Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY7879

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-09-2006
Datum publicatie
08-09-2006
Zaaknummer
20-009920-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uitleg artikel 3 van de Boswet.

Het hof constateert dat de tenlastelegging – na de wijziging in hoger beroep en verbeterde lezing – onder a. is toegesneden op artikel 3, eerste lid van de Boswet (kort gezegd: herbeplantingsverplichting na een velling of een tenietgaan houtopstand) en onder b. is toegesneden op artikel 3, tweede lid van de Boswet (kort gezegd: de vervangingsverplichting terzake van na herbeplanting niet aangeslagen beplanting). Het hof spreekt vrij van het tenlastegelegde onder 3a en komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder 3b.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten, geldigheid: 2006-09-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2007, 2

Uitspraak

Parketnummer: 20-009920-05

Uitspraak : 1 september 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

economische kamer

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Roermond van 30 juni 2005 in de strafzaak met parketnummer 04-068091-04 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen, en te dien aanzien opnieuw rechtdoende:

- bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd;

- toepassing zal geven aan het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht;

- verdachte zal veroordelen tot een werkstraf van 40 uren, wanneer deze niet naar behoren wordt verricht te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen en voorts tot een geheel voorwaardelijke geldboete van EUR 2.200,-, te vervangen door 44 dagen hechtenis, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zal voldoen aan zijn herplantingsverplichting.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging - en aldus de grondslag van het onderzoek - is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en verbeterd gelezen - ten laste gelegd dat:

a.

hij in de gemeente Heythuysen, als eigenaar van (een) perceel/percelen grond, kadastraal bekend: [kadastrale gegevens], op welk(e), perceel/percelen grond in of omstreeks het jaar 2000 een houtopstand, anders dan bij wijze van dunning was geveld en/of op andere wijze tenietgegaan, al dan niet opzettelijk niet binnen het tijdvak van drie jaren na die velling of dat tenietgaan van die houtopstand, immers nog niet op 17 mei 2004, heeft voldaan aan zijn verplichting tot herbeplanting door beplanting op bosbouwkundig verantwoorde wijze van de grond waarop zich bedoelde aldus gevelde en/of op andere wijze tenietgegane houtopstand bevond, of - voorzover de directeur van het Staatsbosbeheer daartoe toestemming had verleend - van andere grond;

en

b.

hij in de gemeente Heythuysen, als eigenaar van (een) perceel/percelen grond, kadastraal bekend: [kadastrale gegevens], op welk(e), perceel/percelen grond in of omstreeks het jaar 2000 een herbeplanting had plaatsgehad, al dan niet opzettelijk,

niet binnen het tijdvak van drie jaren na de herbeplanting, immers nog niet op 17 mei 2004 heeft voldaan aan zijn verplichting de beplanting die niet was aangeslagen te vervangen.

Vrijspraak en bewezenverklaring

A1

Het hof constateert dat de tenlastelegging - na de wijziging in hoger beroep en verbeterde lezing - onder a. is toegesneden op artikel 3, eerste lid van de Boswet (kort gezegd: herbeplantingsverplichting na een velling of een tenietgaan houtopstand) en onder b. is toegesneden op artikel 3, tweede lid van de Boswet (kort gezegd: de vervangingsverplichting terzake van na herbeplanting niet aangeslagen beplanting).

Blijkens de door de advocaat-generaal op de wijziging en bij vordering gegeven toelichting, moet de tenlastelegging aldus worden verstaan dat de beide feiten cumulatief zijn ten laste gelegd.

A2

Het hof overweegt als volgt.

Artikel 3 van de Boswet luidt, voorzover hier van belang, als volgt:

1. De eigenaar van grond, waarop een houtopstand, anders dan bij wijze van dunning, is geveld of op andere wijze tenietgegaan, is verplicht binnen een tijdvak van drie jaren na de velling of het tenietgaan van de houtopstand te herbeplanten volgens regelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen.

2. De in het vorige lid bedoelde eigenaar is tevens verplicht beplanting die niet is aangeslagen binnen drie jaren na de herbeplanting te vervangen.

A3.1

Uit het onderzoek ter terechtzitting - meer in het bijzonder uit het proces-verbaal van de Provincie Limburg, Afdeling Handhaving en Monitoring, Bureau Toezicht en Handhaving, nr. HMT-04-PV-[verdachte] / 20, opgemaakt door de verbalisant [verbalisant], d.d. 9 augustus 2004 - is, voorzover hier van belang, gebleken van de navolgende omstandigheden:

i. op het perceel kadastraal bekend: [kadastrale gegevens] [voortaan: het perceel] werd in 1984 een velling als bedoeld in artikel 1 van de Boswet uitgevoerd, waardoor een herplantingsverplichting is ontstaan;

ii. bij het onderzoek op het perceel op 3 oktober 1995, bleek dat een deel van de herbeplanting niet was aangeslagen;

iii. omstreeks april 2000, werd aan de verbalisant door [betrokkene] - naar het hof begrijpt: een boomkweker, handelend in opdracht van de verdachte - telefonisch medegedeeld dat in maart 2000 350 populieren stekken waren aangeplant op het perceel;

iv. op 12 december 2000, heeft de verbalisant bij controle vastgesteld dat op het perceel een herbeplanting was uitgevoerd met ongeveer 300 populieren, bij 150 waarvan de aanslag twijfelachtig was;

v. op 19 juni 2003 heeft de verbalisant bij controle vastgesteld dat het merendeel van deze herbeplanting teniet was gegaan, naar schatting, over een oppervlakte van 1.00.00 ha;

vi. bij brief van 13 augustus 2003 is verdachte gewezen op de vervangingsplicht van de tenietgegane herbeplanting, waarbij hij in de gelegenheid werd gesteld vóór 31 december 2003 aan deze verplichting te voldoen;

vii. op 17 mei 2004 heeft de verbalisant bij controle vastgesteld dat in de houtopstand meerdere open plaatsen waren, en dat de herbeplanting niet was aangeslagen over een oppervlakte van 1.00.00 ha.

