Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY8202

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-09-2006
Datum publicatie
19-09-2006
Zaaknummer
C0300139
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof is mét Inter Textiles van oordeel, dat het Schenker is geweest die met haar - ernstig verwijtbare - niet-nakoming van haar voormelde vervoerdersverplichting Inter Textiles in deze situatie heeft gebracht, met schade voor Inter Textiles als gevolg.

Gezien de hiervóór weergegeven omstandigheden oordeelt het hof dan ook dat Inter Textiles met recht uit hoofde van de vervoerovereenkomst schadevergoeding vordert van Schenker. Een verplichting voor Inter Textiles jegens Schenker om eerst te pogen bij haar afnemer voldoening te verkrijgen kan niet worden aangenomen.

Aldus slagen de grieven van Inter Textiles in het principaal appel. Alle verdere verweren van Schenker stuiten hierop af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2007, 10

Uitspraak

typ. NJ

rolnr. C0300139/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

vierde kamer, van 5 september 2006,

gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap INTER TEXTILES B.V.,

gevestigd te Weesp,

appellante in het principaal appel bij exploot van

dagvaarding van 15 januari 2003,

geïntimeerde in incidenteel appel,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

tegen:

de besloten vennootschap SCHENKER B.V.,

gevestigd te Tilburg,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

procureur: mr. H.E.G. van der Flier,

op het hoger beroep van de door de rechtbank te Breda gewezen vonnissen van 25 juni 2002 en 29 oktober 2002 tussen appellante in het principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel - verder te noemen Inter Textiles - als ei-seres en geïntimeerde in het principaal appel, appellante in incidenteel appel - verder te noemen Schenker - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 97421/HA ZA 01-1170)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft Inter Textiles twee grieven aangevoerd, een tegen het tussenvonnis van 25 juni 2002 en een tegen het eindvonnis van 29 oktober 2002, en geconcludeerd tot vernietiging van beide vonnissen. In haar appeldagvaarding vorderde zij reeds, kort gezegd, alsnog toewijzing van haar oorspronkelijke vordering.

2.2. Bij memorie van antwoord in het principaal appel heeft Schenker de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van de vonnissen in eerste aanleg. Schenker heeft daarbij harerzijds in incidenteel appel één grief opgeworpen tegen het tussenvonnis van 25 juni 2002.

2.3. Inter Textiles heeft in incidenteel appel geantwoord en geconcludeerd tot afwijzing van het incidenteel appel.

2.4. Partijen hebben daarna onder overlegging van de procesdossiers uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de desbetreffende memories in het principaal en in het incidenteel appel.

4. De beoordeling

in het principaal en incidenteel appel:

4.1. Het hof stelt vast, dat Schenker in eerste aanleg aanvankelijk onder de naam Schenker BTL B.V. heeft geprocedeerd, doch vervolgens Schenker B.V. wordt genoemd. Nu Schenker in hoger beroep is gedagvaard als "Schenker B.V." wordt deze aangemerkt als procespartij.

4.2. Met de grieven wordt het geschil in volle omvang aan het hof voorgelegd.

4.3. In de overweging 3.1 (a tot en met g) van haar tussenvonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Deze door de rechtbank vastgestelde feiten zijn door partijen niet betwist, en vormen daarom ook in hoger beroep het uitgangspunt.

4.4. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende:

4.4.1 Inter Textiles heeft in februari 2000 aan een Franse afnemer, Caprice d'un Jour te Parijs, een hoeveelheid (20 rollen) textiel met coating verkocht "ex Weesp", en heeft Schenker opdracht gegeven deze partij textiel op 8 maart 2000 bij Inter Textiles in Weesp op te halen en te vervoeren naar Parijs, ter aflevering aldaar aan Caprice d'un Jour op 9 maart 2000 (cva prod. 2).

