Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY8200

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
12-09-2006
Datum publicatie
19-09-2006
Zaaknummer
C0501103
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof komt op grond van vorenstaande overwegingen tot de slotsom dat geenszins is komen vast te staan dat het gedrag van [appellant] in de hier bedoelde periode zijn oorzaak vond in een niet-psychiatrische aandoening. Voorts is niet komen vast te staan dat de desbetreffende artsen bij het stellen van hun diagnose zodanig onzorgvuldig hebben gehandeld dat sprake was van een onrechtmatige daad jegens [appellant].

Tijdens het pleidooi is namens [appellant] nog verzocht een nieuw psychiatrisch onderzoek op dit punt te gelasten. Het hof ziet daartoe evenwel geen aanleiding. Op verzoek van [appellant] zijn recentelijk twee psychiatrische onderzoeken uitgevoerd die op geen enkele wijze steun bieden aan zijn standpunt. Ook overigens heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd waarom sprake was van een verkeerde diagnose.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

typ. JP

rolnr. C0501103/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

eerste kamer, van 12 september 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaats],

appellant,

procureur: mr. F.T.I. Oey,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

op het bij exploot van dagvaarding d.d. 29 juli 2005 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank te Maastricht onder rolnummer 96700/HA ZA 04-1078 op 29 juni 2005 uitgesproken tussen appellant - nader te noemen [naam appellant] - als eiser en geïntimeerde - nader te noemen [naam geïntimeerde] - als gedaagde.

1. De procedure in eerste aanleg

Hiervoor verwijst het hof naar het beroepen vonnis welk vonnis zich bij de stukken bevindt.

2. De procedure in hoger beroep

Bij memorie van grieven heeft [appellant] drie grieven aangevoerd en geconcludeerd als in die memorie nader omschreven.

Vervolgens heeft [geïntimeerde] bij memorie van antwoord de grieven bestreden en geconcludeerd als in die memorie nader omschreven.

[appellant] heeft daarop een akte tot overlegging stukken genomen, waarbij hij een schriftelijke expertise, verricht door [naam], psychiater, in het geding heeft gebracht.

[geïntimeerde] heeft daarop een antwoordakte genomen.

Partijen hebben daarop hun zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. Oey en [geïntimeerde] door mr. De Ridder.

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

3. De grieven

Voor de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling van de grieven

4.1. De grieven richten zich niet tegen de feitenvaststelling door de rechtbank in rechtsoverweging 2.1. Het hof gaat van dezelfde feiten uit.

4.2. Het gaat in dit geschil om het volgende.

(a) [appellant] is in de periode van [datum] 1968 tot [datum] 1974 op grond van de toen geldende Krankzinnigenwet gedwongen opgenomen geweest in het psychiatrisch ziekenhuis Wolfheze te Wolfheze.

(b) Begin jaren tachtig van de vorige eeuw heeft [appellant] [geïntimeerde] ingeschakeld als advocaat om het psychiatrisch ziekenhuis Wolfheze en de aan dit ziekenhuis verbonden artsen aansprakelijk te stellen omdat zij hem op onjuiste medische gronden voor geestesziek hebben gehouden en de dwangopname op onjuiste medische gronden hebben doen verlengen. Daarnaast was volgens [appellant] de Staat ook aansprakelijk in verband met de gevolgde procedure.

(c) [geïntimeerde] heeft geen stappen gezet inzake de aansprakelijkstelling, en heeft ook de verjaring van de bedoelde vorderingen niet gestuit.

(d) Bij beschikking van 15 juli 1998 heeft de rechtbank te Roermond op het verzoekschrift tot het bevelen van een voorlopig deskundigenonderzoek van [appellant] tegen [geïntimeerde] tot deskundige benoemd prof. dr. G.F. Koerselman, psychiater te Amsterdam. Deze heeft rapport uitgebracht; dat rapport is door [appellant] in het geding gebracht.

