Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY8466

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-09-2006
Datum publicatie
20-09-2006
Zaaknummer
20-000802-06
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMAA:2006:AV1853, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kofferbakmoord; eis advocaat-generaal 18 jaar gevangenisstraf; hof acht opgelegde gevangenisstraf van 13 jaren, met aftrek, passend en geboden; hof bevestigt vonnis rechtbank met uitgebreide strafmaatoverweging; hoewel de verdachte en zijn mededaders allen in juridische zin als “medeplegers” van de moord moeten worden aangemerkt, acht het hof een individuele differentiatie van de toepasselijke strafmaat naar gelang ieders rol bij de gewelddadige dood op haar plaats.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289, geldigheid: 2006-09-20
Wetboek van Strafrecht 47, geldigheid: 2006-09-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 20-000802-06

Uitspraak: 20 september 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Maastricht van

15 februari 2006 in de strafzaak met parketnummer 03-008224-04 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,

thans verblijvende in PI Limburg Zuid - Gev. De Geerhorst te Sittard.

Hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het gerechtshof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen, behoudens ten aanzien van de opgelegde gevangenisstraf en de verdachte in de plaats daarvan zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, behalve voor wat betreft de beslissing tot teruggave aan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven briefje.

Het hof zal zich, nu de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van dat briefje, alsmede van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven dop van een jerrycan, van een beslissing omtrent genoemde in beslag genomen voorwerpen onthouden.

Met betrekking tot de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf overweegt het hof als volgt.

Anders dan de advocaat-generaal en de verdediging acht het hof de door de eerste rechter aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, passend en geboden, gezien de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en gelet op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, alsmede gelet op de persoon van de verdachte, voor zover een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde overweegt het hof, mede in navolging van de eerste rechter, nog het volgende.

De verdachte is, samen met anderen, verantwoordelijk voor de gewelddadige dood van

[slachtoffer], die werd voorafgegaan door een periode van kalm beraad en rustig overleg. De verdachte valt te verwijten dat hij, nadat hij door [betrokkene 1] namens [mededader 1] was benaderd met de vraag of hij iemand wist die de ex-partner van [mededader 1] - om het leven kon brengen, niet onmiddellijk te kennen heeft gegeven dat hij zich met dit soort zaken niet bezig houdt. In

de plaats daarvan heeft de verdachte de mogelijkheid opengelaten dat hij “iemand” zou aanbrengen die de moord op [slachtoffer] zou kunnen plegen. Uiteindelijk heeft de verdachte,

na enige zakelijke onderhandelingen, zich bereid getoond zelf [slachtoffer] tegen betaling van

EUR 15.000,00 van het leven te beroven. Reeds in het algemeen dient “moord” te worden beschouwd als één van de meest ernstige misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht.

Het hof rekent het, evenals de eerste rechter, de verdachte bovendien zwaar aan dat hij zich uitsluitend uit financiële overwegingen heeft ingelaten met de boosaardige plannen van zijn mededaders en dat hij gedurende een relatief lange periode persoonlijk betrokken is geweest bij het beramen en uitwerken van de plannen omtrent de wijze waarop en de plaats waar [slachtoffer] om het leven gebracht zou worden. Gedurende deze periode heeft de verdachte ruimschoots de gelegenheid gehad terug te treden en van de uitvoering van de moordplannen af te zien. De verdachte heeft hiervan echter geen gebruik gemaakt, zelfs niet nadat op