4.4.2 Schenker heeft de opdracht aanvaard, doch heeft voor de uitvoering daarvan "Schenker Frankrijk" ingeschakeld. De goederen zijn op 8 maart 2000 bij Inter Textiles opgehaald en naar Frankrijk vervoerd.

4.4.3 Toen de goederen op 9 maart 2000 bij Caprice d'un Jour werden bezorgd, heeft deze geweigerd de zending in ontvangst te nemen, waarna de goederen door Schenker Frankrijk zijn opgeslagen en in opslag gehouden.

4.4.4 Noch Schenker noch Schenker Frankrijk heeft Inter Textiles op de hoogte gesteld van de weigering van Caprice d'un Jour om de goederen in ontvangst te nemen, en van de opslag vervolgens bij Schenker Frankrijk: pas op en na 8 juni 2000, toen Inter Textiles navraag deed wegens het onbetaald blijven van haar factuur, heeft Inter Textiles vernomen dat Caprice d'un Jour de goederen nooit ontvangen had en dat de zending al maandenlang bij Schenker Frank-rijk opgeslagen stond. Daarna heeft Schenker de goederen aan Inter Textiles geretourneerd.

4.4.5 Volgens Inter Textiles heeft zij als gevolg van niet-nakoming door Schenker van haar verplichting als vervoerder om Inter Textiles te informeren en instructies te vragen, schade geleden, welke schade zij - na vermeerdering van eis - heeft berekend op in hoofdsom E. 7.596,87, te vermeerderen met wettelijke rente die zij, verwijzend naar de inleidende dagvaarding, berekende op fl. 909,50 (E. 412,71 tot 1 mei 2001), en met E. 662,52 buitengerechtelijke incassokosten. Deze bedragen vordert zij in rechte van Schenker. Het ging, aldus Inter Textiles, om modegevoelige stoffen die zij na de terugbezorging als gevolg van de intussen verstreken maanden niet meer heeft kunnen verkopen, anders dan aan een opkoper voor een fractie van de prijs. Had Schenker haar bij de weigering van Caprice d'un Jour terstond geïnformeerd, dan had er (tijdig) een voordeliger oplossing gevonden kunnen worden, stelt Inter Textiles. Zij baseert haar vordering zowel op niet-nakoming door Schenker van de vervoerovereenkomst als op onrechtmatige daad van Schenker.

4.4.6 Schenker bestrijdt dat zij verplicht zou zijn ge-weest Inter Textiles te informeren toen Caprice d'un Jour weigerde de zending in ontvangst te nemen. De vervoeropdracht luidde: "ex Weesp", en de vervoerskosten zouden vanaf de grens voor rekening van Caprice d'un Jour zijn, zoals ook genoteerd stond ("FRANCO grens") op de AVC-vrachtbrief d.d. 8 maart 2000 (cva prod. 3). De zending reisde aldus, zo stelt Schenker, in ieder geval vanaf de grens voor rekening en risico van de koper. Indien deze Franse geadresseerde om haar moverende redenen in ontvangstneming weigert en er tussen deze en Inter Textiles betalingsperikelen ontstaan, regardeert dat Schenker naar haar mening niet: Inter Textiles had haar afnemer tot betaling dienen aan te spreken.

Subsidiair betwist Schenker dat Inter Textiles schade heeft geleden, waarvoor Schenker aansprakelijk zou zijn. Schenker ontkent dat het hier modegevoelige stoffen betrof die na een aantal maanden onverkoopbaar zouden zijn geworden, c.q. dat deze stoffen bij retournering binnen de door Inter Textiles gestelde betalingstermijn nog wel (zonder schade) hadden kunnen worden verkocht.

Meer subsidiair beroept Schenker zich op de limitering van art. 23 van het CMR-Verdrag, met name ook art. 23 lid 5 dat ziet op vertraging, en voert zij aan dat buitengerechtelijke kosten, indien al gemaakt en tot de door Inter Textiles gestelde omvang, vallen buiten hetgeen ingevolge art. 23 CMR voor vergoeding in aanmerking komt.

