Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY7791

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-09-2006
Datum publicatie
07-09-2006
Zaaknummer
20-011277-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen en personen door voetbalsupporters. Artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

Door zich aan te sluiten bij een groep supporters - van welke supporters het door de uiterlijke verschijning van hun gedrag duidelijk was dat zij uit waren op een gewelddadige confrontatie met supporters van een andere voetbalclub – en door met deze groep mee te lopen en mee te rennen, heeft verdachte deel uitgemaakt van deze groep. Aldus heeft verdachte reeds toen de openbare orde geweld aangedaan. Verdachte heeft zich niet losgemaakt van de groep die de confrontatie zocht. Verdachte wist of had redelijkerwijs kunnen vermoeden dat hij in het handgemeen terecht zou komen en heeft zich hiervan derhalve niet tijdig gedistantieerd, ondanks dat hij – zoals uit zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep blijkt – voldoende mogelijkheden daartoe heeft gehad. Verdachte heeft derhalve bewust gekozen voor de groep die uit was op een gewelddadige confrontatie en heeft aldus door zijn voortgezette aanwezigheid in de groep blijk gegeven van zijn intentie die was gericht op (het uitlokken van) geweld, waarbij zijn voortgezette aanwezigheid heeft geleid tot een getalsmatige vermeerdering van de groep en daarmee tot een bijdrage aan de sfeer van ontremming, die tot het geweld doen aan de openbare orde en tot de confrontatie heeft geleid. Gelet hierop is er sprake van een voldoende significante en wezenlijke bijdrage door verdachte aan het gepleegde openlijk geweld.

Daaraan doet niet af dat verdachte naar eigen zeggen is blijven staan en op korte afstand naar het handgemeen en de vernielingen, die daarop volgden, heeft staan kijken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Parketnummer: 20-011277-05

Uitspraak : 5 september 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Breda van 30 september 2005 in de strafzaak met parketnummer 02-811282-05 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,

wonende te [woonplaats], [adres].

Hoger beroep

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De vordering van de advocaat-generaal houdt in dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende verdachte van het ten laste gelegde feit zal vrijspreken met niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] in hun vordering.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 2 april 2005 te Tilburg met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Telegraafstraat en/of Heuvelring en/of Veemarktstraat en/of (Korte) Heuvel en/of Tivolistraat en/of Sint Josephstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen terrasmeubilair en/of -benodigdheden (van een aantal terrassen, onder meer: tafels, stoelen, glazen, asbakken, barkrukken, parasols, bloempot(ten)) en/of tegen een aantal personen, welk geweld bestond uit het: als (grote) groep optrekken/lopen door/naar het centrum en/of als (grote) groep rennen naar/in de richting van (een) terras(sen) en/of personen en/of slaan/stompen en/of schoppen van/tegen een pers(o)on(en) en/of slaan met en/of gooien van stoelen en/of tafels en/of asbakken en/of glazen en/of (stukken) bloempot(ten) en/of slaan/zwaaien met (broek)riemen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 2 april 2005 te Tilburg met anderen op de openbare weg, Telegraafstraat en Heuvelring en Veemarktstraat en (Korte) Heuvel, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen terrasmeubilair (tafels, stoelen, glazen, asbakken, barkrukken, parasols, bloempotten) en tegen personen, welk geweld bestond uit het:

als (grote) groep optrekken naar het centrum en als (grote) groep rennen in de richting van terrassen en personen en/of slaan/stompen en/of schoppen van personen en/of slaan met of gooien van stoelen en/of tafels en/of asbakken en/of glazen en/of bloempotten en/of zwaaien met broekriemen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan wordt vrijgesproken.

Door het hof gebruikte bewijsmiddelen

De door het hof gebruikte bewijsmiddelen worden in het geval van beroep in cassatie vermeld in de aanvulling als bedoeld in artikel 365a van het Wetboek van Strafvordering, welke aanvulling in dat geval aan het arrest wordt gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Het hof overweegt het navolgende.

Gezien de wijze waarop de tenlastelegging is geredigeerd, is het de kennelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging geweest om tot uitdrukking te brengen dat verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd in de zin van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht door - kort gezegd - het met de groep supporters mee lopen en mee rennen, en/of het plegen van vernielingen op terrassen en/of het plegen van gewelddadigheden tegen andere personen.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht tot doel heeft de openbare orde te beschermen. Echter, omdat het gaat om geweld dat door of vanuit een zogenaamde 'samengerotte' mensenmenigte wordt gepleegd en tegen personen of goederen is gericht, heeft de onderhavige bepaling voorts tot doel om individuele rechtsgoederen als het recht op eigendom en het recht op lichamelijke integriteit te beschermen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en uit de hierboven bedoelde bewijsmiddelen is het volgende gebleken.