10 maart 2003 het plan om [slachtoffer] in Duitsland van het leven te beroven was mislukt, doordat de opdrachtgeefster van de moord op [slachtoffer] er niet in was geslaagd hem naar de tevoren afgesproken plaats te lokken. In tegendeel: vrijwel onmiddellijk daarna beraamden de verdachte en zijn mededaders het plan om [slachtoffer] op 12 maart 2003 in zijn woning van het leven te beroven. Nadat dat plan op het laatste moment nog werd gewijzigd, werd opnieuw afgesproken dat [mededader 1] [slachtoffer] naar een door de verdachte uitgezochte afgelegen plaats zou lokken en dat de verdachte hem daar zou opwachten en doodschieten. Op de avond van 12 maart 2003 had de verdachte in zijn auto - de in beslag genomen groene Audi A4, voorzien van het Belgische kenteken BVZ 291 - vanuit België vuurwapens, tie-rips, latex handschoenen en een jerrycan met brandbare vloeistof meegenomen, terwijl hij en zijn mededader [mededader 2] hun mobiele telefoons in België hadden achtergelaten. Met genoemde auto is de verdachte vervolgens met [mededader 2] en [mededader 1] naar de afgesproken plaats gereden. Daar aangekomen is [slachtoffer] op slinkse wijze door [mededader 1] daar naar toe gelokt met de smoes dat zij motorpech had. De verdachte heeft zich vervolgens schuil gehouden totdat [slachtoffer] zich onder de motorkap van de auto had gebogen om de gefingeerde motorproblemen op te lossen. Op dat moment is de verdachte uit zijn schuilplaats te voorschijn gekomen en heeft hij met een speciaal voor de moord op [slachtoffer] aangeschaft vuurwapen enkele malen op [slachtoffer] geschoten. Omdat dat wapen ketste heeft de verdachte vervolgens een tweede vuurwapen, waarmee hij de schietsport beoefende en dat hij voor de zekerheid had meegenomen, ter hand genomen en ook daarmee heeft de verdachte geschoten op [slachtoffer], die op dat moment wegvluchtte. Nadat [slachtoffer] was geraakt en op de grond was gevallen is de verdachte naar [slachtoffer] gelopen. De verdachte heeft toen met een zeker fataal nekschot een einde aan diens leven gemaakt.

Vervolgens heeft de verdachte getracht de sporen van het misdrijf weg te maken. Volgens een tevoren bedacht plan heeft de verdachte het lichaam van [slachtoffer] in de kofferbak van diens auto gelegd en is hij met die auto naar een andere afgelegen plaats gereden, waar hij de auto van [slachtoffer], met in de kofferbak diens lichaam, in brand heeft gestoken met genoemde brandbare vloeistof.

Aansluitend is de verdachte, nadat hij zich thuis had omgekleed, met zijn mededader [mededader 2] naar een café in zijn woonplaats gegaan teneinde zich een alibi te verschaffen. De volgende dag heeft de verdachte op de plaats van de moord op [slachtoffer] nog gezocht naar mogelijke sporen en deze weggemaakt. Ook heeft de verdachte de kleding en schoenen die hij ten tijde van de moord op [slachtoffer] had gedragen, weggemaakt.

Met de eerste rechter neemt het hof bij de straftoemeting voorts in aanmerking dat de moord op [slachtoffer] grote maatschappelijke onrust heeft veroorzaakt - en dat de wijze waarop de verdachte heeft getracht de sporen van zijn daad uit te wissen afgrijzen wekt -, alsmede dat door het gewelddadig overlijden van [slachtoffer] aan diens nabestaanden veel leed is toegebracht en dat diens jonge kinderen van hun vader zijn beroofd.

Anderzijds houdt het hof, evenals de eerste rechter, bij de straftoemeting rekening met het gegeven dat de verdachte blijkens het hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie nog niet eerder met politie of justitie in aanraking was gekomen en voorts met de omstandigheid dat het bewezen verklaarde de verdachte slechts in licht verminderde mate kan worden toegerekend.

Met betrekking tot de door de advocaat-generaal, in navolging van het schriftelijk requisitoir

van de officier van justitie, aan de in hoger beroep gevorderde gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren ten grondslag gelegde argumenten, dat de verdachte uiterst koelbloedig te werk

is gegaan en zich uitsluitend door financiële motieven tot een huurmoord heeft laten verleiden, overweegt het hof als volgt.

Hoewel de gedragingen van de verdachte voor, tijdens en na de fatale schietpartij blijk geven van een hoge mate van doelgerichtheid en koelbloedigheid, kijkt het hof op grond van het onderzoek ter terechtzitting anders tegen het handelen van de verdachte aan dan de beide vertegenwoordigers van het openbaar ministerie. Uit het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof namelijk, meer in het bijzonder, de indruk gekregen dat de verdachte, zoals hij heeft verklaard, wel degelijk heeft gezocht naar een uitweg om de afgesproken moord op [slachtoffer], waarvoor hij al betaald had gekregen, uiteindelijk niet te hoeven plegen. Het hof noemt hier specifiek de poging van de verdachte om aan de uitvoering van de moord op [slachtoffer] op

12 maart 2003 te ontkomen door op 11 maart 2003 met dat opzet met een dienstvoertuig van de Landmacht joyriding te plegen, zodat hij disciplinair gestraft zou worden en op 12 maart 2003 arrest zou hebben.