4.5. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis - onder meer - overwogen dat op de vervoerder jegens de opdrachtgever de verplichting rust tot (tijdige) aflevering, ook indien de zaken mogelijk niet (langer) in eigendom toebehoren aan de afzender; het niet voldoen aan deze verplichting levert in beginsel een gehoudenheid tot schadevergoeding op.

Wat de gestelde schade(oorzaak) en omvang van de schade betreft verlangde de rechtbank nadere informatie van Inter Textiles omtrent haar koopovereenkomst met Caprice d'un Jour (en de eventuele gehoudenheid van deze afnemer tot betaling van de koopsom) en over de restwaarde van de partij in juli 2000. De rechtbank verwierp in haar tussenvonnis het beroep van Schenker op de limiteringsbepalingen van art. 23 CMR: de rechtbank oordeelde dat het hier niet ging om beschadiging of verlies van de goederen of om vertraging in de aflevering, maar om het door de vervoerder niet tijdig informeren van zijn opdrachtgever over de weigering van Caprice d'un Jour tot in ontvangstname.

Nadat Inter Textiles bij akte haar algemene voorwaarden had overgelegd, waarnaar haar verkoopbevestiging verwijst, een aantal bescheiden betreffende haar overeenkomst met Caprice d'un Jour en een stuk omtrent de door haar gestelde uiteindelijke verkoop aan een opkoper, heeft de rechtbank in haar eindvonnis overwogen dat ingevolge de op de overeenkomst toepasselijke algemene voorwaarden Caprice d'un Jour verplicht was de partij af te nemen op het moment dat deze door Schenker bij haar werd bezorgd, en dat de opslag van de niet-afgenomen partij plaatsvond voor rekening en risico van Caprice d'un Jour. De rechtbank leidde uit die voorwaarden ook een betalingstermijn van 8 dagen af, die naar het oordeel van de rechtbank Inter Textiles de mogelijkheid geboden had na verloop van 8 dagen na de factuurdatum de volledige koopsom van Caprice d'un Jour te vorderen.

Na vaststelling dat Inter Textiles er welbewust voor gekozen heeft Caprice d'un Jour niet (in rechte) aan te spreken op de voor deze uit de koopovereenkomst voortvloeiende afname- en betalingsverplichting doch, in 2002, de partij stoffen aan een opkoper te verkopen - welke keuze volgens de rechtbank voor rekening en risico van Inter Textiles komt - heeft de rechtbank de vordering van Inter Textiles afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld, omdat de rechtbank niet gebleken was van enige aan de tekortkoming van Schenker toe te rekenen schade.

4.6. Inter Textiles heeft zich met de door de rechtbank gewezen vonnissen niet kunnen vereniging en is daartegen in hoger beroep gekomen. De eerste grief van Inter Textiles (principaal appel) betreft de overwegingen van de rechtbank in het tussenvonnis omtrent het belang van de tussen Inter Textiles en Caprice d'un Jour gesloten koopovereenkomst voor de vraag of en zo ja hoeveel schade Inter Textiles heeft geleden als gevolg van de tekortkoming van Schenker (r.o. 3.4 van het tussenvonnis).

Haar tweede grief is gericht tegen de rechtsoverwegingen 2.2 en 2.3 van het eindvonnis betreffende de mogelijkheden van Inter Textiles om haar afnemer aan te spreken en de afwijzing van haar tegen Schenker gerichte vordering.

De grief van Schenker in het incidenteel appel betreft het tussenvonnis. Schenker maakt bezwaar tegen de overwegingen van de rechtbank dat zij, Schenker, (in beginsel) ten deze als vervoerder jegens Inter Textiles als opdrachtgever tekortgeschoten en aansprakelijk is, en dat de hier aan de orde zijnde aansprakelijkheid niet valt onder (de beper-king van aansprakelijkheid ingevolge) art. 23 van de CMR.

