Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY6902

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-06-2006
Datum publicatie
24-08-2006
Zaaknummer
R200600256
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht gegronde redenen aanwezig die zich verzetten tegen benoeming van de door de betrokkene voorgestane persoon tot curator. Krachtens het bepaalde in art. 1:383 lid 3 BW wordt een zuster tot curator benoemd. Deze benoeming wordt in het belang van de betrokkene geacht, ondanks het zich afzetten door de betrokkene tegen zijn familie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

IWMD

13 juni 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200600256

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[Appellant],

zonder bekende woonplaats, thans verblijvende te [verblijfplaats],

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna: appellant,

procureur: mr. M.F.A.M. Collart,

t e g e n

[Geintimeerde sub 1], wonende te [woonplaats],

[Geintimeerde sub 2], wonende te [woonplaats],

[Geintimeerde sub 3], wonende te [woonplaats],

[Geintimeerde sub 4], wonende te [woonplaats],

[Geintimeerde sub 5], wonende te [woonplaats],

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

hierna: geïntimeerden,

procureur: mr. A.M.W.A. Lhoëst-van de Ven.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 december 2005, waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 6 maart 2006, heeft appellant primair verzocht voornoemde beschikking te vernietigen en subsidiair verzocht, zonodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, tot ontslag en/of wijziging van de huidige curator [geintimeerde sub 5] over te gaan en de heer [A.] tot curator te benoemen, dan wel een nader te noemen curator, kosten rechtens.

2.2. Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 5 april 2006, hebben geïntimeerden verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, appellant niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans hem het verzoek te ontzeggen als zijnde ongegrond, althans een andere derde tot curator te benoemen. Geïntimeerden hebben tevens voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld en daarbij verzocht, in geval van vernietiging van voornoemde beschikking, opnieuw rechtdoende te bepalen dat het vermogen van appellant onder bewind wordt gesteld met benoeming van geïntimeerde sub 5 en geïntimeerde sub 2 tot bewindvoerders.

2.3. Bij verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 2 mei 2006, heeft appellant verzocht geïntimeerden niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoek, althans hen het verzoek te ontzeggen als zijnde ongegrond, althans in geval van een onderbewindstelling van appellant de heer [A.] tot bewindvoerder te benoemen dan wel subsidiair een onafhankelijke derde tot bewindvoerder te benoemen, kosten rechtens.

2.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 mei 2006.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- namens appellant mr. Collart;

- geïntimeerden sub 1, 2, 3 en 5, bijgestaan door mevr. mr. Lhoëst-van de Ven.

Appellant en geïntimeerde sub 4 zijn, ondanks behoorlijke oproeping, niet ter zitting verschenen.

2.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel;

- de brief met bijlagen van de advocaat van appellant, ingekomen ter griffie op 1 mei 2006;

- de brief met bijlagen van de advocaat van appellant, ingekomen ter griffie op 2 mei 2006;

- de brief met bijlagen van de advocaat van appellant, ingekomen ter griffie op 4 mei 2006;

- de ter zitting door de advocaat van appellant overgelegde brief van [D.] d.d. 8 mei 2006.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift, van het verweerschrift tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel en het verweerschrift in het voorwaardelijk incidenteel appel.

4. De beoordeling

4.1. Bij beschikking van 23 september 2005 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch op verzoek van geïntimeerden, geïntimeerde sub 5 benoemd tot provisionele bewindvoerder over de goederen van appellant. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank op verzoek van geïntimeerden appellant onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis met benoeming van geïntimeerde sub 5 tot curator.

4.2.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat bij appellant sprake is van een geestelijke stoornis in de zin van art. 1:378 lid 1 sub a BW, waardoor hij niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen behoorlijk waar te nemen. De rechtbank heeft overwogen dat uit de overgelegde medische rapporten blijkt dat er bij appellant sprake is van een licht verstandelijke handicap. Hoewel de rapporten gedateerd zijn, heeft de rechtbank de geconstateerde verstandelijke beperkingen als vaststaand aangenomen, nu appellant de juistheid van de diagnose niet heeft betwist en de beperkingen niet van tijdelijke aard zijn. Ter zitting is gebleken dat appellant niet in staat is tot het geven van coherente antwoorden. Voorts lijkt appellant onvoldoende maatschappelijk zelfredzaam te zijn. Appellant heeft geen ziektekostenverzekering, geen uitkering en geen vaste woon- of verblijfplaats. Hij heeft geen zorg gedragen voor inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie. De woning van appellant dreigt executoriaal verkocht te worden en appellant lijkt geen grip te hebben op zijn financiële situatie. De rechtbank heeft geconstateerd dat de omstandigheden van appellant zijn verslechterd, nadat appellant het moest stellen zonder de intensieve begeleiding van zijn moeder. Appellant is zelf niet in staat om een ondersteunend netwerk op te bouwen en te onderhouden, met behulp waarvan hij zijn belangen behoorlijk zou kunnen waarnemen. Niet is gebleken dat de heer [A.] en de heer [B.] de leefomstandigheden van appellant hebben kunnen verbeteren.