Ook de andere door de advocaat-generaal in het voetspoor van de officier van justitie ter onderbouwing van zijn vordering aangevoerde argumenten, leiden het hof niet tot een van de beslissing van de eerste rechter afwijkend oordeel.

Hetzelfde geldt voor de argumenten op grond waarvan de verdediging heeft gepleit voor oplegging van een gevangenisstraf van kortere duur dan in het beroepen vonnis is bepaald.

Het hof overweegt hieromtrent in het bijzonder dat het hof niet aannemelijk acht dat de verdachte tot zijn daad is gekomen uit compassie met zijn opdrachtgeefster, van wie werd gezegd dat zij in een noodsituatie verkeerde omdat zij door [slachtoffer] werd verkracht en mishandeld. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte zijn opdrachtgeefster tevoren niet kende en dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte gedurende de periode waarin de moord op [slachtoffer] werd voorbereid een zodanige relatie met haar heeft gekregen dat hij haar problemen als de zijne is gaan zien. Bovendien is moeilijk denkbaar dat verdachtes handelen was ingegeven door zijn “reddingsfantasieën”; aan deze gedachte staat immers in de weg dat de verdachte zakelijke besprekingen heeft gevoerd over de door hem gewenste vergoeding voor het (doen) vermoorden van [slachtoffer].

Het hof sluit niet uit, zoals door de verdediging nog is aangevoerd, dat de verdachte, nadat hij reeds een morele drempel had overschreden door niet aanstonds afwijzend te reageren op de vraag of hij iemand wist voor het ombrengen van [slachtoffer], vervolgens door het aannemen van de door hem bedongen vergoeding in een fuik terecht is gekomen, waaruit hij niet gemakkelijk meer kon ontsnappen - in het besef: wie “A” zegt, moet ook “B” zeggen - en dat de moord op [slachtoffer] uiteindelijk is gepleegd in een situatie van “mentale verkokering”, zoals in het rapport van het Pieter Baan Centrum op de pagina’s 47-48 is omschreven. Anders dan de verdediging is het hof echter van oordeel dat aan deze omstandigheden geen strafmitigerende werking toekomt, waarbij het hof in het bijzonder in aanmerking neemt dat, wat van genoemde omstandigheden ook zij, van de verdachte gedurende de relatief lange voorbereidingstijd van de moord op [slachtoffer] andere keuzes verwacht hadden mogen worden.

Het hof overweegt ten slotte nog dat, hoewel de verdachte en zijn mededaders [mededader 1] en

[mededader 2] allen in juridische zin als “medeplegers” van de moord op [slachtoffer] moeten worden aangemerkt, een individuele differentiatie van de toepasselijke strafmaat naar gelang ieders rol bij de gewelddadige dood van [slachtoffer] op haar plaats is.

Het hof merkt hierbij het volgende op.

In de zaak van [mededader 1], aan wie in hoger beroep een gevangenisstraf is opgelegd voor de duur van 14 jaren, is onder meer overwogen, kort gezegd, dat zij - anders dan de verdachte - niet slechts heeft te gelden als mede-uitvoerder van de moord op haar ex-partner, maar ook als degene die daartoe het initiatief heeft genomen en anderen bij haar boosaardige plannen heeft betrokken.

Aan [mededader 2] is een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 10 jaren. [mededader 2] heeft echter, anders dan de verdachte, niet de voor [slachtoffer] fatale schoten gelost en zij heeft, anders dan [mededader 1], niet het initiatief genomen [slachtoffer] om te brengen.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat de door de eerste rechter aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 13 jaren een reële afspiegeling vormt van zijn rol bij de gewelddadige dood van [slachtoffer], zowel afgezet tegen de rol van [mededader 1] als tegen die van [mededader 2] daarbij.

Met de eerste rechter en de procesdeelnemers acht het hof, gezien het omtrent de persoonlijkheid van de verdachte door het Pieter Baan Centrum opgemaakte rapport, geen termen aanwezig de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, doch uitsluitend ten aanzien van de beslissing tot teruggave aan de verdachte van het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven briefje;

bevestigt het vonnis voor al het overige.

Aldus gewezen door

mr. N.J.L.M. Tuijn, voorzitter,

mr. J.M.W.M. van den Elzen en mr. W.E.C.A. Valkenburg,

in tegenwoordigheid van dhr. J.M.A.W. Koningstein, griffier,

en op 20 september 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.