Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY7801

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-09-2006
Datum publicatie
07-09-2006
Zaaknummer
R200600683
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De hardnekkige houding van de vrouw gedurende een reeks van jaren heeft tot resultaat dat de omgang aan de man in feite duurzaam wordt ontzegd.

De opstelling van de vrouw is kennelijk alleen te doorbreken door aan de op te leggen omgangsregeling een aanmerkelijke dwangsom te verbinden.

De vrouw dient als eerst verantwoordelijke ouder voor het welzijn van het kind aanstonds adequate hulpverlening voor het kind en haarzelf in te schakelen bij mogelijk optredende problemen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377h
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2006/439

Uitspraak

RJH/PvT

6 september 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R06/00683

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[Appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

de man,

procureur mr. A.M.B. Snoeks,

t e g e n

[Geintimeerde]

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

de vrouw,

advocaat mr. P. Bouman.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 maart 2006, waarvan de inhoud hen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 16 juni 2006, heeft de man het hof verzocht voormelde beschikking gedeeltelijk te vernietigen en (1) te bepalen dat de man vrijelijk omgang kan hebben met de minderjarige [A.], eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag tot en met zondagavond, alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen in onderling overleg nader overeen te komen, althans een in goede justitie te bepalen omgangsregeling vast te stellen, (2) met veroordeling van de vrouw voor iedere dag of deel daarvan dat zij niet voldoet aan deze verzochte omgangsregeling tot betaling van een dwangsom van € 500,-- per overtreding.

Subsidiair heeft de man het hof verzocht te bepalen dat de omgang tussen de man en [A.]tijdelijk wordt opgeschort gedurende een periode van ten hoogste zes maanden, onder gehoudenheid aan de vrouw zich binnen een week na betekening van de ten deze te geven beschikking aan te melden voor deskundige hulp en zich in de voormelde periode onder behandeling te laten stellen van een deskundige terzake de geconstateerde problematiek, zoals omschreven in zijn derde grief in combinatie met de oplegging van hulpverlening aan het minderjarige kind in de vorm van begeleiding bij de vormgeving van de toekomstige omgangsregeling, zoals eveneens omschreven in grief 3, waarna na de periode van zes maanden alsnog de omgangsregeling wordt vastgesteld zoals verzocht onder (1), met veroordeling van de vrouw om voor iedere dag of deel daarvan dat de vrouw niet voldoet aan het (naar het hof begrijpt) hiervoor subsidiair verzochte, tot betaling van een dwangsom van € 200,--.

2.2. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van deze zaak bij voornoemde rechtbank van 30 januari 2006;

- de brief met bijlagen van de procureur van de man van 25 juli 2006;

- de brief van de gewezen procureur van de vrouw van 26 juli 2006;

- de brief met bijlagen van de procureur van de man van 1 augustus 2006.

2.3. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 augustus 2006. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun raadslieden, alsmede de heer Van Seeters als vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), vestiging Eindhoven, gehoord.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst hiervoor naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. Bij beschikking van 27 oktober 2000 is de echtscheiding door de rechtbank ’s-Hertogenbosch tussen partijen uitgesproken. Bij daarop volgende beschikking van 15 mei 2002 is het verzoek van de vrouw strekkende tot het verkrijgen van het eenhoofdig ouderlijk gezag afgewezen en is een omgangsregeling tussen de man en [A.], die geboren is op [geboortejaar], vastgesteld van een weekend per 14 dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.00 uur.

4.2. Bij beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 30 januari 2003 is voormelde beschikking voor wat betreft de omgang bekrachtigd. Betreffende het geschil omtrent het gezag zijn partijen verwezen naar de Raad voor de Rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch om via bemiddelingsgesprekken te trachten het onderlinge contact te verbeteren teneinde effectief invulling te geven aan het gezamenlijk ouderlijk gezag. Over het resultaat van die bemiddelingsgesprekken wenste het hof geïnformeerd te worden. Nadat de vrouw geen medewerking had gegeven aan deze bemiddelingsgesprekken, werd ook de beslissing voor wat betreft het gezag door het hof bekrachtigd bij beschikking van 19 juni 2003.