4.3. In eerste aanleg heeft [appellant] - na wijziging van eis - gevorderd (zoals door de rechtbank verbeterd gelezen) voor recht te verklaren dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schade die [appellant] heeft opgelopen en nog zal oplopen door het toerekenbare tekortschieten van [geïntimeerde] jegens [appellant], omdat hij verzuimd heeft in 1992 de verjaring van [appellant]'s vordering tot schadevergoeding op Wolfheze en/of de Staat te stuiten, en dat [geïntimeerde] mitsdien gehouden is die schade, nader op te maken bij staat, te vergoeden.

De rechtbank heeft het verweer van [geïntimeerde] dat de vordering jegens hem was verjaard verworpen, omdat de verjaring tijdig is gestuit. Desondanks heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen, en op basis van het rapport van prof. Koerselman geoordeeld dat noch het psychiatrisch ziekenhuis Wolfheze noch de Staat onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld.

In hoger beroep vordert [appellant] vernietiging van het vonnis van de rechtbank en alsnog toewijzing van de vordering van [appellant] met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide procedures.

4.4. Met de grieven ligt het geschil in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal de grieven dan ook niet afzonderlijk bespreken.

4.5. Het hof is met de rechtbank, en op de door de rechtbank daartoe aangevoerde gronden, van oordeel dat de verjaring van de vordering van [appellant] op [geïntimeerde] tijdig is gestuit door de door [appellant] bedoelde brief, zodat het beroep van [geïntimeerde] op verjaring faalt.

4.6. Vast staat dat [geïntimeerde] geen stuitingshandelingen heeft verricht. Wanneer echter - zoals [geïntimeerde] aanvoert - de vordering van [appellant] geen kans van slagen heeft, leidt deze omissie van [geïntimeerde] niet tot schade en moet de vordering reeds daarom worden afgewezen. Derhalve zal het hof dit verweer van [geïntimeerde] als eerste behandelen.

4.7. [appellant] baseert de onrechtmatigheid van het handelen van het psychiatrisch ziekenhuis Wolfheze en/of van de aan dit ziekenhuis verbonden artsen op zijn stelling dat voor de dwangopname van [appellant] geen medische gronden voorhanden waren, zodat die dwangopname als gevolg daarvan ook niet noodzakelijk en wenselijk was in de zin van de destijds geldende Krankzinnigenwet. Er was derhalve ook geen grond voor de jaarlijkse verlenging van de gedwongen opname.

Daarnaast is volgens [appellant] sprake van een onrechtmatige daad van de Staat omdat [appellant] niet is gehoord en ook overigens niet aan de vereisten van de toen geldende wetgeving is voldaan. [appellant] doet wat dit betreft onder meer een beroep op het EVRM.

4.8. In verband met het laatste zal het hof bij de beoordeling in hoger beroep mede ingaan op het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 24 oktober 1979 (arrest Winterwerp, Series A vol. 33; NJ 1980, 114). Dit arrest heeft immers betrekking op een vergelijkbaar geval, spelend in dezelfde periode; Winterwerp was gedwongen opgenomen in 1968 en diende in 1972 een klacht tegen de Nederlandse staat in bij de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens, waarbij hij klaagde over de, op basis van de Krankzinnigenwet gevolgde, procedure. Winterwerp heeft een beroep gedaan op strijd met - voor zover thans van belang - artikel 5 en 6 EVRM.

4.9. Het hof zal eerst ingaan op de stelling van [appellant] dat door het ziekenhuis dan wel de artsen van het ziekenhuis ten onrechte de diagnose is gesteld van krankzinnigheid in de zin van de (toen geldende) Krankzinnigenwet. Het hof begrijpt de stelling van [appellant] aldus, dat het handelen van de desbetreffende artsen bij het stellen van de diagnose dusdanig onzorgvuldig is geweest dat zij daardoor onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld.

