Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY8213

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-09-2006
Datum publicatie
19-09-2006
Zaaknummer
C0401560-HE
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellant sub 3] heeft zijn handtekening onder het huurcontract geplaatst op een datum dat hij onbetwist nog beherend vennoot van Marsoft V.O.F. was. Vervolgens - terwijl het huurcontract ter goedkeuring bij NRG lag - is [appellant sub 3] uitgetreden als vennoot, zonder hiervan aan NRG melding te maken. Dit uittreden is niet eerder in het handelsregister ingeschreven dan op 3 november 1999, terwijl gesteld noch gebleken is dat NRG eerder dan 3 november 1999 wist dat [appellant sub 3] was uitgetreden.

Zulks brengt, gelet op art. 18 Hrw 1996 met zich dat [appellant sub 3] hoofdelijk aansprakelijk blijft voor schulden van Marsoft V.O.F., aangegaan na zijn uittreden, doch voor 3 november 1999.

Wetsverwijzingen
Handelsregisterwet 1996
Handelsregisterwet 1996 18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2007/30
RN 2006, 96
RO 2006, 9
JRV 2007, 11
JOR 2007/30

Uitspraak

typ. NJ

rolnr. C0401560/HE

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

eerste kamer, van 5 september 2006,

gewezen in de zaak van:

1. de vennootschap onder firma MARSOFT V.O.F.,

per 1 juli 2000 ontbonden en overgedragen aan appellante sub 2,

voorheen gevestigd te Den Helder,

2. de besloten vennootschap MARSOFT C.A.I. & TELECOM B.V.,

gevestigd te Den Helder,

3. [APPELLANT SUB 3],

wonende te [plaats],

appellanten,

procureur: mr. P.J.A.M. Baudoin,

tegen:

de besloten vennootschap NRG BENELUX B.V., mede h.o.d.n. NASHUATEC,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

geïntimeerde,

procureur: mr. G.A.M. Sieben,

als vervolg op het tussen partijen gewezen tussenarrest van dit hof van 7 maart 2006.

6. Het arrest van 7 maart 2006

In dit arrest heeft het hof NRG toegelaten tot het leveren van bewijs, en iedere verdere beslissing aangehouden.

7. Het vervolg van de procedure

7.1. NRG heeft afgezien van het doen horen van getuigen en een memorie na niet gehouden getuigenverhoor genomen, waarbij zij producties heeft overgelegd. Marsoft c.s. heeft een antwoordmemorie genomen, waarbij zij tevens producties in het geding heeft gebracht.

7.2. Partijen hebben daarna wederom de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

8. De verdere beoordeling

8.1. Het hof blijft bij en verwijst naar hetgeen is overwogen en beslist in het tussenarrest van 7 maart 2006.

8.2.1. In dit tussenarrest heeft het hof NRG toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat de huurovereenkomst tussen haar en Marsoft V.O.F. is gesloten op 30 september 1999, althans voor 29 oktober 1999.

In haar memorie na niet gehouden getuigenverhoor heeft NRG haar standpunt in zoverre gewijzigd, dat zij thans stelt dat de huurovereenkomst tussen haar en Marsoft c.s. is gesloten op 19 oktober 1999. Nu deze datum ligt voor de in het probandum genoemde datum van 29 oktober 1999 heeft dit voor de bewijswaardering geen verdere betekenis.

8.2.2. NRG heeft ten bewijze van haar stelling een schermprint van haar systeem overgelegd, waaruit zou blijken dat Marsoft c.s. de huurovereenkomst op 29 september 1999 heeft getekend en de order op 19 oktober 1999 in het systeem is ingevoerd, dat de apparatuur op 27 oktober 1999 is geleverd en de eerste facturen op 28 oktober 1999 zijn verzonden. Kopieën van die eerste facturen zijn tevens overgelegd.

8.2.3. Marsoft c.s. heeft de overgelegde schermprint uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist. Met name heeft zij gewezen op het feit dat deze schermprint op een veel latere datum, te weten op 16 maart (van een onbekend jaar) is gemaakt, en dat NRG het in haar macht heeft om een schermprint van haar eigen systemen naar believen te wijzigen. Voorts heeft Marsoft c.s. ontkend de overgelegde facturen ooit ontvangen te hebben. Hierbij heeft zij terecht opgemerkt dat deze facturen, die voor 29 oktober 1999 verzonden zouden zijn, zijn gesteld ten name van Marsoft B.V., terwijl op dat moment Marsoft B.V. nog geen vennoot was van Marsoft V.O.F., en derhalve met de pretens gesloten huurovereenkomst (nog) niets van doen had.

8.2.4. Naar 's hofs oordeel heeft NRG met de door haar overgelegde stukken het opgedragen bewijs niet geleverd. Evenmin valt uit het bijgebrachte bewijs af te leiden dat de huurovereenkomst op 29 oktober 1999 is gesloten, zoals NRG subsidiair stelt.

