Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY8371

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-07-2006
Datum publicatie
19-09-2006
Zaaknummer
04/02467
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BC6547, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

-Kan belanghebbende een beroep doen op het herstelbeleid van het besluit van 13 december 2002, nr. CPP 2002/1574 M en is derhalve de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/56.1.8
FutD 2006-1761
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 04/02467

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dertiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van X, met gekozen domicilie te Y, (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (hierna: BPM) met kenmerk 0000000.0000/0.0000.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is met voormeld kenmerk een naheffingsaanslag BPM opgelegd ten bedrage van € 12.910,= aan belasting.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37,=.

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 21 maart 2006 te 's Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede de Inspecteur.

1.4. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast:

2.1. Belanghebbende, destijds wonende te A, heeft op 17 december 2003, als bestuurder van een personenauto voorzien van het Duitse kenteken XX-XX 000, (hierna: de personenauto) een aanvang gemaakt met het gebruik van de openbare weg in Nederland. Belanghebbende heeft voor de aanvang van het gebruik van de openbare weg met de personenauto geen aangifte BPM gedaan en heeft geen BPM voldaan. Belanghebbende heeft geen verzoek om vrijstelling bij de Inspecteur ingediend.

In het proces-verbaal is onder meer de volgende verklaring van belanghebbende opgenomen:

"Ik ben in feb 2002 gewaarschuwd voor het rijden in een Duitse auto (zie bijlage) t.w. B. Ik moet deze auto naar mijn vriend brengen op een adres in België." Meer wilde de heer X niet verklaren aldus vervolgen de controlerende ambtenaren.

2.2. Vanwege de Inspecteur is belanghebbende op 7 februari 2002 gecontroleerd in het kader van de naleving van de wettelijke bepalingen van de Wet BPM. In dat verband is hem een zogenoemd Informatie- en Waarschuwingsformulier uitgereikt.

In dat formulier is onder meer het volgende gesteld:

"[Naam gecontroleerde] X

[adres] D-straat 15

[postcode en woonplaats] 0000 XX Y

[beroep] prive detective".

Het formulier is verder voorzien van naam en handtekening van de controlerende ambtenaren en de handtekening van de gecontroleerde.

In het formulier wordt gewezen op de mogelijke verschuldigdheid van BPM van inwoners van Nederland die met een niet in Nederland geregistreerde personenauto gebruik maken van de openbare weg in Nederland en wordt gewezen op situaties waarvoor een vrijstelling kan gelden.

In het formulier is verder opgenomen:

"Ook indien u van mening bent dat u niet in Nederland woont, kunt u met de douanepost contact opnemen. Er zal dan een nader onderzoek worden ingesteld.".

2.3. In verband met het vorenstaande heeft de Inspecteur belanghebbende met dagtekening 13 mei 2004 een naheffingsaanslag in de BPM opgelegd, groot € 12.910,=. Hij heeft daarbij tevens een beschikking heffingsrente vastgesteld groot € 165,=.

Bij het opleggen van deze naheffingsaanslag heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende geen beroep kan doen op het zogenoemde herstelbeleid van het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 13 december 2002, nr. CPP 2002/1574 M.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:

-Kan belanghebbende een beroep doen op het herstelbeleid van het besluit van 13 december 2002, nr. CPP 2002/1574 M en is derhalve de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd?

In dat kader moet ook worden vastgesteld of belanghebbende ten tijde van de controle op 7 februari 2002 in Nederland woonachtig was.

Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd:

Belanghebbende

Over het feitencomplex in december 2003 is niet veel meer te zeggen. Er was een woonplaats in Nederland en er werd gereden met een Duitse auto in Nederland.

Kan het zo zijn dat, als iemand een niet ingezetene van Nederland is en hij kan dat aantonen en hem een jaar daarvoor een informatieformulier is uitgereikt, de Inspecteur een beroep kan doen op het uitreiken van het formulier? Neen, dat kan niet. Omdat in 2002 geen sprake was van een woonplaats in Nederland was het herstelbeleid toen niet van toepassing en hoefde geen kennis te worden genomen van het formulier en/of het herstelbeleid.

Er is ook sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. Als first offenders een beroep kunnen doen op het herstelbeleid geldt dat ook hier.

Bestreden wordt dat bij de aanhouding mondeling informatie is verstrekt. Er is alleen aangegeven dat er betaling van belasting zal moeten plaatsvinden. Dat betreft echter geen informatie over de regels van de BPM. Er is geen waarschuwing gegeven. Van de inhoud van het formulier is geen kennis genomen, omdat niet werd voldaan aan de eisen voor de heffing van BPM.