4.7. Het hof oordeelt als volgt.

4.7.1 Het hof constateert, dat hetgeen Schenker in haar memorie van antwoord principaal appel/memorie van grieven incidenteel appel op blz. 7, tweede alinea aanvoert - waar zij spreekt over een "vordering van Schenker" in het incidenteel appel die voor toewijzing gereed zou liggen - op een vergissing moet berusten. De onderhavige zaak betreft immers (uitsluitend) een vordering van Inter Textiles. Van een, eigen, vordering van Schenker is geen sprake, Schenker heeft in eerste aanleg geen vordering in reconventie ingesteld en ook overigens blijkt niet van enige vordering van Schenker op Inter Textiles dan wel afwijzing daarvan: Schenker vraagt integendeel juist bekrachtiging van de vonnissen waartegen Inter Textiles in beroep is gekomen.

4.7.2 In navolging van partijen zal het hof geen onderscheid maken tussen Schenker en Schenker Frankrijk, nu het handelen van laatstgenoemde voor rekening en risico van Schenker komt (art. 3 CMR).

4.7.3 De overeenkomst tussen Inter Textiles en Schenker was een overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg (plaats van verzending in Nederland en plaats bestemd voor aflevering in Frankrijk), zodat daarop dwingendrechtelijk het CMR-Verdrag van toepassing is.

Kennelijk was terzake van dit vervoer geen CMR-vrachtbrief opgemaakt (er is slechts sprake van een "Administratiebewijs voor vervoerder" (cva prod. 3), door Schenker AVC-vrachtbrief genoemd. Wat daarvan zij, op dat - in de Nederlandse taal gestelde - administratiebewijs ontbreekt iedere handtekening en ontbreken ook opmerkingen van de vervoerder. Ook ontbreekt iedere (vermelding van de) reactie van de geadresseerde ten aanzien van de weigering van de goederen en de reden daarvan.

4.7.4 Het ontbreken van een CMR-vrachtbrief doet echter niet af aan de geldigheid van de vervoerovereenkomst (art. 4 CMR). Die overeenkomst bracht voor Schenker, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, jegens haar opdrachtgever Inter Textiles de (resultaats-)verplichting mee de ten vervoer gegeven goederen af te leveren aan de geadresseerde.

Schenker diende daarbij als vervoerder de instructies van haar opdrachtgever Inter Textiles te (blijven) volgen (art. 12 lid 1 en lid 2 jo. art. 15 lid 1 en lid 2 CMR), en had, indien zich bij of na aankomst van de goederen op de plaats van bestemming belemmeringen voordeden in de aflevering, Inter Textiles aanstonds (nu Schenker op 9 maart 2000 moest afleveren) om instructies moeten vragen: art. 15 lid 1 CMR. Dat heeft Schenker niet gedaan.

4.7.5 Anders dan Schenker meent maakt het beding "franco grens" dat niet anders en doet dat, zolang er niet afgeleverd is/wordt aan de ontvanger, niet af aan de instructiebevoegdheid van de afzender. Op welke wijze tussen verkoper en koper bij de levering eventuele afrekening van transportkosten zal of dient plaats te vinden is een kwestie die zich tussen die beide contractanten afspeelt, bij wier koopovereenkomst Schenker geen partij is.

Het hof onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank, dat Schenker jegens Inter Textiles tekortgeschoten is in haar verplichtingen als vervoerder: Schenker heeft niet alleen nagelaten Inter Textiles instructies te vragen, maar heeft haar bovendien geheel onkundig gelaten van de weigering van de goederen door Caprice d'un Jour en de daarop gevolgde opslag. Voor de gevolgen van die wanprestatie is Schenker jegens Inter Textiles in beginsel schadeplichtig.

In zoverre faalt de incidentele grief van Schenker.