4.3. In de onderhavige procedure heeft de man in eerste aanleg verzocht om te worden belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [A.]. Bij tussenbeschikking van de rechtbank van 24 november 2003 zijn partijen verwezen naar de Stichting Kompaan te Goirle, die bij het opstarten van de uitvoering van de bestaande omgangsregeling begeleiding zou moeten bieden, waarbij aan de vrouw een dwangsom van € 250,- per keer werd opgelegd voor het geval zij niet zou meewerken aan vorenbedoelde begeleide contacten. Uit de bestreden beschikking blijkt, dat de vastgelegde omgangsregeling als gevolg van de weigerachtige houding van de vrouw nooit op gang is gekomen en dat bemiddeling bij de stichting Kompaan tot niets heeft geleid.

4.4. Vervolgens is op initiatief van de rechtbank een onderzoek ingesteld door de Raad voor de Kinderbescherming naar de vraag of de door de man verzochte gezagsvoorziening (dan wel bepaling van het hoofdverblijf bij de man) in het belang van het kind te achten is en te adviseren met betrekking tot de aard, duur en frequentie van een eventueel door de rechtbank vast te stellen omgangsregeling. Bij voorafgaande brief van 4 januari 2005 had de man ingestemd met een verzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming ook een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden van een omgangsregeling.

Bij rapport van 25 oktober 2005 kwam de raad tot de conclusie, dat de vrouw in algemene zin weliswaar over opvoedings- kwaliteiten beschikt, maar dat zij [A.]de mogelijkheid ontneemt zijn vader te leren kennen, hetgeen nadelig is voor een goede ontwikkeling van [A.]. De raad en in het voetspoor van die instantie de rechtbank kwam echter tot het oordeel, dat er onvoldoende gronden waren om het gezag, dan wel het hoofdverblijf te wijzigen. De rechtbank overwoog voorts nog, dat uit het rapport van de raad is gebleken dat wijziging van het gezag en van de hoofdverblijfplaats zelfs schadelijk voor [A.]zou kunnen zijn, omdat er reeds vijf jaar geen contact meer is geweest tussen [A.]en de man, waardoor er thans geen band meer tussen hen bestaat, terwijl er voorts bij [A.]zelf inmiddels sprake lijkt te zijn van een zekere angst voor de man.

Op verzoek van de man heeft de rechtbank nog wel bepaald, dat de vrouw onder verbeurte van een dwangsom aan haar informatieplicht dient te voldoen op een uitvoerig door de rechtbank aangegeven wijze.

Tegen de hier besproken beslissing van de rechtbank tot afwijzing van het door de man verzochte gezag heeft de man overigens geen grief gericht.

4.5. Wat de omgang betreft besliste de rechtbank onder verwijzing naar de artikelen 1:377a BW juncto 8 EVRM, dat - ondanks het uitgangspunt van omgang - het belang van [A.]niet is gediend met het opleggen van een regeling, waarbij de rechtbank verwees naar hetgeen hiervoor onder 4.4. is overwogen. De rechtbank benadrukte verder dat er in het onderhavige geval van de zijde van de man geen sprake is van contra-indicaties voor vrije omgang tussen hem en [A.]. Nu de vrouw zich heftig verzet tegen een omgangsregeling en van [A.], gelet op zijn jonge leeftijd, niet verwacht kan worden dat hij zonder de goedkeuring en steun van de vrouw omgang heeft met de man, moet de rechtbank - met de raad - tot de conclusie komen dat het verzoek van de man om een omgangsregeling vast te stellen, dient te worden afgewezen.

De rechtbank voegt hieraan nog toe, dat uit de raadsonderzoeken blijkt dat de vrouw tegen [A.]negatief over zijn vader spreekt en hem onvoldoende ruimte geeft om zich een positief beeld van de man te kunnen vormen. Voorts laat de vrouw merken weinig respect te hebben voor de belevingswereld van de man en staat zij niet toe dat [A.]een positief beeld van zijn vader krijgt. Hoewel uit de rapportage van de raad uit 2001 destijds niet is gebleken van angst bij [A.]voor de man, lijkt hiervan inmiddels wel sprake te zijn. Het is echter duidelijk dat de angst die [A.]nu zegt te hebben op hem is overgebracht door de vrouw, aldus de rechtbank.

