwerkelijk heeft gezien alvorens de offerte werd opgesteld.

4.5. Het in grief 2 door [appellant] gedane verzoek om een onderzoek door een schade-expert te laten verrichten wijst het hof af, nu [appellant] tegen de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte, met stukken onderbouwde schade-opstelling, geen steekhoudende verweren heeft ingebracht zodat er geen enkele aanleiding is voor een nader onderzoek.

4.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen vloeit voort dat ook de derde grief, waarin geen zelfstandige bezwaren tegen het vonnis naar voren worden gebracht, faalt.

4.7. Dat brengt mee dat het vonnis, waarvan beroep, zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

5. De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis, waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen en begroot op E. 244,-- voor verschotten en E. 632,-- voor salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-van Dijken, Huijbers-Koopman en De Klerk-Leenen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 5 september 2006.