4.2.2. De rechtbank heeft geïntimeerde sub 5, een zuster van appellant, op voordracht van geïntimeerden, tot curator benoemd. Appellant heeft zich verzet tegen deze benoeming, maar heeft verzuimd zelf een geschikte kandidaat voor te dragen die bereid is de benoeming te aanvaarden. Naar het oordeel van de rechtbank is de vrees van appellant dat door benoeming van zijn zuster tot curator zijn belangen onvoldoende behartigd zullen worden, ongegrond. Deze vrees wordt ondervangen, doordat de curator jaarlijks rekening en verantwoording moet afleggen aan de kantonrechter. Appellant kan zich niet met de beslissing van de rechtbank verenigen en komt hiervan in beroep.

4.3. In hoger beroep betwist appellant gemotiveerd dat hij vanwege zijn neurologische problemen niet in staat is voor zichzelf te zorgen en onvoldoende maatschappelijk zelfredzaam is. Zijn verslechterde omstandigheden zijn volgens appellant te wijten aan het feit dat hij bijna blind is geworden. Appellant stelt dat hij uitdrukkelijk aan de rechtbank te kennen heeft gegeven dat hij zich niet kan verenigen met benoeming van een familielid tot curator. Appellant voert aan dat de huidige curator niet in staat is zijn belangen te behartigen. Appellant heeft een voorkeur voor benoeming van de heer [A.] tot curator, die zich daartoe bereid heeft verklaard, dan wel indien [A.] niet benoemd kan worden (een medewerker van) bewindvoerderskantoor [C.] te [vestigingsplaats].

4.4.1. Geïntimeerden stellen zich op het standpunt dat de rechtbank appellant terecht onder curatele heeft gesteld. Geïntimeerden voeren gemotiveerd aan dat uit tal van gebeurtenissen en handelingen van appellant uit de aflopen jaren, blijkt dat appellant niet in staat is zelfstandig te functioneren. Geïntimeerden betwisten dat de huidige curator niet in staat is de belangen van appellant te behartigen. Volgens geïntimeerden is de heer [A.] niet geschikt om als curator op te treden, omdat hij op financieel gebied geenszins in het belang van appellant heeft gehandeld, terwijl niet te verwachten valt dat dat voor de toekomst wel het geval zou zijn.

4.4.2. Geïntimeerden verzoeken in voorwaardelijk incidenteel appel het vermogen van appellant onder bewind te stellen met benoeming van geïntimeerde sub 5 en geïntimeerde sub 2 tot bewindvoerders, indien het hof het primaire verzoek van appellant toewijst.

4.5. Appellant betwist dat ingeval de ondercuratelestelling wordt opgeheven een bewindvoerderschap noodzakelijk is. Appellant verzet zich tegen de benoeming van de voorgedragen bewindvoerders. Appellant stelt dat het niet in zijn belang is indien een familielid als curator of bewindvoerder optreedt, hetgeen ook blijkt uit de door hem overgelegde brief van psychiater drs. W.A.F. Sondermeyer van 17 maart 2006. Appellant geeft de voorkeur aan benoeming van de heer [A.] tot bewindvoerder dan wel (een medewerker van ) bewindvoerderskantoor [C.] te [vestigingsplaats].

4.6.1. Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, oordeelt het hof als volgt.

4.6.2. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op juiste gronden, welke het hof overneemt en tot de zijne maakt, overwogen dat de gronden voor curatele aanwezig zijn. Het hof voegt daaraan toe dat dit temeer geldt, gezien de inhoud van het zijdens appellant in het geding gebrachte schrijven van psychiater drs. W.A.F. Sondermeyer van 17 maart 2006. Appellant heeft deze psychiater verzocht om zijn psychische toestand te beoordelen en een verklaring af te geven dat de curatele kan worden opgeheven. Uit voornoemd schrijven blijkt dat de psychiater niet aan dit verzoek tegemoet komt. Ook de psychiater acht appellant thans niet in staat zelfstandig te functioneren en stelt dat er een vorm van bewind noodzakelijk is. Immers de psychiater concludeert dat appellant wat zakelijk handelen betreft, een verwarde en soms zelfs achterdochtige manier van redeneren heeft. Tevens oordeelt de psychiater dat appellant in zijn gewone leven voor het oplossen van zakelijke problemen en administratieve problemen zeker hulp nodig heeft.

