Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY6860

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-07-2006
Datum publicatie
25-08-2006
Zaaknummer
C04/00688
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nietigheid ontslag op staande voet. Bewijsopdrachten,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. JP

rolnr. C0400688/MA

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

achtste kamer, van 4 juli 2006,

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE] B.V.,

gevestigd te [plaats],

appellante in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 7 mei 2004,

geïntimeerde in incidenteel appel,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

[GEÏNTIMEERDE],

wonende te [plaats],

geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot,

appellant in incidenteel appel,

procureur: mr. E.H.H. Schelhaas,

op het hoger beroep van de door de rechtbank te Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen gewezen vonnissen van 3 september 2003 en 14 april 2004 tussen principaal appellante - [appellante] - als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en principaal geïntimeerde - [geïntimeerde] - als gedaagde in conventie, eiser in reconventie.

Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 116888 CV EXPL 02-3008)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft [appellante] haar eis gewijzigd, een aantal grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen van 3 september 2003 en 14 april 2004 waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing van haar gewijzigde vorderingen in conventie en tot afwijzing van de reconventionele vorderingen van [geïntimeerde], met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure in beide instanties.

2.2. Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Voorts heeft [geïntimeerde] incidenteel appel ingesteld, daarin één grief aangevoerd en geconcludeerd, kort gezegd, tot gedeeltelijke vernietiging van het vonnis van 14 april 2004 waarvan beroep en in zoverre opnieuw rechtdoende tot toewijzing van zijn reconventionele vorderingen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van beide instanties.

2.3. [geïntimeerde] heeft in incidenteel appel geantwoord.

2.4. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven.

4. De beoordeling

in principaal appel

4.1. Tegen het tussenvonnis van 3 september 2003 is geen grief gericht, zodat [appellante] in het beroep daartegen niet-ontvankelijk is.

in principaal en incidenteel appel

4.2. In hoger beroep staan onder meer de volgende feiten vast.

4.2.1. [geïntimeerde] is met ingang van [datum] 1999 bij [appellante] op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden in de functie van kantoormanager.

4.2.2. Deze arbeidsovereenkomst bevat onder meer de volgende bepalingen:

" Artikel 8 Verbod van nevenwerkzaamheden

Werknemer verbindt zich om - behoudens voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever - gedurende de loop der dienstbetrekking voor geen andere werkgever of opdrachtgever werkzaam te zullen zijn, noch direct, noch indirect en zich te zullen onthouden van het doen van zaken voor eigen rekening. (...)

De in artikel 12 neergelegde boete-clausule is van toepassing.

Artikel 12 Boete

Door de enkele overtreding en/of niet nakoming van het in de artikelen 8 tot en met 11 bepaalde is de werknemer van rechtswege in gebreke en verbeurt hij een dadelijk en ineens zonder sommatie of ingebrekestelling opeisbare boete van f. 5.000,- per overtreding, alsmede een bedrag van f. 1.000,- voor elke dag dat de overtreding voortduurt, (....)."

4.2.3. Bij brief van 7 februari 2002 heeft [appellante] [geïntimeerde] op staande voet ontslagen. Deze brief houdt onder meer het volgende in:

"De dringende reden voor ontslag op staande voet is gebaseerd op de navolgende feiten en omstandigheden:

Uit de navolgend genoemde niet limitatieve opsomming van feiten en omstandigheden blijkt van zodanige ernstige gedragingen uwerzijds die ten gevolge hebben dat van mijn cliënt als werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Immers het afgelopen half jaar heeft u uw functie en verantwoordelijkheid als kantoormanager ernstig verwaarloosd, hetgeen thans blijkt uit het recente onderzoek, waardoor mijn cliënt tot de conclusie komt dat u in ernstige mate de bekwaamheid of geschiktheid mist tot de functie waarvoor u zich heeft verbonden. Bovendien heeft u een aantal privé-bestedingen gedeclareerd via het bedrijf, althans laten betalen via het bedrijf zonder toestemming van mijn cliënt, waardoor zelfs sprake is van een strafbaar feit, waardoor u het vertrouwen van werkgever onwaardig bent geworden.

Tenslotte hebt u uw plichten grovelijk veronachtzaamd, welke de arbeidsovereenkomst u oplegt.

Immers uit het onderzoek blijkt dat u het afgelopen jaar privé-declaraties betaald heeft, zonder toestemming van [directeur appellante], via de zaakrekening van [appellante]

Een ander incident is dat u zonder vooroverleg en zonder toestemming een kleine graafmachine, bobcat, gehuurd heeft bij Bo-rent, voor het uitvoeren van een privé vriendendienst t.b.v. [bevriende familie geïntimeerde], terwijl u de huurkosten van Bo-rent betaald heeft via de zaakrekening. U heeft deze kosten niet gedeclareerd aan [bevriende familie geïntimeerde]. [bevriende familie geïntimeerde] deelde mijn cliënt onlangs mede dat zij dat met u verrekend hebben. Het huren van de graafmachine, bobcat, t.b.v. [bevriende familie geïntimeerde], is door u heimelijk gebeurd, zonder vooroverleg en toestemming van [directeur appellante], waardoor u zichzelf, althans [bevriende familie geïntimeerde] bevoordeeld heeft en [appellante] benadeeld heeft.

Zonder toestemming van cliënt heeft u in plaats van een, twee routeplanners aangeschaft bij de [automaterialenhandel], terwijl achteraf blijkt dat een routeplanner door u is aangeschaft t.b.v. uw oom, terwijl de kosten daarvan betaald zijn door [appellante]

Certificatie en iso-normering is een belangrijk deel van uw taak en verantwoordelijkheid als kantoormanager. U heeft dit in 2001 ernstig verwaarloosd. In december jl. annuleert u het bezoek van TUF voor de iso-certificering. Vervolgens ontvangt het bedrijf een declaratie van TUF terwijl u mijn cliënt medegedeeld heeft dat die declaratie niet verschuldigd was. TUF blijft echter aanmaningen versturen. U heeft uw taken als kantoormanager onvoldoende uitgevoerd het afgelopen half jaar.

U heeft het door u te restitueren kilometergeld nog steeds niet afgerekend ondanks diverse aanmaningen van de directie. U doet zelf de financiële administratie en u zou dat al veel eerder hebben moeten verrekenen met uw salaris.

U heeft van cliënt geld geleend ad E. 1.033,- voor een vakantiereis naar Isla Margarita, terwijl de afspraak was dat u dat bedrag binnen drie dagen zou terugboeken aan cliënt, middels verrekening van het salaris. Dat is tot op heden niet gebeurd, ondanks dat u de salarisadministratie uitvoert.

U heeft ruim twee jaar geleden de woning [adres] gekocht van [directeur appellante], directeur van [appellante], en steeds verzwegen dat de gas- en lichtmeter niet in uw woning aanwezig zijn maar in de achtergelegen zaak.