Voorafgaand aan de voetbalwedstrijd tussen Willem-II en De Graafschap op 2 april 2005 is het tot een gewelddadige confrontatie gekomen tussen supporters van beide voetbalclubs.

In elk geval leden van de Willem-II aanhang waren op 2 april 2005 uit op een gewelddadige confrontatie met supporters van De Graafschap. Al een week eerder zijn via diverse communicatiekanalen Willem II-supporters opgeroepen voorafgaand aan de wedstrijd te verzamelen in [horecagelegenheid 1]. Aldaar heeft zich op die dag rond 17.30 uur een groep van ongeveer 40 Willem-II supporters verzameld.

Op enig moment is van meerdere kanten geroepen: "Kom, we gaan", waarop de groep Willem II-supporters [horecagelegenheid 1] heeft verlaten, de Telegraafstraat is uitgelopen, de Heuvelring overgestoken en de Veemarktstraat is ingelopen. Halverwege maakt deze Veemarktstraat een haakse bocht naar rechts. Zo ongeveer vanaf deze bocht is het tempo van de groep versneld en is een groot aantal personen van de groep gaan rennen richting (Korte) Heuvel. Aan het einde van de Veemarktstraat, bij de kruising met de (Korte) Heuvel en de Tivolistraat, is een aantal personen van de groep rechtsaf geslagen en de (Korte) Heuvel opgelopen. Vervolgens is het op de (Korte) Heuvel, onder meer op en bij de terrassen van de aldaar gelegen horecagelegenheden [horecagelegenheid 2] en [horecagelegenheid 3], tot handgemeen en vernielingen gekomen, zowel met en tegen supporters van De Graafschap als van en tegen terrasmeubilair.

Verdachte was - zoals hij verklaard heeft ter terechtzitting in hoger beroep - ook aanwezig in [horecagelegenheid 1], waar naar zijn eigen zeggen leden van de hem bekende harde kern van Willem II eveneens aanwezig waren. Verdachte is daarop met de groep langs bovengeschetste route, beginnende over de Telegraafstraat meegelopen en is ook met de groep meegerend over de Veemarktstraat in de richting van de (Korte) Heuvel, waar vervolgens bedoeld handgemeen en bedoelde vernielingen hebben plaatsgevonden.

Door zich aan te sluiten bij een groep supporters - van welke supporters het door de uiterlijke verschijning van hun gedrag als vorenomschreven duidelijk was dat zij uit waren op een gewelddadige confrontatie met supporters van de andere voetbalclub - en door met deze groep mee te lopen en mee te rennen, heeft verdachte deel uitgemaakt van deze groep. Aldus heeft verdachte reeds toen de openbare orde geweld aangedaan. Verdachte heeft zich niet losgemaakt van de groep die de confrontatie zocht. Verdachte wist of had redelijkerwijs kunnen vermoeden dat hij in het handgemeen terecht zou komen en heeft zich hiervan derhalve niet tijdig gedistantieerd, ondanks dat hij - zoals uit zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep blijkt - voldoende mogelijkheden daartoe heeft gehad. Verdachte heeft derhalve bewust gekozen voor de groep die uit was op een gewelddadige confrontatie en heeft aldus door zijn voortgezette aanwezigheid in de groep blijk gegeven van zijn intentie die was gericht op (het uitlokken van) geweld, waarbij zijn voortgezette aanwezigheid heeft geleid tot een getalsmatige vermeerdering van de groep en daarmee tot een bijdrage aan de sfeer van ontremming, die tot het geweld doen aan de openbare orde en tot de confrontatie heeft geleid. Gelet hierop is er sprake van een voldoende significante en wezenlijke bijdrage door verdachte aan het gepleegde openlijk geweld.

Daaraan doet niet af dat verdachte naar eigen zeggen de Veemarktstraat uit rennende of uitlopende is blijven staan op de kruising met de (Korte) Heuvel en de Tivolistraat en vandaar op korte afstand naar het handgemeen en de vernielingen, die daarop volgden, heeft staan kijken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is als misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het wordt gekwalificeerd zoals hierna in de beslissing wordt vermeld.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straffen en maatregelen

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Op grond daarvan acht het hof oplegging van een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor het hierna te vermelden aantal uren, passend en geboden.

Voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult, zal het hof bevelen dat aan hem vervangende hechtenis zal worden opgelegd voor de hierna te vermelden duur.

Met oplegging van bovendien een voorwaardelijke gevangenisstraf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof zal aan die voorwaardelijke gevangenisstraf, behalve de algemene voorwaarde dat de verdachte zich gedurende twee jaar niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken, tevens de bijzondere voorwaarde verbinden dat de veroordeelde zich zal houden aan het omgevingsverbod zoals in de beslissing vermeld.