De aanhouding in 2003 was op zich terecht. De auto was van een zakenrelatie en is in het kader van de uitoefening van het beroep naar België gebracht.

Het is en blijft een soort cirkelredenering. Het herstelbeleid is niet van toepassing, omdat ik zou zijn geïnformeerd. Wij stellen dat het informeren in 2002 niet terecht was. Die zaak uit 2005 lijkt al helemaal niet op deze zaak.

In 2002 was geen sprake van een Nederlands ingezetene, er was geen aanleiding om me toen inzake de BPM te informeren. Je zou dan bij wijze van spreken iedere vakantieganger een formuliertje kunnen uitreiken en deze personen vervolgens bij een tweede constatering kunnen aanpakken. Er was een woonplaats in het buitenland; niet ter discussie staat dat het formulier in ontvangst is genomen. Er was sprake van op doorreis zijn door Nederland naar België. Het is dan toch logisch dat men niet gaat kijken wat de inhoud van het formulier is. In zo'n geval legt men dat formulier naast zich neer en kijkt er later naar of gooit het weg.

Voor wat betreft het gelijkheidsbeginsel is een term gebruikt die hier niet echt passend is. De Inspecteur past op een ieder die niet onder de uitzondering valt het herstelbeleid toe. De uitzondering is hier echter niet van toepassing. Omdat de belastingdienst uitgaat van een onjuiste premisse komen we bij de tweede constatering in aanmerking voor toepassing van het herstelbeleid.

Er is geen adres opgegeven, er is alleen getekend voor ontvangst van het formulier. Het was, er van uitgaande dat een en ander niet van toepassing is, zeker niet nodig kennis te nemen van de inhoud van het formulier. Het zou toch dom zijn een adres op te geven waar men niet woonachtig is. Uit het uittreksel van de gemeente en de verblijfsvergunning blijkt ook van niet woonachtig zijn in Nederland. Voor vaststelling van de feitelijke woonplaats zullen we wellicht met getuigen moeten komen.

De Inspecteur

Ik twijfel er niet meer aan dat belanghebbende niet meer woonde op het oude adres. Ik ben bereid aan te nemen dat hij die woning heeft verkocht en dat hij niet bij de personen, die zijn woning hebben gekocht, inwoonde. Het getuigenaanbod trek ik in.

Het belastbare feit is gepleegd, daarover verschillen partijen niet van mening. First offenders wordt, conform het beleid van de staatssecretaris, de mogelijkheid van herstel geboden. Schending van het gelijkheidsbeginsel is hier niet aan de orde, het gaat niet om een zelfde situatie. Belanghebbende is geen first offender.

Belanghebbende is eerder geïnformeerd door de douane, ook mondeling. Dit is een standaardprocedure in dagelijks veelvuldig voorkomende situaties. In het Nederlands en, indien nodig, ook in de Duitse taal wordt er informatie gegeven en men wordt ook schriftelijk geïnformeerd. Het betreffende formulier is indertijd uitgereikt. Dat laatste kan overigens niet in geschil zijn, want de handtekening van de heer X is op het uitgereikte formulier gesteld.

Tijdens de eerste controle woonde belanghebbende in Nederland. Er is geen uitgebreid onderzoek ingesteld; dat hoefde ook niet want de heer X had een Nederlands adres opgegeven. Op bladzijde 2 van het formulier is vermeld dat als men meent geen ingezetene van Nederland te zijn er contact met de Douane kan worden opgenomen. Die vermelding is niet voor niets opgenomen. De Douane wil zonder (bijzondere) noodzaak geen kostbaar woonplaatsonderzoek doen. Er zijn weliswaar bijzonder weinig stukken over de woonplaats voorhanden, maar uit het negatieve bewijs dat hij geen contact heeft opgenomen met de Douane is niet af te leiden dat de heer X niet in Nederland woonde. Veronderstellenderwijs er vanuit gaande dat de heer X ten tijde van de eerste constatering niet in Nederland woonde doet dat aan de heffing niet af. Dat feit doet er namelijk niet aan af dat hij mondeling en schriftelijk is geïnformeerd. Ondanks die wetenschap heeft hij weer gebruik gemaakt van de Nederlandse wegen en dat feit leidt tot heffing van BPM.