U heeft steeds verzwegen dat het verbruik van uw woning terzake gas en licht niet door u privé betaald werden maar liepen via de zaak. Vlak voor uw vakantie ontvangt cliënt dan de afrekening van Essent, waaruit een en ander blijkt. Ook voor dit punt zal cliënt de afrekening opmaken en het geld van u terugvorderen.

Al deze feiten zijn niet limitatief. Cliënt heeft nog meer posten ontdekt, waarbij u privé-bestedingen betaald heeft via de zaak zonder toestemming.

Thans blijkt ook voor cliënt dat u het afgelopen half jaar de uitvoering van uw taak terzake de financiële administratie binnen de onderneming verwaarloosd heeft.

U heeft als kantoormanager het vertrouwen van cliënt ernstig beschaamd.

Namens cliënt ontsla ik u hierbij op staande voet wegens dringende reden. (...)

A.s. donderdag heeft u om 9.00 uur een afspraak met cliënt voor het in orde maken van de financiële administratie. Cliënt zal dan tevens met u het ontslagdossier bespreken en met u een betalingsregeling bespreken terzake het bedrag dat u aan cliënt dient te restitueren. (...)"

4.2.4. Bij brief van 13 februari 2002 heeft (de advocaat van) [geïntimeerde] de verwijten ontkend en de nietigheid van het ontslag ingeroepen. Daarnaast heeft (de advocaat van) [geïntimeerde] in vermelde brief medegedeeld dat [geïntimeerde] bereid blijft de bedongen arbeid te verrichten en dat hij uitdrukkelijk zijn diensten aanbiedt aan [appellante]. Tot slot heeft (de advocaat van) [geïntimeerde] aan [appellante] bericht dat [geïntimeerde] niet zal verschijnen bij door de haar voorgestelde bespreking (op donderdag 14 februari 2002 om 09.00 uur, toev. hof). Hij heeft daaraan toegevoegd dat [geïntimeerde] wenst dat de communicatie via de advocaten verloopt.

4.2.5. Voor het geval dat de arbeidsovereenkomst niet reeds rechtsgeldig is beëindigd per 7 februari 2002, heeft [appellante] [geïntimeerde] bij brief van 20 februari 2002 opnieuw op staande voet ontslagen. Deze brief houdt ten aanzien van de dringende reden onder meer het volgende in:

"(...) Voor zover het ontslag op staande voet van 7 februari 2002 al niet terecht is geweest - quod non - wordt uw cliënt hierbij opnieuw op staande voet ontslagen wegens de navolgende twee feiten:

Op donderdag 14 februari 2002 had uw cliënt met mijn cliënt een afspraak om 9.00 uur voor bespreking van de financiële afwikkeling en overdracht van alle relevante zaken en de administratie. Uw cliënt heeft zich niet afgemeld en is ook niet op het werk verschenen. Mijn cliënt is daarop om 9.30 uur naar uw cliënt gereden. Uw cliënt was thuis en wou niet praten. Uw cliënt weigerde ook de geleende spullen van mijn cliënt onmiddellijk terug te geven. Mijn cliënt heeft geëist dat uw cliënt onmiddellijk zou afgeven en teruggeven, donderdag jl., alle bij uw cliënt in bezit zijnde back-ups van het bedrijf, de telefoons, de schoonmaakapparatuur, de fotocamera, welke spullen eigendom zijn van mijn cliënt, hetzij [appellante], hetzij van [directeur appellante].

Mijn cliënt heeft uw cliënt op donderdag jl. gesommeerd onmiddellijk de auto's van het terrein te verwijderen, hetgeen uw cliënt tot op heden geweigerd heeft. Mijn cliënt heeft uw cliënt donderdag jl. nogmaals verzocht per omgaande de hierboven genoemde bedragen onmiddellijk te restitueren, waaronder de afrekening Essent, terzake stroom en gas, de routeplanner, en andere bovenomschreven kwesties.

Donderdagmiddag 14 februari jl. weigert uw cliënt desgevraagd de in zijn bezit zijnde pincode van het telebankieren via de Rabobank aan mijn cliënt terug te geven. Het gevolg is dat het bedrijf sedert donderdag jl. geen betalingen via telebanking kan uitvoeren. Mijn cliënt heeft inmiddels een nieuwe pincode bij de Rabobank moeten aanvragen. Ondanks uitdrukkelijk verzoek weigert uw cliënt sedert donderdag jl. de back-ups van de computer en de diskettes van het bedrijf terug te geven, inclusief de twee in zijn bezit zijnde mobiele telefoons en schoonmaakapparatuur.

Ook deze nieuwe feiten leveren weer een dringende reden op voor ontslag op staande voet. (...)"

4.2.6. Bij beschikking ex art. 7:685 BW heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 31 maart 2002 ontbonden - naar het hof begrijpt - voor zover deze arbeidsovereenkomst nog bestond en niet reeds was beëindigd per 7 februari 2002, althans per 20 februari 2002.

4.3. [appellante] heeft [geïntimeerde] gedagvaard voor de kantonrechter te Heerlen en, na wijziging van haar eis, in conventie, gevorderd [geïntimeerde]:

te veroordelen tot betaling van een totaalbedrag van E. 44.860,98 terzake van een aantal posten vermeerderd met wettelijke rente, althans subsidiair [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ex art. 7:680 BW ad E. 2.534,55, vermeerderd met wettelijke rente;

op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen tot afgifte aan [appellante] van de in de inleidende dagvaarding in het petitum onder B genoemde zaken;

te veroordelen tot betaling van E. 4.151,50 terzake van buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met wettelijke rente.

4.3.1. [geïntimeerde] heeft de vorderingen in conventie van [appellante] bestreden en in reconventie gevorderd om [appellante]:

te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van:

E. 5.521,19 bruto terzake van achterstallig loon, vermeerderd met wettelijke verhoging;

E. 427,44 terzake van schadevergoeding,

een en ander vermeerderd met wettelijke rente;

op straffe van verbeurte van een dwangsom te veroordelen tot afgifte aan [geïntimeerde] van de zaken zoals weergegeven in prod. 9 sub 18, conclusie van eis in reconventie.

4.3.2. [appellante] heeft de vorderingen in reconventie van [geïntimeerde] bestreden.

4.3.3. Bij tussenvonnis van 14 april 2004 heeft de kantonrechter in conventie aan beide partijen een aantal bewijsopdrachten verstrekt en in reconventie alleen aan [geïntimeerde] bewijs opgedragen. De kantonrechter heeft bepaald dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld, hetgeen beide partijen hebben gedaan.

4.4. In hoger beroep heeft [appellante] haar eis vermeerderd in die zin dat zij thans primair mede vordert de gefixeerde schadevergoeding zoals in eerste aanleg door haar subsidiair was gevorderd. Het in hoofdsom door haar gevorderde bedrag is verlaagd naar E. 38.448,73.