4.6.3. Nu het hof van oordeel is dat de curatele terecht is uitgesproken, dient te worden bezien of er aanleiding is om een andere curator te benoemen dan de door de rechtbank benoemde curator. Op grond van het wettelijk systeem dient de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene gevolgd te worden, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten (art. 1:383 lid 2 BW). Appellant heeft allereerst verzocht de heer [A.] tot curator te benoemen, die zich daartoe bereid heeft verklaard. Voor zover dat niet mogelijk is, heeft appellant verzocht om benoeming van een onafhankelijke derde tot curator, bijvoorbeeld (een medewerker van) bewindvoerderskantoor [C.] te [vestigingsplaats]. Ter zitting is gebleken dat er van de zijde van dit kantoor geen bereidverklaring is om als curator voor appellant op te treden. Namens appellant is door zijn advocaat (een medewerker van) bureau [D.] te [vestigingsplaats] genoemd. De advocaat heeft ter zitting een brief overgelegd waaruit blijkt dat dit kantoor zich bereid heeft verklaard als curator voor appellant op te treden.

4.6.4. Het hof acht de heer [A.] niet de aangewezen persoon om tot curator te worden benoemd. Geïntimeerden hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat de heer [A.] in het verleden (te) nauw betrokken is geweest bij de financiële handel en wandel van appellant, hetgeen heeft bijgedragen aan de verslechtering van de leefomstandigheden van appellant. Er is sprake (geweest) van belangen-verstrengeling aan de zijde van de heer [A.] ter zake (de oprichting van) in ieder geval een tweetal stichtingen waarvan appellant bestuurder is. Voorts heeft de heer [A.] de curator schriftelijk aangegeven een vordering van € 8.000,- op appellant te hebben. Nu vast is komen te staan dat de heer [A.] niet in het belang van appellant heeft gehandeld, is hij naar het oordeel van het hof in deze niet geschikt als curator.

4.6.5. Het hof heeft voorts bedenkingen ten aanzien van de benoeming van (een medewerker van) bureau [D.] te [vestigingsplaats] tot curator. Dit kantoor is namelijk hoofdzakelijk gericht op financieel beheer. Ter zitting is echter naar voren gekomen dat appellant met name op het immateriële vlak begeleiding nodig heeft. Het hof acht derhalve ook (een medewerker van) dit kantoor in deze niet geschikt als curator. Het hof laat daarbij voorts meewegen dat appellant niet ter zitting verschenen is en derhalve hieromtrent niet gehoord is, terwijl het hof uit het ter zitting besprokene de indruk heeft gekregen dat dit ook niet met appellant besproken is.

4.6.6. Nu het hof van oordeel is dat er gegronde redenen zijn die zich verzetten tegen benoeming van de door appellant voorgestane personen tot curator, dient ingevolge het wettelijk systeem bij voorkeur één van de in art. 1:383 lid 3 BW genoemde familieleden van de betrokkene tot curator te worden benoemd. Gezien de betrokkenheid van geïntimeerden, de wijze waarop geïntimeerde sub 5 haar taken als provisionele bewindvoerder heeft uitgevoerd en gelet op de wijze waarop zij als curator handelt, acht het hof het in het belang van appellant dat zij als curator aanblijft. Het hof betrekt mede in de beoordeling dat niet valt uit te sluiten dat het wantrouwen van appellant en het zich afzetten jegens geïntimeerden zoals zich dat thans voordoet, te wijten is aan de stoornis van appellant en de invloed op hem van de heer [A.]. De kans is groot dat door de inzet van geïntimeerden, met de juiste zorg, hulpverlening en medicatie de gesteldheid van appellant en zijn leefomstandigheden weer naar het oude niveau teruggebracht kunnen worden.

4.6.7. Het vorenstaande brengt met zich dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd. De voorwaarde waaronder het incidenteel appel is ingesteld, is niet vervuld, zodat daarop niet hoeft te worden beslist.

4.6.8. Het hof zal de proceskosten van dit hoger beroep compenseren, nu partijen familieleden van elkaar zijn.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 8 december 2005;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lamers, Kranenburg en Van Arkel-Van Gasselt en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 13 juni 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.