4.7.6 Of Caprice d'un Jour op terechte gronden of ten onrechte de door haar gekochte rollen textiel bij de bezorging heeft geweigerd hangt af van de inhoud van de koop-overeenkomst, bij welke Schenker als gezegd geen partij was. Haar verweer dat zij niet verplicht was Inter Textiles te informeren over de weigering van Caprice d'un Jour omdat uit hoofde van de overeenkomst tussen Inter Textiles en Caprice d'un Jour de eigendom van de zending vanaf het moment van het verlaten van het bedrijf van Inter Textiles (dan wel overschrijden van de grens) op Caprice d'un Jour was overgegaan en die zending dus niet ten behoeve van Inter Textiles, doch voor rekening en risico van Caprice d'un Jour bij Schenker Frankrijk opgeslagen lag, wijst het hof af. Het was immers niet aan Schenker om dat te beoordelen en het onthief Schenker niet van haar jegens Inter Textiles geldende verplichting tot tijdige aflevering dan wel, ingeval van omstandigheden die dat mochten beletten, prompte melding daarvan en het vragen van instructies aan Inter Textiles als haar opdrachtgever.

Door Inter Textiles niet te informeren en geen instructies te vragen heeft Schenker - zoals Inter Textiles terecht aanvoert - Inter Textiles de mogelijkheid ontnomen om bijv. door de transportkosten vanaf de grens (voorshands of alsnog) zelf voor haar rekening te nemen een eventueel probleem daarover met haar afnemer snel uit de wereld te helpen.

4.7.7 Het hof is mét Inter Textiles van oordeel, dat het Schenker is geweest die met haar - ernstig verwijtbare - niet-nakoming van haar voormelde vervoerdersverplichting Inter Textiles in deze situatie heeft gebracht, met schade voor Inter Textiles als gevolg.

Gezien de hiervóór weergegeven omstandigheden oordeelt het hof dan ook dat Inter Textiles met recht uit hoofde van de vervoerovereenkomst schadevergoeding vordert van Schenker. Een verplichting voor Inter Textiles jegens Schenker om eerst te pogen bij haar afnemer voldoening te verkrijgen kan niet worden aangenomen.

Aldus slagen de grieven van Inter Textiles in het principaal appel. Alle verdere verweren van Schenker stuiten hierop af.

4.7.8 Daarmede komt het hof toe aan de tussen partijen omstreden omvang van de schadevergoedingsplicht, en aan de bespreking van het tweede gedeelte van de incidentele grief van Schenker.

Met juistheid heeft de rechtbank reeds in haar tussenvonnis onder 3.5 overwogen, dat de schade in dit geval niet veroorzaakt is door verlies of beschadiging van de zending, noch door vertraging in de aflevering. Vertraging in de zin van art. 14 CMR is hier niet aan de orde, nu immers in het geheel geen aflevering door Schenker aan de geadresseerde heeft plaatsgevonden, en de volledige zending maanden later door Schenker aan Inter Textiles is terugbezorgd. Van "verlies" is alleen sprake als onbekend is waar de goederen zich bevinden en waar en wanneer deze verloren zijn gegaan, terwijl hier ook geen beschadiging is opgetreden tijdens de loop van de vervoerovereenkomst.

De limiteringsregeling van art. 23 CMR geldt uitsluitend

ingeval van schadevorderingen terzake van geheel of gedeeltelijk verlies of beschadiging van de goederen, of van vertraging in de aflevering. Niet echter ten aanzien van schade als de onderhavige, die het gevolg is van het door de vervoerder niet nakomen van zijn verplichtingen uit hoofde van art. 15 lid 1 CMR. Voor deze aan Inter Textiles opgekomen schade als gevolg van het niet aan Inter Textiles vragen van instructies door Schenker, zelfs in het geheel niet informeren van Inter Textiles door Schenker, is Schenker mitsdien in beginsel ten volle aansprakelijk. Zulks dient, nu de CMR daarvoor geen specifieke regeling inhoudt, beoordeeld te worden naar Nederlands recht volgens de regels van het BW, nu beide partijen in Nederland gevestigd zijn, hun vervoerovereenkomst in Nederland is gesloten en het vervoer in Nederland is aangevangen.