4.5. De grieven I tot en met III in het principaal appel lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zij strekken ertoe dat alsnog wordt vastgesteld dat het aan [geïntimeerde] op staande voet gegeven ontslag terecht was en stellen de vraag aan de orde of de hiervoor onder 4.3.1. sub I a vermelde reconventionele vordering van [geïntimeerde] terzake van achterstallig salaris in beginsel kan worden toegewezen.

4.5.1. Het geschil spitst zich allereerst toe op de beantwoording van de vraag of het aan [geïntimeerde] per 7 februari 2002 gegeven ontslag op staande voet gerechtvaardigd is.

4.5.2. In dat kader acht het hof het volgende van belang.

De dringende reden moet gelijktijdig met de onverwijlde opzegging door de werkgever worden meegedeeld, tenzij het voor de werknemer aanstonds duidelijk is welke niet meegedeelde dringende reden tot het ontslag op staande voet heeft geleid (art. 7:677 lid 1 BW). Vast staat dat de dringende reden aan [geïntimeerde] is meegedeeld door middel van de hiervoor onder 4.2.3. vermelde brief van 7 februari 2002. Uit de brief van 7 februari 2002 blijkt dat de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden niet limitatief zijn opgesomd. [appellante] heeft echter niet gesteld, noch is gebleken dat het voor [geïntimeerde] ten tijde van de ontslagaanzegging duidelijk was, welke andere, dan de niet in de ontslagbrief genoemde, feiten en omstandigheden aan het ontslag ten grondslag zijn gelegd. Dit betekent dat de vraag of [appellante] [geïntimeerde] terecht per 7 februari 2002 op staande voet heeft ontslagen, enkel dient te worden beoordeeld op basis van de in voormelde brief vermelde feiten en omstandigheden.

4.5.3. Het hof stelt bij de beantwoording van deze vraag het volgende voorop. Een dringende reden voor de werkgever bestaat in daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de dienstbetrekking te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag òf van zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren ook in de beschouwing te worden betrokken de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben.

4.5.4. Het hof zal thans het aan het ontslag ten grondslag gelegde feitencomplex, zoals vermeld in de brief van 7 februari 2002, puntsgewijs behandelen. De productienummers verwijzen naar de producties, overgelegd door [appellante] in eerste aanleg bij conclusie na comparitie. Genoemde rechtsoverwegingen verwijzen naar het vonnis waarvan beroep d.d. 14 april 2004.

a) de routeplanners

[appellante] stelt dat [geïntimeerde] zonder haar toestemming voor haar rekening op 25 april 2000 twee (in plaats van één) routeplanners heeft aangeschaft bij [automaterialenhandel], terwijl achteraf is gebleken dat één van de routeplanners door hem is aangeschaft ten behoeve van zijn oom.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Nog afgezien van het gegeven dat [geïntimeerde] heeft bestreden dat hij zonder toestemming van [appellante] twee routeplanners heeft aangeschaft bij [automaterialenhandel], kan deze reden niet leiden tot een rechtvaardiging van het per 7 februari 2002 aan [geïntimeerde] gegeven ontslag op staande voet. Immers, tussen partijen staat vast dat zij - naar aanleiding van de per 10 april 2000 aangeschafte routeplanners - de afspraak hebben gemaakt dat [geïntimeerde] de betreffende kosten van in ieder geval één routeplanner aan [appellante] zou terugbetalen. Na een tijdverloop van bijna twee jaren kan deze kwestie, wat daarvan verder ook moge zijn, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet (meer) worden aangemerkt als een zelfstandige dringende reden als bedoeld in art. 7:677 lid 1 BW.

b) de ISO-certificering (TUV)

[appellante] stelt dat [geïntimeerde] zijn taken als kantoormanager ernstig heeft verwaarloosd, althans onvoldoende heeft uitgevoerd door in december 2001 het bezoek van TUV voor de ISO-certificering te annuleren en vervolgens aan [appellante] mee te delen dat zij de daarop betrekking hebbende declaratie van TUV niet verschuldigd is, terwijl TUV aanmaningen bleef sturen.

[geïntimeerde] betwist dat hij zijn taak als kantoormanager heeft verwaarloosd. Uit de agenda van [appellante] blijkt dat er een misverstand bestond terzake van de datum van de uitvoering van deze audit. Met de datum is vervolgens geschoven en TUV zou daarvoor een creditnota verzenden aan [appellante], aldus [geïntimeerde].

Het hof overweegt als volgt.

Nu [appellante] de hiervoor weergegeven lezing van [geïntimeerde] niet heeft weersproken, is deze komen vast te staan.

Zelfs als er sprake was van een fout met betrekking tot de ISO-certificering, is deze voorts niet zo ernstig - de hoogte van de annuleringskosten mede in aanmerking nemend - dat dit ontslag op staande voet rechtvaardigt.

c) het kilometergeld en

d) het geleende geld voor de vakantiereis

[appellante] stelt dat [geïntimeerde]:

ondanks diverse aanmaningen van de directie, het door hem aan haar te restitueren kilometergeld nog steeds niet heeft afgerekend;

de tussen partijen gemaakte afspraak - inhoudende dat hij het van [appellante] geleende geld voor een vakantiereis binnen drie dagen zou verrekenen met zijn salaris - niet is nagekomen, terwijl hij belast is met de salarisadministratie.

[geïntimeerde] heeft daartegen aangevoerd hij met [appellante] de (nadere) afspraak had gemaakt dat hij op 14 februari 2002 de terugbetaling van het kilometergeld en het vakantiegeld zou afhandelen, zodat hij er gerechtvaardigd op heeft vertrouwd dat deze kwestie - na terugkomst van zijn huwelijksreis - in goede orde zou worden afgewikkeld.

Het hof overweegt het volgende.

Aangezien [appellante] de door [geïntimeerde] aangevoerde nadere afspraak niet heeft bestreden, staat deze nadere afspraak - en meer in het bijzonder het aan [geïntimeerde] gegeven uitstel van betaling tot 14 februari 2002 vast. Dit betekent

dat het niet restitueren van het kilometergeld en het niet terugboeken van het geleende geld voor de vakantiereis op 7 februari 2002 geen reden kan opleveren (laat staan een dringende reden) voor het aan [geïntimeerde] per 7 februari 2002 gegeven ontslag op staande voet.

e) de gas- en electrameter in de woning

[appellante] stelt dat [geïntimeerde] ruim twee jaar geleden de woning van de directeur van [appellante] heeft gekocht en dat [geïntimeerde] heeft verzwegen dat de gas- en electrameter niet in zijn woning, maar in de achtergelegen zaak van [appellante] aanwezig waren. [geïntimeerde] heeft volgens [appellante] tevens verzwegen dat zijn privé verbruik van gas en licht niet door hem privé werd betaald, maar door [appellante].