4.10. Het hof overweegt als volgt.

4.10.1. In het Winterwerp-arrest overweegt het Hof te Straatsburg over de term "krankzinnige" dat noch het EVRM noch de Nederlandse wetgeving daarvan een definitie geeft. Naar het oordeel van dat hof kan van die term ook geen definitieve interpretatie worden gegeven; de betekenis daarvan ontwikkelt zich voortdurend gelet op de voortgang van het psychiatrisch onderzoek, de toenemende flexibiliteit van de behandeling en de houding van de maatschappij tegenover geestesziekte (arrest Winterwerp, § 37).

4.10.2. Bij de beantwoording van de vraag of ten aanzien van [appellant] ten onrechte de diagnose van krankzinnigheid in de zin van de wet is gesteld dient dus te worden uitgegaan van de opvattingen die wat dat betreft ten tijde van de opname van [appellant] golden.

Zowel door de op verzoek van [appellant] benoemde deskundige Koerselman als door de nadien door [appellant] ingeschakelde [deskundige] is met die ontwikkelingen rekening gehouden, en wat dit betreft een oordeel gegeven naar de stand van zaken in de psychiatrie in de periode 1968-1974.

4.10.3. Beide deskundigen komen tot het oordeel dat van een kennelijk onjuiste diagnose geen sprake is geweest.

Prof. Koerselman merkt wat dat betreft op dat zijns inziens "niet [kan] worden gesteld dat betrokkenes artsen destijds in strijd hebben gehandeld met de toen geldende medisch-professionele standaard".

[deskundige] merkt op dat er tijdens de opname in Wolfheze bij [appellant] ernstige psychiatrische symptomen waren die opname rechtvaardigden, terwijl de gebruikte behandelmethoden conform de opvattingen in die tijd waren en in die tijd alom werden toegepast.

4.10.4. [appellant] heeft wat dit betreft benadrukt dat bij hem sprake was van niet-psychiatrische oorzaken van zijn gedrag, waaraan onvoldoende aandacht zou zijn besteed.

Uit de medische verklaring van [behandelend arts 1] (productie bij akte uitlating bewijs in eerste aanleg), die geleid heeft tot de eerste opname van [appellant] in 1968, blijkt al dat [appellant] er toen van overtuigd was een interne ziekte te hebben, maar dat noch [behandelend arts 2] noch [behandelend arts 3] - die [appellant] dus kennelijk hebben onderzocht voorafgaande aan de geneeskundige verklaring opgemaakt door [behandelend arts 1] - toen wat dat betreft relevante afwijkingen hebben gevonden.

Ook na de opname van [appellant] in Wolfheze is - blijkens bijlage I bij het rapport van [deskundige] - verder onderzoek verricht naar lichamelijke afwijkingen die de klachten van [appellant] zouden kunnen verklaren. De neuroloog [naam] heeft verklaard dat het niet uitgesloten is dat de (vermoeidheids)klachten van betrokkene verband houden met de gevonden neurologische afwijkingen (insulaire atrofie); de psychiater [behandelend arts 4] acht genoemde insulaire atrofie evenwel onvoldoende verklaring voor de klachten van [appellant].

Voorts merkt [deskundige] op dat de strikte scheiding die [appellant] lijkt te maken tussen een psychiatrische ziekte en een neurologische ziekte niet terecht is; daarnaast merkt hij op dat "ook als de gevonden afwijkingen een oorzakelijk verband zouden hebben met zijn klachten, zijn stoornis toch [zou] vallen onder het aandachtsgebied van de psychiatrie en de opname terecht [zou] zijn geweest" (rapport [deskundige], pagina 8).

Over deze veronderstellingen van [appellant] inzake de niet-psychiatrische oorzaken van zijn klachten en gedrag merkt prof. Koerselman in zijn rapport op dat, ook als sprake zou zijn van een causaal verband tussen de aandoening van [appellant] en de klachten en verschijnselen bij [appellant], er op zichzelf geen enkele reden was waarom daarvoor naar de inzichten van de litigieuze periode geen (al of niet gedwongen) psychiatrische behandeling geïndiceerd zou kunnen zijn geweest (rapport Koerselman, pagina 3).