Hem hoefde geen herstel te worden geboden, hij valt onder één van de uitzonderingen van het besluit. Het is voor het herstelbeleid niet van belang hoe iemand kennis heeft gekregen van de regels. Ook iemand die ten tijde van de eerste constatering in het buitenland woont en bij de volgende constatering in Nederland woont, raakt die kennis niet kwijt. Ik wijs daarbij nog op de uitspraak van uw hof met nummer 01/01335. In een wel vergelijkbare situatie oordeelde uw hof dat belanghebbende eerder was geïnformeerd.

Hoewel ik er bij aanteken dat ik er niet veel stukken van heb, woonde de heer X ten tijde van de eerste constatering in Nederland. De naheffingsaanslag is juist en is ook tot een juist bedrag opgelegd.

Op het formulier is ook de postcode ingevuld. Ik vind het heel opmerkelijk dat belanghebbende stelt dat de regeling niet op hem van toepassing is, als hij aangeeft dat de ambtenaren hem niets verteld hebben.

Er staat toch ook niet zoveel informatie in het formulier. Heel relevant vind ik het overigens niet voor de zaak. Ook als de heer X niet in Nederland woonde, staat het tweede belastbare feit vast. Het herstelbeleid is dan niet van toepassing, omdat belanghebbende is geïnformeerd. Het wetenschapcriterium is immers cruciaal. De wetenschap was er en als die er niet was dan behoorde die er te zijn. Dat belanghebbende het formulier heeft weggegooid, behoort tot zijn risico. Wat er ook is gebeurd tijdens de eerste controle op 17 december 2002 belanghebbende was op de hoogte, althans had op de hoogte geweest kunnen zijn, van de regels van de BPM, want we hadden hem geïnformeerd.

Ik houd vast aan de opvatting dat belanghebbende ten tijde van de eerste constatering in Nederland woonde. Hij heeft dat zelf aan de controlerende ambtenaren aangegeven en hij heeft zelf de postcode opgegeven.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vernietiging van de naheffingsaanslag.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 1, lid 1, van de Wet BPM wordt onder de naam

'belasting van personenauto's en motorrijwielen' een belasting geheven met betrekking tot personenauto's en motorrijwielen. Het vijfde lid van genoemd artikel bepaalt, dat ingeval een niet-geregistreerde personenauto of een niet-geregistreerd motorrijwiel feitelijk ter beschikking staat van een in Nederland wonende natuurlijke persoon of gevestigd lichaam, de belasting verschuldigd is ter zake van de aanvang van het gebruik met dat motorrijtuig in Nederland van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994.

In artikel 5, lid 2, van de Wet BPM is verder bepaald, dat met betrekking tot een niet-geregistreerde personenauto of een niet-geregistreerd motorrijwiel de belasting wordt geheven van degene die het motorrijtuig feitelijk ter beschikking heeft.

4.2. Op grond van het gestelde onder de feiten is het hof van oordeel dat belanghebbende op 17 december 2003 in Nederland woonde en dat voornoemde personenauto hem feitelijk ter beschikking stond als bedoeld in artikel 1, lid 5, en artikel 5, lid 2, van de Wet BPM. Naar het oordeel van het hof volgt daaruit, nu belanghebbende op 17 december 2003 gebruik maakte van de openbare weg in Nederland, dat hij in principe BPM is verschuldigd. Het door de Inspecteur in dit kader vastgestelde bedrag is overigens niet in geding.

In geschil is of belanghebbende een beroep kan doen op het zogenoemde herstelbeleid dat is opgenomen in het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 13 december 2002, nr. CPP 2002/1574 M, V-N 2003/10.25.

4.3. In dat besluit is voorzover van belang het volgende opgenomen:

3.4. Overige situaties buitenlands kenteken

Voor overige situaties waarin een inwoner van Nederland met een niet in Nederland geregistreerd voertuig gebruik maakt van de weg in Nederland voorziet de regelgeving niet in een vrijstelling. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gebruik van de weg door een Nederlands ingezetene met:

- een niet in Nederland geregistreerd voertuig van een familielid, kennis, zakenrelatie of collega;

- een niet in Nederland geregistreerd voertuig van een buitenlandse werkgever of het hoofd van een buitenlandse onderneming, terwijl aan deze persoon geen vergunning is verleend voor een vrijstelling ingevolge artikel 2 of artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit BPM.