[geïntimeerde] voert daartegen aan dat hij de woning heeft gekocht van de directeur van [appellante], zodat deze wist, althans kon weten dat in het woonhuis geen gas- en elektrameter aanwezig waren. Volgens [geïntimeerde] is toen met [appellante] afgesproken dat hij deze voorzieningen pro-deo mocht gebruiken. Vanaf september 1999 tot en met januari 2002 is dit nooit een probleem geweest, zodat van een heimelijk, althans frauduleus gebruik geen sprake kan zijn.

Het hof oordeelt als volgt.

Vast staat dat [geïntimeerde] de woning heeft gekocht van de directeur van [appellante], zodat (de directeur van) [appellante] wist, althans op de hoogte kon zijn van de wijze waarop het elektra- en gasverbruik van de woning werd bemeterd. Het standpunt van [appellante] (zie mvg blz. 9) dat hij de woning onmiddellijk na aankoop aan [geïntimeerde] heeft verkocht en dat hij nimmer in de woning is geweest, geeft onvoldoende grond voor een ander oordeel. Het had op de weg van [appellante] gelegen feiten te stellen waaruit zijn onbekendheid met de bemetering en de verplichting van [geïntimeerde] om hem terzake te informeren kan volgen. Dit heeft tot gevolg dat [appellante] niet aan [geïntimeerde] kan tegenwerpen dat hij heeft verzwegen (hetgeen [geïntimeerde] overigens ook bestrijdt) dat deze meters niet in zijn woning aanwezig waren. Aangezien [appellante] betwist dat zij [geïntimeerde] toestemming heeft gegeven om pro-deo gebruik te maken van de betreffende voorzieningen van haar achter de woning gelegen zaak, had het in dit stadium van de procedure op haar weg gelegen om aan te geven (i) wat partijen naar aanleiding van het ontbreken van de betreffende voorzieningen in de woning volgens haar hebben afgesproken en (ii) waarom het pro-deo gebruik in de periode van 1999 tot en met januari 2002 eerst in februari 2002 tot problemen heeft geleid. Nu [appellante] dit heeft nagelaten, wordt de stelling van [appellante] dat [geïntimeerde] heeft verzwegen dat zijn privé verbruik van gas en licht door [appellante] werd betaald als onvoldoende feitelijk onderbouwd gepasseerd.

f) betalen van privé-declaraties ten laste van [appellante] en verwaarlozing van taken ten aanzien van financiële administratie

In de brief van 7 februari 2002 zijn deze verwijten niet uitgewerkt, zodat onduidelijk is welke declaraties en/of fouten [appellante] op het oog heeft.

[geïntimeerde] heeft bij brief van 13 februari 2002 deze verwijten in algemene zin bestreden.

Dat aan [geïntimeerde] duidelijk was welke verwijten hem in concreto werden gemaakt, is aldus niet komen vast te staan. Deze verwijten kunnen derhalve niet als grondslag voor het ontslag op staande voet dienen.

g) de kleine graafmachine (Bo-Rent)

[appellante] stelt dat [geïntimeerde] zonder vooroverleg en zonder toestemming van [appellante] een kleine graafmachine heeft gehuurd bij Bo-Rent voor het uitvoeren van een privé vriendendienst ([bevriende familie geïntimeerde]), terwijl hij de daarop betrekking hebbende huurkosten heeft betaald via haar zaakrekening en niet in rekening heeft gebracht aan [bevriende familie geïntimeerde]. Het huren van de graafmachine is door [geïntimeerde] heimelijk gebeurd, waardoor hij zichzelf, althans [bevriende familie geïntimeerde] heeft bevoordeeld en [appellante] heeft benadeeld.

[geïntimeerde] bestrijdt dat deze actie zonder toestemming van de directeur van [appellante] heeft plaatsgevonden.

Het hof oordeelt als volgt.

Uit de hiervoor onder 4.2.3. vermelde brief blijkt dat [appellante] het aan [geïntimeerde] per 7 februari 2002 gegeven ontslag op staande voet heeft gebaseerd op een groot aantal feiten en omstandigheden. Deze enkele op zichzelf staande omstandigheid is, wat daarvan overigens ook moge zijn, gelet op de inhoud van deze brief daarom onvoldoende om het aan [geïntimeerde] per 7 februari 2002 gegeven ontslag op staande voet te rechtvaardigen.

4.5.5. Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat [geïntimeerde] terecht bij brief van 13 februari 2002 de vernietigbaarheid van het hem gegeven ontslag op staande voet heeft ingeroepen, zodat dit ontslag nietig is.

4.6. Vervolgens komt het aan [geïntimeerde] per 20 februari 2002 gegeven ontslag op staande voet aan de orde.

4.6.1. In dit kader rijst allereerst de vraag of [geïntimeerde] tijdig de (ver-)nietig(baar-)heid van het aan hem gegeven ontslag heeft ingeroepen. Het hof beantwoordt deze vraag, anders dan [appellante], bevestigend, nu uit de door [geïntimeerde] in het geding gebrachte brieven van respectievelijk 26 juli 2002 en 5 augustus 2002 blijkt dat hij binnen de daarvoor geldende termijn van zes maanden de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen (prod. 6 cva in conv, cve in rec). De stelling van [appellante] dat de nietigheid van het ontslag op staande voet van 20 februari 2002 niet door [geïntimeerde] is ingeroepen, zodat dit ontslag onbetwistbaar vaststaat, kan derhalve niet als juist worden aanvaard.

4.6.2. Het geschil spitst zich aansluitend toe op de beantwoording van de vraag of het aan [geïntimeerde] per 20 februari 2002 gegeven ontslag op staande voet gerechtvaardigd is.

4.6.3. Het hof oordeelt als volgt.

De in de hiervoor onder 4.2.5. vermelde ontslagbrief voorkomende stelling dat [geïntimeerde] zich niet heeft afgemeld voor de door haar voorgestelde bespreking d.d. 14 februari 2002 om 09.00 uur kan niet als juist worden aanvaard, zodat het hof daaraan voorbij gaat. Immers, uit de door

[geïntimeerde] in het geding gebrachte faxbrief van 13 februari 2002 blijkt dat de raadsman van [geïntimeerde] aan [appellante] tijdig (dat wil zeggen daags voor de voorgestelde bespreking) heeft aangekondigd dat [geïntimeerde] niet komt op de bespreking en dat hij de communicatie via de advocaten wenst te laten verlopen. [appellante] heeft zich hier echter niets aan gelegen laten liggen en kennelijk de confrontatie gezocht waarbij zij tevens onaangekondigd afgifte van een aantal gegevens en goederen heeft verzocht. Het onder die omstandigheden afgifte weigeren van deze gegevens en/of goederen, is alleszins te begrijpen. De in de ontslagbrief genoemde redenen, zoals hiervoor onder 4.2.5. weergegeven, leveren daarom geen dringende reden op, die het aan [geïntimeerde] per 20 februari 2002 gegeven ontslag op staande voet zouden kunnen rechtvaardigen.

4.6.4. Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat [geïntimeerde] terecht de vernietigbaarheid van het hem per 20 februari 2002 gegeven ontslag op staande voet heeft ingeroepen, zodat dit ontslag eveneens nietig is.