4.10.5. Het hof komt op grond van vorenstaande overwegingen tot de slotsom dat geenszins is komen vast te staan dat het gedrag van [appellant] in de hier bedoelde periode zijn oorzaak vond in een niet-psychiatrische aandoening. Voorts is niet komen vast te staan dat de desbetreffende artsen bij het stellen van hun diagnose zodanig onzorgvuldig hebben gehandeld dat sprake was van een onrechtmatige daad jegens [appellant].

4.10.6. Tijdens het pleidooi is namens [appellant] nog verzocht een nieuw psychiatrisch onderzoek op dit punt te gelasten. Het hof ziet daartoe evenwel geen aanleiding. Op verzoek van [appellant] zijn recentelijk twee psychiatrische onderzoeken uitgevoerd die op geen enkele wijze steun bieden aan zijn standpunt. Ook overigens heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd waarom sprake was van een verkeerde diagnose.

4.11. Voor zover [appellant] nog heeft aangevoerd dat zijn wijze van behandeling na opname in het psychiatrisch ziekenhuis Wolfheze onrechtmatig was wordt ook dat weersproken door de rapporten van prof. Koerselman en

[deskundige]. Laatstgenoemde verklaard op pagina 8 van zijn rapport: "De gebruikte behandelmethoden waren ook conform de opvattingen in die tijd en derden in die tijd alom toegepast." Prof. Koerselman merkt ad 5 in zijn rapport op "Dwangbehandeling werd in de litigieuze periode anders geïndiceerd dan tegenwoordig. De toenmalige Krankzinnigenwet liet daarvoor de ruimte. In de praktijk hanteerden psychiaters als doorslaggevend criterium de vraag of het afbreken van een behandeling door een patiënt diens gezondheid zou kunnen schaden. Bij de herhaalde motiveringen voor verlenging van de aanvraag tot rechterlijke machtiging hebben betrokkenes artsen steeds duidelijk aangegeven dat een dergelijke omstandigheid naar hun inzicht aan de orde was. () Hier kan slechts worden vastgesteld dat de behandelende medici het besluit om verlenging van gedwongen behandeling te vragen weloverwogen hebben genomen en dat ze die overwegingen kenbaar hebben gemaakt. Ook kan worden vastgesteld dat die overwegingen binnen de context van de toenmalige psychiatrische en juridische kennis en regelgeving niet onredelijk was."

4.12. Dit alles leidt tot de slotsom dat niet aannemelijk is geworden dat door het psychiatrisch ziekenhuis Wolfheze en/of zijn artsen jegens [appellant] onrechtmatig is gehandeld.

4.13. Het hof zal thans de juridische aspecten van de grieven van [appellant] bespreken.

4.14. Ten tijde van de opname van [appellant] (1968-1974) gold de Krankzinnigenwet. Deze wet is tijdens deze periode bij wet van 28 augustus 1970, in werking getreden 15 mei 1972, ingrijpend gewijzigd.

4.15. Een van de wijzigingen ingegaan in 1972 betrof de verplichting dat de geneeskundige verklaring van artikel 16 moest worden opgemaakt door een niet-behandelend arts. Voordien gold die verplichting niet. Het verwijt dat [appellant] wat dit betreft maakt - te weten dat [behandelend arts 1] moet worden aangemerkt als behandelend arts en dus de verklaring niet had mogen opmaken - faalt dan ook in ieder geval.

4.16. Voorts diende volgens die wet het psychiatrisch ziekenhuis bij een verzoek om ontslag weliswaar dat verzoek bij niet-inwilliging door te geven aan de officier van justitie, maar deze was niet in alle gevallen gehouden dit voor te leggen aan de rechtbank, terwijl de rechtbank weliswaar de mogelijkheid had, maar niet gehouden was betrokkene dan te horen. Uit het door de Staat in de procedure-Winterwerp ingenomen standpunt (zoals dat blijkt uit het Winterwerp-arrest) valt af te leiden dat in veel gevallen werd nagelaten een patiënt te horen inzake opname of verlenging van de opname in een psychiatrisch ziekenhuis en dat dat volgens de Staat in overeenstemming was met de Krankzinnigenwet.