Verdachte heeft reeds vanaf 2 april 2005 geen wedstrijden van (onder meer) Willem-II meer kunnen bijwonen. Om die reden heeft het hof het omgevingsverbod beperkt tot het eerste jaar van de proeftijd.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [benadeelde partij 2], wonende te [adres], [woonplaats], als gevolg van het bewezen verklaarde feit, materiële schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 2.500,--.

Verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van EUR 2.500,-- te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, dat [benadeelde partij 1], wonende te [adres], [woonplaats], als gevolg van het bewezen verklaarde feit, materiële schade heeft geleden tot een bedrag van EUR 2.500,--.

Verdachte en zijn mededaders zijn naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade.

Het hof zal daarom aan de verdachte ter meerdere zekerheid van de hieronder te vermelden betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij de verplichting opleggen aan de Staat een bedrag van EUR 2.500,-- te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Vorderingen van de benadeelde partijen

1.

[benadeelde partij 2] heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend. Deze vordering is door de eerste rechter niet-ontvankelijk verklaard.

In hoger beroep heeft de benadeelde partij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering opnieuw gevoegd ter zake van geleden schade tot een bedrag van EUR 11.402,11.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden tot EUR 2.500,--. De vordering is tot dit bedrag voor toewijzing vatbaar. Voor wat betreft het meer of anders gevorderde is de vordering niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in dit strafgeding.

Gelet hierop zal het hof bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet ontvankelijk is in de vordering en dat die vordering voor dat gedeelte slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

2.

[benadeelde partij 1] heeft zich overeenkomstig het bepaalde in het Wetboek van Strafvordering in eerste aanleg in de strafzaak gevoegd als benadeelde partij en een vordering ingediend. Deze vordering is door de eerste rechter toegewezen tot het bedrag van EUR 2.500,--.

De voeging duurt, voor zover de gevorderde schadevergoeding is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep.

Deze vordering strekt tot vergoeding van geleden schade.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde handelen materiële schade heeft geleden. Het hof stelt deze schade op EUR 2.500,--. De vordering is tot dit bedrag voor toewijzing vatbaar.

En ten aanzien van elk van de evenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en/of vorderingen:

Het hof zal daarbij bepalen dat indien en voorzover de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer in zoverre komt te vervallen (zulks vice versa, dat wil zeggen: indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer daarmede de verplichting van de verdachte tot betaling van de vordering van de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen).

Het hof zal bepalen dat indien en voorzover de mededader(s) van verdachte het slachtoffer schadeloos heeft/hebben gesteld, de verdachte in zoverre daarvan zal zijn bevrijd.

Voorts zal het hof bepalen dat indien en voor zover de mededader(s) van verdachte de benadeelde partij schadeloos heeft/hebben gesteld, de verdachte in zoverre daarvan zal zijn bevrijd.

Het hof zal de verdachte tevens veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a (oud), 14b (oud), 14c, 22c, 22d, 24c, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht.

Verklaart, zoals hiervoor overwogen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

Verklaart verdachte deswege strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van

100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, dan wel de navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende het eerste jaar van de proeftijd zal houden aan het omgevingsverbod gedurende vier uur voor, tijdens en vier uur na iedere thuiswedstrijd van Willem II in het gebied: Korvelplein - Oerlesestraat - Trouwlaan - Stappegoorweg - Abcovenseweg - Rillaersebaan - Turnhoutsebaan - Blaakweg - Ringbaan West - Rooseveltplein - Coba Pulskenlaan - Berkdijksestraat - Korvelplein.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 2], wonende te [adres] [woonplaats], een bedrag te betalen van

EUR 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij 1], wonende te [adres] [woonplaats], een bedrag te betalen van EUR 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door

50 (vijftig) dagen hechtenis.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor een bedrag van EUR 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro) toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro).

Verklaart de benadeelde partij, [benadeelde partij 2], in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd, te betalen een bedrag van EUR 2.500,00 (tweeduizend vijfhonderd euro).

En ten aanzien van elk van de evenvermelde schadevergoedingsmaatregelen en/of vorderingen:

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan de opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer is voldaan.

Bepaalt dat de aan de verdachte opgelegde maatregel, inhoudende de verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer vervalt, indien en voorzover door de verdachte aan zijn verplichting tot betaling van de vordering van de benadeelde partij, is voldaan.

Bepaalt dat indien en voorzover het slachtoffer door verdachtes mededader schadeloos is gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat indien en voorzover verdachtes mededader de benadeelde partij schadeloos heeft gesteld, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt de verdachte tevens in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. F. van Beuge, voorzitter,

mrs. J.P.F. Rijken en G.TH.C. van der Bilt,

in tegenwoordigheid van mr. C.P.J. Scheele, griffier,

en op 5 september 2006 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mrs. F. van Beuge en G.TH.C. van der Bilt zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.