8.2.5. Resteert derhalve het nog meer subsidiaire standpunt van NRG dat de huurovereenkomst op 1 november 1999 is tot stand gekomen, zoals door Marsoft c.s. in deze procedure is gesteld. Het hof zal in het navolgende van deze datum (1 november 1999) uitgaan.

8.3. Bij memorie na niet gehouden getuigenverhoor heeft NRG de stelling ingenomen dat [appellant sub 3] niet op 29 oktober 1999 was uitgetreden als vennoot van Marsoft V.O.F., doch dat zulks niet eerder dan op 1 juli 2000 is geschied. Deze stelling is, gezien de stand van de procedure, waarin reeds een tussenarrest is gewezen (waarin het uittreden op 29 oktober 1999 van [appellant sub 3] in r.o. 4.3.2. als vaststaand feit is aangenomen), rijkelijk laat te achten. Het hof zal deze, overigens zeer mager onderbouwde stelling, derhalve niet meer in zijn oordeel betrekken. Gegeven de door Marsoft c.s. overgelegde notariële akte - waarop NRG niet meer heeft kunnen reageren - van 21 oktober 1999, en het door NRG zelf overgelegde uittreksel uit het Handelsregister (prod. 3 inl. dagv.) is zij naar 's hofs oordeel overigens ook onjuist.

8.4.1. Van belang is wel het verweer van NRG, voor het eerst aangevoerd bij memorie na niet gehouden enquête, dat het uittreden van [appellant sub 3] eerst op 3 november 1999 in het handelsregister is gepubliceerd, en dat NRG daarvan derhalve ten tijde van het sluiten van de huurovereenkomst op 1 november 1999 onkundig was, reden waarom Marsoft c.s. jegens haar geen beroep op deze uittreding kan doen.

8.4.2. Dit verweer, waarop Marsoft c.s. nog uitgebreid heeft gereageerd, treft doel. [appellant sub 3] heeft zijn handtekening onder het huurcontract geplaatst op een datum dat hij onbetwist nog beherend vennoot van Marsoft V.O.F. was. Vervolgens - terwijl het huurcontract ter goedkeuring bij NRG lag - is [appellant sub 3] uitgetreden als vennoot, zonder hiervan aan NRG melding te maken. Dit uittreden is niet eerder in het handelsregister ingeschreven dan op 3 november 1999, terwijl gesteld noch gebleken is dat NRG eerder dan 3 november 1999 wist dat [appellant sub 3] was uitgetreden.

8.4.3. Zulks brengt, gelet op art. 18 Hrw 1996 met zich dat [appellant sub 3] hoofdelijk aansprakelijk blijft voor schulden van Marsoft V.O.F., aangegaan na zijn uittreden, doch voor 3 november 1999.

8.4.4. Nu door Marsoft c.s. zelf steeds is gesteld dat de huurovereenkomst op 1 november 1999 is gesloten, betekent het voorgaande dat [appellant sub 3] voor de nakoming hiervan met de vennoten van Marsoft V.O.F. hoofdelijk aansprakelijk is.

8.4.5. Voorzover Marsoft c.s. zich er op beroept dat de uittreding van [appellant sub 3] ter inschrijving bij het handelsregister is aangeboden op 1 november 1999, en eerst is ingeschreven op 3 november 1999, reden waarom [appellant sub 3] niet aansprakelijk is voor een overeenkomst die op 1 november 1999 is gesloten, faalt dit verweer. De bescherming die het handelsregister biedt, is - anders dan bijvoorbeeld bij pandaktes die ter registratie bij de Inspectie worden aangeboden - gebaseerd op aldaar ingeschreven feiten en niet op ter inschrijving aangeboden feiten.

8.4.6. Aan de stelling van Marsoft c.s. dat art. 23 WvK en/of art. 5 Hrw 1996 geen verplichting geeft om vennoten van een V.O.F. in te schrijven komt geen belang toe, nu inschrijving van een V.O.F. inschrijving van de vennoten impliceert. Grief 1 faalt derhalve ook.

8.5. De derde grief van Marsoft c.s. ziet op het door de kantonrechter toegewezen bedrag terzake buitengerechtelijke incassokosten. Deze grief faalt, nu het door de kantonrechter toegewezen bedrag het hof niet onredelijk voorkomt, en Marsoft c.s. ook overigens niet heeft betwist dat de door NRG gestelde incassowerkzaamheden zijn verricht.

8.6. Het - overigens niet gespecificeerde - bewijsaanbod van Marsoft c.s. wordt als niet ter zake dienende gepasseerd.

8.7. Nu alle grieven falen zal het beroepen vonnis, onder aanvulling van de gronden waarop het berust, worden bekrachtigd, met veroordeling van Marsoft c.s. in de kosten van het hoger beroep.

9. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt, onder aanvulling van de gronden waarop het berust, het tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter te 's-Hertogenbosch van 8 juli 2004;

veroordeelt Marsoft c.s. in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van NRG gevallen en tot op heden begroot op E. 241,-- aan verschotten en E. 1.737,-- aan salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Begheyn, Hendriks-Jansen en Fikkers en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 5 september 2006.