4.17. Uit het Winterwerp-arrest blijkt, dat de Krankzinnigenwet, althans de wijze waarop deze werd toegepast - voorzover thans van belang - door het Hof te Straatsburg in strijd werd geoordeeld met het EVRM voor zover betrokkene niet de mogelijkheid had zijn zaak voor te leggen aan de rechter; het Hof acht het essentieel dat betrokkene toegang heeft tot een rechter en de mogelijkheid heeft gehoord te worden (arrest Winterwerp, § 60). Dat geldt ook wanneer betrokkene om ontslag verzoekt; ook in dat geval moet de rechter in beginsel betrokkene horen

(§ 63).

4.18. De in de Krankzinnigenwet neergelegde procedure (en in ieder geval de op grond van die werd bestaande praktijk) was dus in strijd met het EVRM.

Dat levert evenwel geen onrechtmatigheid op van het ziekenhuis Wolfheze en/of haar artsen, omdat deze gehouden waren de wet na te leven, terwijl bovendien de onrechtmatigheid voor het overgrote deel betrekking heeft op de door justitie te volgen procedure.

4.19. Wel leidt het bovenstaande tot de conclusie dat deze stand van zaken ten tijde van de opname van [appellant], voor zover deze in strijd was met het EVRM, moet worden aangemerkt als een onrechtmatige daad van de Staat jegens [appellant].

4.20. [geïntimeerde] heeft ten aanzien daarvan evenwel aangevoerd dat de vordering van [appellant] wat dit betreft verjaard was gelet op de Wet van 31 oktober 1924.

Dit beroep op verjaring slaagt.

Ervan uitgaande dat de Staat onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld (dan wel nagelaten) omdat [appellant] niet is gehoord bij zijn opname, bij de verlenging van die opname en bij de verzoeken tot ontslag, is steeds sprake geweest van onrechtmatigheid op het moment van de desbetreffende beslissing zonder dat [appellant] was gehoord. Nu [appellant] in 1974 is ontslagen, heeft het laatste onrechtmatig handelen of nalaten van de Staat wat dat betreft plaatsgehad uiterlijk in 1974. Op dat moment werd de daardoor door [appellant] geleden schade opvorderbaar in de zin van de wet, zodat toen de verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen. Deze termijn was dus reeds verstreken toen [appellant] in 1981 [geïntimeerde] in de arm nam.

4.21. Het voorgaande leidt tot de conclusie, dat de stelling van [appellant] dat door psychiatrisch ziekenhuis Wolfheze en/of haar artsen een onrechtmatige daad is gepleegd jegens [appellant] die tot schadevergoeding noopt, faalt. Wat betreft de stelling dat de Staat een onrechtmatige daad heeft gepleegd geldt dat weliswaar uit het arrest Winterwerp kan worden afgeleid dat de destijds in de Krankzinnigenwet neergelegde procedure in strijd was met het EVRM en dus jegens [appellant] onrechtmatig, maar dat de daarop berustende vordering uiterlijk in 1979 reeds was verjaard.

Stuiting van de vordering tegen de Staat in 1992 was niet mogelijk omdat de vordering toen reeds was verjaard. Nu derhalve de nalatigheid van [geïntimeerde] er niet toe heeft geleid dat [appellant] daardoor enige schadevergoeding heeft gederfd, moet de vordering van [appellant] tegen [geïntimeerde] worden afgewezen.

Dat [appellant] wat dit betreft een verklaring voor recht heeft gevraagd maakt dit niet anders. Deze verklaring is immers gericht op het vaststellen van schade en van aansprakelijkheid van de Staat daarvoor, zodat ook de aldus gestelde vordering moet worden afgewezen.

4.22. Het vonnis van de rechtbank zal derhalve worden bekrachtigd. [appellant] zal als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding worden veroordeeld.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Roermond van 29 juni 2005;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op E. 291,-- voor verschotten en E. 2.682,-- voor salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Begheyn, Hendriks-Jansen en Pijnacker Hordijk en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 12 september 2006.