Voor dergelijke situaties keur ik goed dat, met inachtneming van de hierna te noemen beperkingen, ingeval van eerste constatering van het feitelijk gebruik van de weg in Nederland aan degene die het voertuig feitelijk tot zijn beschikking heeft niet onmiddellijk een naheffingsaanslag wordt opgelegd. Deze persoon kan in de gelegenheid worden gesteld de personenauto of het motorrijwiel alsnog in Nederland te registreren en de BPM te voldoen dan wel binnen de gestelde termijn een vrijstellingsvergunning aan te vragen of het voertuig weer buiten Nederland te brengen. Hiertoe wordt aan hem een "Informatieformulier buitenlandse kentekens" uitgereikt. Wanneer een vrijstellingsvergunning wordt aangevraagd en blijkt dat niet aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt alsnog de gelegenheid geboden de BPM te voldoen of het voertuig weer buiten Nederland te brengen.

Deze goedkeuring is niet van toepassing ten aanzien van degene die het voertuig feitelijk tot zijn beschikking heeft en die uit hoofde van zijn functie of de door hem ontplooide activiteiten of omdat aan hem eerder een "Informatieformulier buitenlandse kentekens" was uitgereikt, bekend was of behoorde te zijn met de toepassing van de Wet BPM.

De goedkeuring is ook niet van toepassing ten aanzien van de persoon aan wie in het verleden een vrijstellingsvergunning is verleend op grond van de artikelen 2 of 3 van het Uitvoeringsbesluit BPM, noch op de persoon die thans in het bezit is van een dergelijke vergunning en die niet voldoet aan de voorwaarden van de vergunning, uitgezonderd het gestelde in onderdeel 3.3.

4.4. Belanghebbende is van mening dat hij ten tijde van de eerste controle, 7 februari 2002, niet in Nederland woonde en dat hem geen informatieformulier uitgereikt had behoren te worden. Het is in dat verband dat hij aanspraak maakt op toepassing van het herstelbeleid van voornoemd besluit.

De Inspecteur heeft te kennen gegeven belanghebbendes stelling, dat hij op 7 februari 2002 zijn huis aan de D-straat had verkocht en niet meer in dat huis woonde, niet meer te bestrijden.

De Inspecteur brengt in dit kader naar voren dat belanghebbende bij de controle op 7 februari 2002 zelf het adres en postcode heeft opgegeven. Belanghebbende bestrijdt dat laatste. De verbaliserende ambtenaren hebben, aldus belanghebbende, de gegevens gewoon overgenomen. Er is alleen getekend voor ontvangst van het formulier.

4.5. Belanghebbende stelt tevens indertijd aan de ambtenaren meegedeeld te hebben in België te wonen en geeft aan dat de adresgegevens niet zijn gecontroleerd. Belanghebbende heeft in dit verband aan de Inspecteur in bezwaar een kopie van een uittreksel uit de basisadministratie persoonsgegevens overgelegd. Ook heeft hij de Inspecteur een kopie verstrekt van zijn Nederlandse paspoort en een Belgische verblijfskaart. De Inspecteur heeft terzake geen reactie gegeven. In de uitspraak op bezwaar is de Inspecteur ook voorbij gegaan aan de vraagstelling inzake de woonplaats.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de Inspecteur, op wie de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende ten tijde van de controle op 7 februari 2002 in Nederland woonde. Het gevolg van het vorenstaande is dat er van moet worden uitgegaan dat belanghebbende ten tijde van de eerste controle niet in Nederland woonde.

4.6. De Inspecteur is van mening dat het in voornoemd besluit neergelegde begunstigende beleid niet van toepassing is, omdat belanghebbende in verband met de eerdere controle een zogenoemd informatieformulier buitenlandse kentekens is uitgereikt. Hij moet, aldus de Inspecteur, derhalve geacht worden bekend te zijn met de toepassing van de wet BPM, zijnde een uitzonderingsgrond voor toepassing van het herstelbeleid. Dat uitgangspunt brengt naar het oordeel van de Inspecteur mee dat de woonplaats van belanghebbende op zich overigens niet van betekenis zou zijn. Dat, zoals belanghebbende stelt, hij feitelijk geen kennis zou hebben genomen van het gestelde in het informatieformulier behoort in de opvatting van de Inspecteur voor rekening van belanghebbende te blijven.

Belanghebbende is van mening dat hem, aangezien hij niet in Nederland woonde, geen informatieformulier had behoren te worden uitgereikt en dat hij dus ook geen kennis behoefde te nemen van het gestelde in het formulier, zodat hij geacht moet worden geen kennis te hebben van de heffing van BPM. In dat verband meent hij niet onder de betreffende uitzondering van het herstelbeleid te vallen en meent hij dan ook recht te hebben op toepassing van het herstelbeleid.