4.7. In het verlengde van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen in de periode van 7 februari 2002 tot en met 31 maart 2002 is blijven voortbestaan, zodat [geïntimeerde] in reconventie, mede gelet op het feit dat hij aan [appellante] tevergeefs heeft aangeboden om arbeid te verrichten in beginsel aanspraak kan maken op achterstallig salaris over de periode van 7 februari 2002 tot en met 31 maart 2002.

4.8. De grieven I tot en met III in het principaal appel missen derhalve doel, met dien verstande dat partijen het eens zijn dat de kantonrechter in rechtsoverweging 3.29. van het beroepen vonnis abusievelijk heeft overwogen dat voormelde periode aanvangt op 7 maart 2002 in de plaats van 7 februari 2002. Dit leent zich voor herstel door het hof nu er - mede gelet op de hoogte van het gevorderde salaris - sprake is van een kennelijke vergissing gebaseerd op de eigen stellingen van [geïntimeerde] bij conclusie van antwoord.

4.9. De grieven IV tot en met IX in het principaal appel en grief I in het incidenteel appel lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Zij richten zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij heeft gegeven terzake van een aantal hierna te bespreken posten in conventie en reconventie.

4.9.1. Het hof zal eerst de posten behandelen, die betrekking hebben op de vorderingen van [appellante] in conventie. Het hof gaat daarbij uit van de volgende categoriale indeling:

Privé-besteding gedeclareerd via [appellante], zonder toestemming van [appellante];

(Nadere) betalingsafspraak niet nagekomen;

Varia;

D. Post is wel in de memorie van grieven in het principaal appel genoemd, maar tegen het oordeel van de kantonrechter terzake is geen grief gericht.

A. Privé-bestedingen gedeclareerd via [appellante], zonder toestemming van [appellante]

4.10. Telefoon (prod. 10, E. 181,73, r.o. 3.12.)

4.10.1. In grief V-b van het principaal appel klaagt [appellante] erover dat de kantonrechter deze post heeft afgewezen, omdat uit de eigen stellingen van [appellante] volgt dat haar vordering ad E. 181,73 op dit punt als onvoldoende onderbouwd moet worden gekarakteriseerd.

Ter onderbouwing van haar vordering stelt [appellante] dat [geïntimeerde] zonder haar toestemming en voor haar rekening op haar naam een GSM heeft aangeschaft voor privégebruik en dat hij haar zijn privé gesprekskosten liet betalen, waaronder de onderhavige nota's ad E. 181,73 in totaal. Op grond daarvan vordert [appellante] van [geïntimeerde] de restitutie van een bedrag ad E. 181,73.

4.10.2. [geïntimeerde] voert daartegen aan dat uit zijn salarisstroken blijkt dat de gesprekskosten van de betreffende GSM de ene keer wel en de andere keer niet werden verrekend met zijn salaris.

4.10.3. Het hof oordeelt als volgt.

Als onweersproken gesteld staat vast dat [geïntimeerde] zonder toestemming en voor rekening van [appellante] een GSM heeft aangeschaft voor privé-gebruik. Voorts staat als door [appellante] gesteld en door [geïntimeerde] niet, althans onvoldoende gemotiveerd bestreden, vast dat de nota's, waarvan [appellante] thans de (terug-)betaling vordert betrekking hebben op privé gesprekken van [geïntimeerde]. Aangezien [geïntimeerde] niet heeft aangevoerd dat hij juist de onderhavige nota's heeft verrekend met zijn salaris, mist zijn verweer doel. Het hof komt derhalve tot een andere conclusie dan de kantonrechter, namelijk dat deze vordering als onvoldoende gemotiveerd betwist, kan worden toegewezen. Deze grief is derhalve gegrond.

4.11. Bo-Rent (prod. 13, E. 157,26, r.o. 3.15.) en Ogenlust (prod. 12, E. 41,97, r.o. 3.14.)

4.11.1. In het incidenteel appel klaagt [geïntimeerde] erover dat aan hem is opgedragen te bewijzen dat:

hij met (vooraf of achteraf gegeven) toestemming van [appellante] de onderwerpelijke machine heeft gehuurd op naam en voor rekening van [appellante] (kwestie Bo-Rent);

[appellante] wel degelijk de onderwerpelijke bestelling in die zin heeft geaccordeerd dat de kosten voor rekening van [appellante] kwamen (kwestie Ogenlust).

Volgens [geïntimeerde] moet [appellante] ingevolge art. 7:661 BW bewijzen dat hij opzettelijk althans bewust roekeloos heeft gehandeld.

4.11.2. [appellante] stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter voormelde bewijsopdrachten gelet op art. 7:661 BW terecht aan [geïntimeerde] heeft verstrekt.

4.11.3. Het hof overweegt het volgende.

Ingevolge art. 7:661 BW is dwingendrechtelijk voorgeschreven dat de werknemer in beginsel niet aansprakelijk is voor de door hem aan de werkgever toegebrachte schade, tenzij de schade een gevolg is van zijn opzet of bewuste roekeloosheid.

4.11.4. In de kwestie Bo-Rent heeft de kantonrechter geoordeeld dat wie als werknemer ten behoeve van privé-werkzaamheden een machine bestelt en gebruikt, maar zonder toestemming de betreffende factuur op naam en voor rekening van zijn werkgever laat komen, met de opzet handelt die is neergelegd in art. 7:661 BW en uit dien hoofde jegens zijn werkgever aansprakelijk is voor de betreffende kosten. Tegen dit oordeel van de kantonrechter is - terecht - geen grief gericht, zodat dit oordeel ook in hoger beroep als uitgangspunt heeft te gelden, niet alleen in de kwestie Bo-Rent waarin dit oordeel uitdrukkelijk is gegeven, maar ook in de kwestie Ogenlust, waarin dezelfde problematiek speelt.

4.11.5. Anders dan [geïntimeerde] terzake van de kwestie Ogenlust heeft betoogd, doet de omstandigheid dat hij niet voor elke transactie toestemming van zijn werkgever nodig had omdat hij als kantoormanager een zekere beleidsvrijheid had, niet af aan voormeld uitgangspunt, nu het hier niet gaat om een zakelijke transactie maar om een privé-bestelling.

4.11.6. Het door [geïntimeerde] gevoerde verweer inhoudende dat hij met (vooraf of achteraf gegeven) toestemming van [appellante] op haar naam en voor haar rekening de betreffende machine heeft gehuurd bij Bo-Rent en de betreffende bestelling heeft geplaatst bij Ogenlust, levert een rechtvaardiging op van de hem verweten gedraging. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de bewijslast van dit (bevrijdend) verweer op [geïntimeerde] rust.