4.6. Het hof begrijpt de stellingen van de man aldus, dat hij in de loop van de onderhavige procedure afstand heeft genomen van de omgangsregeling, die door de rechtbank is vastgesteld bij beschikking van 15 mei 2002 en dat hij thans in appel een omgangsregeling verzoekt van eenmaal per veertien dagen van vrijdagmiddag tot en met zondagavond, alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen in onderling overleg nader overeen te komen.

Volkomen terecht brengt de man in zijn eerste grief naar voren, dat de rechtbank in plaats van artikel 1:377a BW (dat geschreven is voor de niet met het gezag belaste ouder) artikel 1:377h BW had moeten toepassen (dat wel geschreven is voor de onderhavige situatie, waarbij beide ouders zijn belast met het ouderlijk gezag).

De rechtbank had dan ook de man de omgang met [A.]niet mogen ontzeggen, maar conform de rechtspraak van de Hoge Raad (18-11-05, NJ 2005, 574) deze slechts tijdelijk mogen schorsen. Terzijde merkt het hof op dat de rechtbank door te oordelen dat omgang niet in het belang van het kind is, binnen het kader van toepassing van artikel 1:377a BW, bovendien een buitenwettelijke grond hanteerde.

Daarbij moet worden geconstateerd dat door de vrouw nimmer medewerking is verleend aan de omgangsregeling, die is vastgesteld bij beschikking van 15 mei 2002 en dat in de persoon van de man geen enkele contra-indicatie is gelegen voor het welslagen van een normale omgangsregeling.

4.7. Naar het oordeel van het hof kan het niet zo zijn dat enkel de houding van de vrouw, die langdurig iedere omgang tegenhoudt op gronden die door rechtbank en hof telkens te licht worden bevonden, tot resultaat kan hebben dat de omgang aan de man in feite duurzaam wordt ontzegd. Daarbij komt dat aan de man geen enkel te objectiveren verwijt kan worden gemaakt voor de impasse, die al jarenlang duurt.

Uit de houding van de vrouw ter zitting volgt naar het oordeel van het hof dat geen resultaat mag worden verwacht van vrijwillige hulpverlening voor de vrouw, ook al wordt deze hulpverlening in de sleutel gezet van hetgeen de man subsidiair onder 3 en 4 verzocht heeft. De hardnekkige opstelling van de vrouw in het verleden biedt daarvoor ook geen enkel aanknopingspunt. Daarbij is het nog de vraag of in het kader van schorsing van de uitoefening van het omgangsrecht rechtens nog langer uitstel kan worden gedoogd.

Het hof zal mitsdien hetgeen de man primair heeft verzocht toewijzen, met een beperking als hierna vermeld, doch met integrale toewijzing van de verzochte dwangsom van € 500,- per overtreding.

Het hof overweegt daarbij dat de vrouw klaarblijkelijk onder druk van de door de rechtbank opgelegde dwangsom wel voldoet aan de informatieverplichting, die de rechtbank in de bestreden beschikking heeft opgelegd, zodat verwacht mag worden dat uitsluitend de dreiging van verbeurte van een aanmerkelijke dwangsom het beoogde effect zal sorteren op de houding van de vrouw.

Het hof realiseert zich daarbij dat een effectuering van de omgang zeker in het begin spanningen zal opleveren voor [A.], waarvoor de vrouw, die als verzorgende ouder de eerst verantwoordelijke is voor het welzijn van [A.], aanstonds adequate hulpverlening voor [A.]en zichzelf dient in te schakelen.

4.8. De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5. De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 maart 2006, doch uitsluitend voor wat betreft de afwijzing van de door de man verzochte omgangsregeling;

en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man

met ingang van zondag 17 september 2006 eenmaal per veertien dagen op zondag van 12.00 uur tot 15.00 uur vrijelijk omgang kan hebben met het minderjarige kind van partijen, [A.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar],

met ingang van 1 januari 2007 eenmaal per veertien dagen op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur,

en met ingang van 1 juni 2007 eenmaal per veertien dagen van vrijdagavond 18.00 uur tot zondagavond 18.00 uur, alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen tussen partijen in onderling overleg nader overeen te komen;

bepaalt voorts dat de vrouw aan vorenbedoelde omgangsregeling dient mee te werken en wel op straffe van een dwangsom van € 500,-- per keer dat zij daaraan geen medewerking verleent;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de in beide instanties gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Philips, Van Teeffelen en Bijleveld-van der Slikke, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 6 september 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.