De incidentele grief van Schenker faalt daarmede ook voor het overige.

4.7.9 Inter Textiles heeft haar vordering, zoals zij die in eerste aanleg heeft vermeerderd, als volgt berekend (akte van 23 juli 2002):

* het factuurbedrag van de aan Caprice d'un Jour gerichte

factuur van 9 maart 2000 ad E. 7.840,81

minus verkoopopbrengst (restwaarde) E. 243,94

E. 7.596,87,

* te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf

9 mei 2000;

* alsmede aan buitengerechtelijke kosten een bedrag van

E. 662,62.

a) Voor wat betreft de hoofdsom zijn door Inter Textiles naast eerdergenoemde factuur van 9 maart 2000 voorts enige bescheiden in het geding gebracht tot staving van de door haar gestelde uiteindelijke verkoop aan een opkoper en de opbrengst daarvan (prod. 4 en 5 bij akte van 23 juli 2002). Het hof acht de becijfering van die opbrengst daarmede voldoende geadstrueerd: daaruit valt te berekenen dat voor de (op de packinglist van 9 maart 2000 behorende bij de bestelling van Caprice d'un Jour en de factuur) vermelde 1.161,6 meter stoffen van Mondial, als meterprijs tussen een hoeveelheid restpartijen waarvoor E. 0,21 per meter in rekening is gebracht, een opbrengst van E. 243,94 is verkregen.

Het door Schenker - doch slechts "bij gebrek aan wetenschap" - gevoerde verweer omtrent eventuele andere mogelijkheden wordt door het hof als onvoldoende concreet gepasseerd.

Het hof acht mitsdien de hoofdsom ad E. 7.596,87 toewijsbaar.

b) Schenker heeft gesteld dat ingevolge art. 27 CMR slechts rente ad 5% per jaar verschuldigd zou zijn. Aangezien de rentebepaling van art. 27 CMR betrekking heeft op schadebedragen terzake van verlies, beschadiging en vertraging

- waarvan zoals overwogen in casu geen sprake is - zal

het hof over genoemde hoofdsom als gevorderd de wettelijke rente toewijzen met ingang van 9 mei 2000, nu die datum door Schenker niet is weersproken en daarbij de door Inter Textiles aanvankelijk gepresenteerde renteberekening buiten beschouwing laten.

c) Het gevorderde bedrag terzake van buitengerechtelijke incassokosten wijst het hof af. Tegenover de betwisting door Schenker dat zodanige kosten, en tot die omvang, zijn gemaakt zijn door Inter Textiles geen bescheiden getoond waaruit kan blijken dat werkzaamheden zijn verricht die niet strekten ter voorbereiding van de gedingstukken en ter instructie van de zaak.

4.8 Het vorenstaande voert tot de slotsom, dat de vonnissen van de rechtbank niet in stand kunnen blijven. Het hof zal die vonnissen vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de vordering van Inter Textiles toewijzen zoals hierna in deze uitspraak bepaald.

4.9. Schenker dient daarbij, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden in de kosten van de procedure - in hoger beroep in principaal en incidenteel appel - zodat als volgt moet worden beslist.

5. De uitspraak

Het hof:

in het principaal en in het incidenteel appel:

vernietigt de vonnissen, waarvan beroep, en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Schenker om aan Inter Textiles te voldoen het bedrag van E. 7.596,87, met de wettelijke rente daarover vanaf 9 mei 2000 tot aan de voldoening;

wijst het meer of anders gevorderde af;

veroordeelt Schenker in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van Inter Textiles worden begroot op E. 238,31 aan verschotten en E. 827,50,- aan salaris procureur in eerste aanleg, en op E. 396,20 aan verschotten en E. 948,- aan salaris procureur voor het hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Groot-Van Dijken, Huijbers-Koopman en De Klerk-Leenen en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 5 september 2006.