Anders dan [geïntimeerde] heeft aangevoerd, nopen de redelijkheid en billijkheid niet tot een andere bewijslastverdeling. De daartoe door [geïntimeerde] aangevoerde omstandigheid dat het voor hem ondoenlijk is om van iedere mondelinge instructie respectievelijk afspraak schriftelijk bewijs te verlangen van [appellante], kan hem niet baten. Immers, wat daarvan ook moge zijn, het ging in het onderhavige geval steeds om privé uitgaven en geen zakelijke uitgaven.

In zoverre faalt dus de grief in het incidenteel appel.

4.12. European City Guide (prod. 24, E. 762,15, r.o. 3.23.)

4.12.1. In het incidenteel appel klaagt [geïntimeerde] erover dat aan hem is opgedragen te bewijzen dat hij (vooraf of achteraf) toestemming kreeg van [appellante] om de onderwerpelijke bestelling op naam en voor rekening van [appellante] te doen. [geïntimeerde] heeft betwist dat hij zonder toestemming van [appellante] de betreffende bestelling op naam en voor rekening van [appellante] heeft geplaatst, zodat [appellante] ingevolge art. 7:661 BW moet bewijzen dat hij opzettelijk althans bewust roekeloos heeft gehandeld.

4.12.2. [appellante] stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter voormelde bewijsopdracht, gelet op art. 7:661 BW, terecht aan [geïntimeerde] heeft verstrekt, nu [geïntimeerde] heeft gesteld, en [appellante] heeft betwist, dat hij met toestemming van [appellante] op haar naam en voor haar rekening de bestelling heeft geplaatst.

4.12.3. Het hof overweegt het volgende.

Partijen twisten over de vraag of [geïntimeerde] zonder toestemming van [appellante] op haar naam en voor haar rekening de betreffende bestelling heeft gedaan. Hierin ligt besloten dat het gaat om de vraag of [geïntimeerde] opzettelijk heeft gehandeld. Het ligt op grond van de hoofdregel op de weg van [appellante] om te bewijzen dat [geïntimeerde] zonder toestemming van [appellante] op haar naam en voor haar rekening de betreffende bestelling heeft geplaatst. Nu het betreft opname van [appellante] in een bedrijvengids, geldt dat een met die gids beoogd "nut" ten gunste van [appellante] strekt. Dit betekent dat anders dan ten aanzien van het geval besproken in de vorige rechtsoverweging in beginsel de toestemming van [appellante] besloten ligt in de bevoegdheden van [geïntimeerde] als kantoormanager. Nu [appellante] geen andere feiten en omstandigheden heeft gesteld of aannemelijk heeft gemaakt die tot een andere bewijslastverdeling nopen, is de kantonrechter derhalve ten onrechte tot de onderhavige bewijsopdracht gekomen. In zoverre slaagt dus de grief in het incidenteel appel.

4.13. tapijtreiniger (prod. 21, E. 837,87, r.o. 3.21.)

4.13.1. Grief VI in het principaal appel komt erop neer dat de kantonrechter ten onrechte (in r.o. 3.21. van het beroepen vonnis) deze vordering heeft afgewezen als zijnde onvoldoende onderbouwd.

4.13.2. In eerste aanleg heeft [appellante] ter onderbouwing van deze vordering gesteld dat [geïntimeerde] ten laste van [appellante] een tapijtreiniger heeft besteld, die hij privé gebruikte. Aangezien [geïntimeerde] heeft geweigerd om de kosten van deze tapijtreiniger aan [appellante] te restitueren, is hij jegens haar toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de arbeidsovereenkomst, althans heeft hij onrechtmatig jegens haar gehandeld.

4.13.3. [geïntimeerde] heeft in eerste aanleg erkend dat hij deze tapijtreiniger op naam en voor rekening van [appellante] heeft besteld, maar hij betwist dat hij de daarop betrekking hebbende factuur aan [appellante] verschuldigd is, nu

deze reiniger werd gebruikt voor het reinigen van de bekleding van de bedrijfsvoertuigen. De omstandigheid dat [appellante] deze reiniger aan haar medewerkers verstrekte voor privé gebruik doet daaraan volgens [geïntimeerde] niet af.

4.13.4. Naar het oordeel van het hof heeft de kantonrechter in eerste aanleg, gelet op het tussen partijen gevoerde debat, terecht geoordeeld dat van [appellante] had mogen worden verwacht dat zij op dit verweer van [geïntimeerde] concreet en gemotiveerd zou ingaan. Nu zij dit heeft nagelaten, heeft de kantonrechter deze vordering terecht afgewezen.

Hoewel het hoger beroep er mede toe strekt in eerste aanleg gemaakte fouten en omissies te herstellen heeft [appellante] in hoger beroep nagelaten alsnog nader in te gaan op dit verweer. Het hof komt derhalve tot dezelfde conclusie als de kantonrechter. In het verlengde daarvan passeert het hof het bewijsaanbod van [appellante] (inhoudende dat de bewuste tapijtreiniger nog steeds in het bezit is van [geïntimeerde]) als niet terzake dienend. Daarbij is nog op te merken dat de memorie van grieven weliswaar inhoudt dat [appellante] afgifte van de tapijtreiniger heeft gevorderd, maar dat is in haar vordering - ook na wijziging - niet te lezen. Deze grief faalt.

B. (Nadere) betalingsafspraak niet nagekomen

4.14. Facturen [bedrijf 1], Bouwmaat, [bedrijf 2] (prod. 1, E. 1.149,34, r.o. 3.3.)

4.14.1. In het incidenteel appel klaagt [geïntimeerde] erover dat aan hem is opgedragen te bewijzen dat hij het totaalbedrag van deze facturen (minus BTW) heeft betaald aan [appellante]. [geïntimeerde] stelt in dat verband dat de kantonrechter art. 7:661 BW heeft miskend, aangezien een werknemer in situaties als de onderhavige niet kan worden belast met een bewijsopdracht.

4.14.2. [appellante] betwist dat de onderhavige bewijsopdracht ten onrechte aan [geïntimeerde] is verstrekt.

4.14.3. Het hof overweegt het volgende.

Vast staat dat [geïntimeerde] ten behoeve van zijn eigen woning een aantal aankopen heeft gedaan op naam en voor rekening van [appellante].

[appellante] vordert van [geïntimeerde] de betaling van de daarop betrekking hebbende facturen. Als door [geïntimeerde] erkend, staat vast dat hij op grond van een afspraak met [appellante] gehouden is om voormelde facturen (minus de BTW) aan [appellante] (terug) te betalen.

Nu [geïntimeerde] heeft gesteld dat hij deze facturen (minus de BTW) reeds aan [appellante] heeft betaald, hetgeen [appellante] bestrijdt, ligt het ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv op de weg van [geïntimeerde] om zijn stelling te bewijzen. Het hof komt derhalve tot dezelfde bewijslastverdeling als de kantonrechter.

De stelling van [geïntimeerde] dat hij enkel op grond van art. 7:661 BW door [appellante] kan worden aangesproken tot terugbetaling van voormelde facturen, is gelet op het voorgaande niet juist. Het hof verwerpt daarom deze onjuiste stelling. Dit onderdeel van de grief faalt dus.