4.7. Gelet op het gestelde in de eerste volzin van punt 3.4. van het besluit van 13 december 2002 betreft het zogenoemde herstelbeleid situaties waarin een inwoner van Nederland gebruik maakt van de weg met een niet in Nederland geregistreerd voertuig. Doet zich zo'n situatie voor dan wordt als onderdeel van het herstelbeleid een informatieformulier buitenlandse kentekens uitgereikt. Nu hiervóór is geoordeeld dat belanghebbende ten tijde van de eerste controle niet in Nederland woonde, dus geen "Nederlands ingezetene" was, zoals gesteld in het besluit, had naar het oordeel van het hof uitreiking van voormeld formulier gezien het hiervóór gestelde (naar eerst nu juridisch wordt vastgesteld) achterwege moeten blijven.

Dat bij uitreiking van het voormelde formulier ruimte is voor discussie blijkt ook uit de volgende passages uit de door de Inspecteur overgelegde kopie van het formulier:

"Door middel van dit formulier wordt u op de hoogte gebracht van de mogelijkheid dat u wellicht de BPM verschuldigd bent of kunt worden." en

"Ook indien u van mening bent dat u niet in Nederland woont, kunt u met de douanepost contact opnemen. Er zal dan een nader onderzoek worden ingesteld.".

Naar het oordeel van het hof blijkt overigens noch uit het besluit noch uit het formulier dat contact en/of nader overleg met de Inspecteur onderdeel vormt van het meergenoemde herstelbeleid.

4.8. Met de stelling dat het herstelbeleid geen toepassing kan vinden, omdat belanghebbende geacht wordt bekend te zijn met de toepassing van de Wet BPM vanwege het feit dat hem eerder het informatieformulier buitenlandse kentekens is uitgereikt, wordt door de Inspecteur gedoeld op de uitzondering van het besluit:

"Deze goedkeuring is niet van toepassing ten aanzien van degene die het voertuig feitelijk tot zijn beschikking heeft en die uit hoofde van zijn functie of de door hem ontplooide activiteiten of omdat aan hem eerder een "Informatieformulier buitenlandse kentekens" was uitgereikt, bekend was of behoorde te zijn met de toepassing van de Wet BPM.".

Het hof is van oordeel dat het in deze procedure in geding zijnde formulier is aan te merken als het "Informatieformulier buitenlandse kentekens" uit meergenoemd besluit.

4.9. Nu gezien het hiervóór gestelde belanghebbende ten tijde van de eerste controle niet voldeed aan de voorwaarde voor de toepassing van het herstelbeleid, omdat hij niet in Nederland woonde, en hem geen informatieformulier had moeten worden uitgereikt, is het hof van oordeel dat in de situatie van belanghebbende niet wordt voldaan aan de uitzondering dat de toepassing van de Wet BPM hem bekend was of behoorde te zijn, omdat hem eerder een "Informatieformulier buitenlandse kentekens" was uitgereikt. De uitzondering van het eerder uitgereikt zijn van het informatie-formulier is immers een onderdeel van het herstelbeleid voor inwoners van Nederland en kan daar niet los van worden gezien. Het hof ziet in het bepaalde ter zake in het besluit van 13 december 2002 geen ruimte voor het standpunt dat de enkele uitreiking van een informatieformulier betekent dat er in gevallen zoals de onderhavige zonder meer een naheffingsaanslag kan worden opgelegd. Alsdan zou immers van de in het besluit vervatte mogelijkheid van herstel (van een op zich belastbaar feit, zijnde het gebruik van de Nederlandse weg door een ingezetene van Nederland met een auto met buitenlands kenteken) en herstelbeleid geen sprake meer zijn.

Gezien het vorenstaande kan ter zake van de tweede controle het herstelbeleid toepassing vinden en is de naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd.

4.10. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende.

5. Griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij het hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 644,=.

7. Beslissing

Het hof

* verklaart het beroep gegrond,

* vernietigt de bestreden uitspraak,

* vernietigt de naheffingsaanslag,

* gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,=,

* veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644,=, en

* wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 13 juli 2006 door G.D. van Norden, lid van voormelde Kamer, in tegenwoordigheid van Th.A.J. Kock, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 13 juli 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.