A3.2

Bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, d.d. 18 augustus 2006, heeft de verbalisant [verbalisant] als getuige terzake een verklaring afgelegd. Uit deze verklaring blijkt - voorzover hier van belang - dat:

viii. de getuige naar aanleiding van de op 12 december 2000 gedane constatering dat bij 150 van de herbeplante populieren de aanslag twijfelachtig was, de verdachte heeft gewezen op de zogenoemde 'inboetplicht', inhoudende dat hij tenietgegane herbeplanting binnen drie jaar dient te vervangen;

ix. de getuige in de periode van 12 december 2000 tot 19 juni 2003 een aantal malen het perceel heeft bekeken en heeft geconstateerd dat er niet is herbeplant;

x. de getuige in de periode van 19 juni 2003 tot 17 mei 2004 een aantal malen het perceel heeft bekeken en heeft geconstateerd dat er niet is herbeplant.

A4

Het hof constateert - gegeven de onder A3.1 en A3.2 genoemde omstandigheden - dat zich in het dossier geen bewijs bevindt voor een velling anders dan bij wijze van dunning of een anderszins tenietgaan van houtopstand in de tenlastegelegde periode waardoor een herbeplantingsverplichting ingevolge artikel 3, eerste lid van de Boswet zou zijn ontstaan.

Uit het dossier blijkt immers slechts van een velling, anders dan bij wijze van een dunning als bedoeld in artikel 1 van de Boswet, die zou hebben plaatsgevonden in of omstreeks 1984.

Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het aan hem tenlastegelegde onder a..

A5.1

Het hof stelt - gelet op de onder A3.1 genoemde omstandigheden - vast dat er in de maand maart van het jaar 2000 op een deel van het perceel groot: 1.00.00 ha, een herbeplanting heeft plaatsgevonden, uitgevoerd met ongeveer 300 populieren, bij 150 waarvan de aanslag twijfelachtig was.

Voorts constateert het hof dat de verbalisant [verbalisant] op 19 juni 2003 heeft vastgesteld dat deze herbeplanting teniet is gegaan [het hof begrijpt in verband met het voorgaande: niet is aangeslagen] en - blijkens de getuigenverklaring ter terechtzitting in hoger beroep van [verbalisant] voornoemd - voorts dat de verbalisant heeft geconstateerd dat er tussen 12 december 2000 en 19 juni 2003 niet is herbeplant [het hof begrijpt: niet is vervangen].

A5.2

Bijgevolg acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder b. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de gemeente Heythuysen, als eigenaar van een perceel grond, kadastraal bekend: [kadastrale gegevens], op welk perceel in het jaar 2000 een herbeplanting had plaatsgehad, opzettelijk niet binnen het tijdvak van drie jaren na de herbeplanting, immers nog niet op 17 mei 2004 heeft voldaan aan zijn verplichting de beplanting die niet was aangeslagen te vervangen.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.

Overwegingen omtrent het bewijs

B1

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

B2

Bij gelegenheid van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, heeft de verdachte bij wijze van verweer en onder overlegging van een factuur van [bedrijf], d.d. 30 november 2004, gesteld dat hij wel heeft herbeplant.

B3

Naar het oordeel van het hof ligt de verwerping van dit verweer reeds besloten in hetgeen werd overwogen onder A3.1 en A5.1. Bijgevolg behoeft het verweer geen nadere bespreking.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 3, tweede lid van de Boswet, in verbinding met artikel 1a, aanhef en onder 2, Wet op de economische delicten in verbinding met de artikelen 2, eerste lid en 6, eerste lid aanhef en onder 2 van die wet,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Verdachte heeft als eigenaar van een bosperceel verzuimd te voldoen aan zijn verplichting tot tijdige vervanging van de niet aangeslagen herbeplanting als bedoeld in artikel 3, tweede lid van de Boswet, met welke wet wordt beoogd het Nederlandse bosareaal in stand te houden. Verdachte is herhaaldelijk op zijn verplichtingen gewezen door het Bureau Toezicht en Handhaving bij de afdeling Handhaving en Monitoring, van de Provincie Limburg.

Het hof acht - anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd - oplegging van een geheel onvoorwaardelijke geldboete passend en geboden. Het hof ziet geen termen voor oplegging van een taakstraf in combinatie met een deels voorwaardelijke geldboete, onder de bijzondere voorwaarde van nakoming van de herbeplantingsverplichting.

Het hof overweegt hiertoe dat - voorzover door verdachte na de bewezenverklaarde periode aangebrachte beplanting niet reeds is aangeslagen - de herplantingsverplichting ingevolge artikel 3, tweede lid van de Boswet blijft voortduren.

Voorts houdt het hof bij het bepalen van de hoogte van de straf er rekening mee dat - zoals uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - de verdachte veelvuldig terzake van de in de Wet op de economische delicten strafbaar gestelde milieudelicten werd veroordeeld, hetgeen blijkt uit een de verdachte betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d.

12 juli 2006.

Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voorzover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op artikel 3 van de Boswet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder a. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het

onder b. ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Overtreding van voorschriften gesteld bij artikel 3, tweede lid van de Boswet.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 1.000,00 (duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. A. de Lange, voorzitter

mr. H. Harmsen, en mr. E.S.G.N.A.I. van de Griend,

in tegenwoordigheid van mr. M.A.H. Kempen, griffier,

en op 1 september 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.