4.15. Factuur 1 februari 2000 (prod. 3, E. 1.808,74, r.o. 3.6.)

4.15.1. In het incidenteel appel klaagt [geïntimeerde] erover dat aan hem is opgedragen te bewijzen dat hij dit factuurbedrag aan [appellante] heeft voldaan. Hiervoor geldt volgens [geïntimeerde] hetzelfde als hij met betrekking tot de facturen [bedrijf 1], Bouwmaat en [bedrijf 2] naar voren heeft gebracht.

4.15.2. [appellante] betwist dat de onderhavige bewijsopdracht ten onrechte aan [geïntimeerde] is verstrekt.

4.15.3. Het hof oordeelt als volgt.

Vast staat dat deze factuur ziet op herstelwerkzaamheden aan het pand van [geïntimeerde].

Geen grieven zijn gericht tegen de overweging van de kantonrechter dat hij de grondslag van deze vordering van [appellante] aldus begrijpt dat van [geïntimeerde] nakoming wordt verlangd van een (contractuele) betalingsverplichting terzake van de betreffende factuur, zodat dit ook in hoger beroep als uitgangspunt heeft te gelden.

Uit de eigen stellingen van [geïntimeerde] volgt dat hij erkent dat hij op grond van een afspraak met [appellante] verplicht was om deze factuur aan haar te betalen.

Nu [geïntimeerde] heeft gesteld dat hij deze factuur reeds aan [appellante] heeft betaald, hetgeen [appellante] bestrijdt, ligt het ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv op de weg van [geïntimeerde] om zijn stelling te bewijzen. Het hof komt derhalve tot dezelfde bewijslastverdeling als de kantonrechter.

Voorzover [geïntimeerde] beoogt te stellen dat hij enkel op grond van art. 7:661 BW door [appellante] kan worden aangesproken tot terugbetaling van voormelde facturen, verwerpt het hof deze onjuiste stelling. Dit onderdeel van de grief faalt dus.

4.16. Luxe accessoires Toyota (prod. 5, E. 4.665,31, r.o. 3.8.)

4.16.1. Uit de toelichting op grief V in het principaal appel blijkt dat deze grief zich richt tegen het oordeel van de kantonrechter (in r.o. 3.8. van het beroepen vonnis) dat (i) [geïntimeerde] deze (factuur-, toev. hof) bedragen volgens afspraak diende terug te betalen en dat (ii) [geïntimeerde] dat nog niet gedaan heeft. Het hof begrijpt dat [appellante] erover klaagt dat de onder (i) vermelde bewijsopdracht te ruim is geformuleerd en de onder (ii) vermelde bewijsopdracht ten onrechte aan haar is verstrekt.

4.16.2. [appellante] heeft aan deze vordering het volgende ten grondslag gelegd. [appellante] heeft voor [geïntimeerde] een Toyota aangeschaft die hij ook privé mocht gebruiken. [geïntimeerde] wilde deze auto met de volgende luxe accessoires ad E. 4.665,31 in totaal geleverd krijgen:

a) een airco (E. 1.691,92),

b) alarminstallatie (E. 677,-),

c) cruise control (E. 546,73),

d) mistlampen (E. 158,57),

e) aparte chroomgrill,

spatlappen en bumper in kleur (E. 596,39),

radiocombinatie (E. 283,61),

aparte antenne (E. 171,08),

speciale imperiaal (E. 540,-).

Tussen partijen is afgesproken dat deze extra accessoires door [geïntimeerde] aan [appellante] zouden worden terugbetaald. Nu [geïntimeerde] dit heeft geweigerd is hij jegens [appellante] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraak.

4.16.3. [geïntimeerde] heeft daartegen aangevoerd dat de aparte antenne en de speciale imperiaal niet door hem zijn besteld, zodat hij deze kosten (ad E. 711,08 in totaal) niet verschuldigd is.

Ten aanzien van de hiervoor onder a tot en met e vermelde posten heeft [geïntimeerde] weliswaar erkend dat hij de op deze posten betrekking hebbende facturen ad E. 3.670,61 in totaal aan [appellante] verschuldigd is, maar hij voert aan dat hij daarvan reeds een bedrag ad E. 2.042,01 aan [appellante] heeft voldaan, zodat terzake daarvan slechts een bedrag ad E. 1.628,60 resteert dat [geïntimeerde] aan [appellante] dient te betalen.

4.16.4. Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Beide onderdelen van de grief zijn gegrond.

De onder (i) vermelde bewijsopdracht is te ruim geformuleerd, nu deze tevens betrekking heeft op posten waarvan [geïntimeerde] de verschuldigdheid heeft erkend (a tot en met e) danwel de verschuldigdheid niet concreet heeft bestreden (f).

Aangezien [geïntimeerde] alleen ten aanzien van de hiervoor onder g) en h) vermelde posten concreet heeft betwist dat hij deze heeft besteld, ligt het op de weg van [appellante] te bewijzen dat [geïntimeerde] deze accessoires heeft besteld. Nu uit de stellingen van [geïntimeerde] volgt dat hij de kosten van de door hem bestelde accessoires diende terug te betalen is er geen grond [appellante] daarnaast te belasten met het bewijs dat ook de afspraak tot terugbetaling van deze kosten moet worden bewezen.

De onder (ii) vermelde bewijsopdracht is ten onrechte aan [appellante] verstrekt. Nu [geïntimeerde] heeft gesteld en [appellante] heeft betwist dat hij terzake van de luxe accessoires van de Totoya reeds E. 2.042,01 contant heeft betaald aan [appellante], ligt het ingevolge de hoofdregel van art. 150 Rv op de weg van [geïntimeerde] om zijn stelling te bewijzen. Het hof zal [geïntimeerde] op dit punt tot bewijslevering van zijn stelling toelaten.

4.17. de routeplanner (prod. 6, E. 1.280,04, r.o. 3.9.)

4.17.1. Met de grief in het incidenteel appel klaagt [geïntimeerde] erover dat hij dient te bewijzen dat hij aan [appellante] al heeft betaald voor een routeplanner, terwijl [appellante] met grief Va in het principaal appel aanvoert dat de kantonrechter ten onrechte heeft nagelaten [geïntimeerde] tevens te belasten met het bewijs dat hij van [appellante] toestemming had verkregen tot het aanschaffen van twee routeplanners, waarvan één exemplaar bestemd zou zijn voor zijn oom.

4.17.2. Het hof oordeelt als volgt.

[appellante] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] jegens haar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gemaakte afspraak dat hij één routeplanner zou terugbetalen. Nu [geïntimeerde] de tussen partijen gemaakte afspraak - en daarmee de grondslag van de vordering - niet heeft bestreden, maar daartegen slechts heeft aangevoerd dat hij deze routeplanner reeds heeft (terug-) betaald aan [appellante] (prod 9 cva conv onder nr. 9), ligt het ingevolge de hoofdregel op de weg van [geïntimeerde] om deze stelling, die door [appellante] is bestreden, te bewijzen. De grief in het incidenteel appel is ongegrond.

4.17.3. Gelet op de aldus vaststaande afspraak tot terugbetaling heeft de kantonrechter terecht nagelaten om [geïntimeerde] te laten bewijzen dat hij van [appellante] toestemming had verkregen tot het aanschaffen van twee routeplanners, waarvan één exemplaar bestemd zou zijn voor zijn oom. Grief Va in het principaal appel is derhalve eveneens ongegrond.

C. Varia

4.18. schade aan Alfa Romeo (prod. 4 en 19 ad E. 2.371,69, r.o. 3.19.)

4.18.1. Grief IVa in het principaal appel richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de door [appellante] gevorderde reparatie- en herstelkosten van haar Alfa dienen te worden afgewezen.

In hoger beroep verduidelijkt [appellante] de grondslag van deze vordering. Zij stelt aldus dat de schade aan de auto door [geïntimeerde] niet tijdens diensttijd of bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, maar 's avonds is veroorzaakt toen hij de auto (een bedrijfsauto door [appellante] aan haar [bedrijfsleider] ter beschikking gesteld) privé in bruikleen had. Aangezien [geïntimeerde] de auto privé in bruikleen had, dient hij de daaraan door hemzelf veroorzaakte schade te vergoeden.

[geïntimeerde] voert daartegen aan dat de schade aan de bedrijfsauto onder werktijd is ontstaan, zodat hij op grond van art. 7:661 BW alleen aansprakelijk is voor de schade, indien deze schade het gevolg zou zijn van zijn opzet en /of bewuste roekeloosheid. Nu [appellante] op geen enkele wijze heeft gemotiveerd waarom in dit geval sprake zou zijn van opzet of bewuste roekeloosheid dient de vordering - nog afgezien van het feit dat hij de schade reeds heeft vergoed - te worden afgewezen.

4.18.2. Het hof oordeelt als volgt.

Kern van dit geschilpunt vormt de vraag of [geïntimeerde] jegens [appellante] verplicht is de schade aan de bedrijfsauto te vergoeden. Bij de beantwoording van deze vraag stelt het hof voorop dat een werknemer, die de schade aan de bedrijfsauto heeft veroorzaakt tijdens zijn privé-tijd (waarbij het in de stellingen van [appellante] besloten ligt dat [geïntimeerde] de auto niet gebruikte bij de uitvoering van zijn werkzaamheden) daarvoor in beginsel jegens zijn werkgever aansprakelijk is. Het is dan irrelevant of de werknemer opzettelijk of bewust roekeloos heeft gehandeld, aangezien art. 7:661 BW in dat geval niet van toepassing is.

4.18.3. Nu [appellante] stelt en [geïntimeerde] betwist dat hij de schade aan de auto in zijn privé-tijd (en derhalve niet ter uitvoering van diens werkzaamheden voor [appellante]) heeft veroorzaakt, ligt het op haar weg om deze stelling te bewijzen. Het hof zal [appellante] toelaten tot bewijslevering daarvan. In zoverre treft de grief doel.

4.18.4. Indien [appellante] erin slaagt haar stelling te bewijzen dan staat vast dat [geïntimeerde] jegens [appellante] aansprakelijk is voor de schade die hij heeft veroorzaakt aan de auto, nu overigens geen feiten en omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit kan volgen dat deze schade niet voor diens rekening zou komen. In dat geval rijst de vraag of [geïntimeerde] deze schade reeds aan [appellante] heeft vergoed, hetgeen [geïntimeerde] heeft gesteld en [appellante] heeft betwist. Aangezien het op grond van de hoofdregel op de weg van [geïntimeerde] ligt om deze stelling te bewijzen zal het hof uit proces-economisch oogpunt reeds thans aan [geïntimeerde] bewijs van deze stelling opdragen.

4.18.5. Indien [appellante] niet in haar bewijslevering slaagt, dan is niet komen vast te staan dat [geïntimeerde] de schade tijdens zijn privé-tijd (en derhalve niet ter uitvoering van diens werkzaamheden voor [appellante]) heeft veroorzaakt. In dat geval heeft te gelden dat [geïntimeerde] alleen aansprakelijk is voor de schade die door hem tijdens de diensttijd is veroorzaakt, waarbij het in de rede ligt dat hij de auto gebruikte bij de uitvoering van zijn werkzaamheden, als de schade het gevolg is van zijn opzet althans bewuste roekeloosheid. Nu [appellante] daaromtrent niets heeft gesteld, wordt deze vordering alsdan afgewezen.

Het standpunt van [appellante] dat [geïntimeerde] desondanks op grond van een toezegging tot vergoeding van de schade gehouden zou zijn wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen. Het had gelet op de betwisting daarvan door [geïntimeerde] op de weg van [appellante] gelegen feiten te stellen omtrent de totstandkoming van de gestelde afspraak, hetgeen [appellante] heeft nagelaten. De enkele verwijzing door [appellante] naar de verklaring van [geïntimeerde] dat hij die kosten heeft betaald is daarvoor eveneens onvoldoende. Bewijs opdragen heeft daarom geen zin.

4.19. TUV (prod. 20, E. 799,68, r.o. 3.20.)

4.19.1. Grief VIIa in het principaal appel komt erop neer dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat [appellante] onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op het verweer van [geïntimeerde] op dit punt en dat gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] opzettelijk en bewust roekeloos in de zin van art. 7:661 BW, buiten zijn beleidsvrijheid om, de afspraak in kwestie heeft geannuleerd. Tegen deze achtergrond heeft de kantonrechter ten onrechte geoordeeld dat deze deelvordering moet worden afgewezen, aldus [appellante].

4.19.2. Deze grief faalt. Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat deze deelvordering dient te worden afgewezen. Feiten waaruit moet volgen dat [geïntimeerde] opzettelijk of bewust roekeloos buiten de hem ingevolge zijn functie of afspraken met [appellante] toekomende beleidsvrijheid een afspraak zonder toestemming heeft geannuleerd zijn onvoldoende gesteld danwel gebleken.

4.20. computerwachtwoord (prod. 22, E. 3.000,-, r.o. 3.22.)

4.20.1. Grief VII in het principaal appel richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter (in r.o. 3.22. van het beroepen vonnis) dat [appellante] dient te bewijzen dat de opgevoerde kosten zien op voor rekening van [appellante] verrichte werkzaamheden en gebruikte materialen, welke werkzaamheden uitsluitend nodig waren doordat [geïntimeerde] wachtwoorden heeft achtergehouden.

4.20.2. Het hof begrijpt uit de toelichting op deze grief dat [appellante] zich op het standpunt stelt dat [geïntimeerde] heeft erkend schadeveroorzakend te werk te zijn gegaan, zodat de vordering terstond (dat wil zeggen zonder bewijslevering) kan worden toegewezen. [appellante] stelt in dat verband dat [geïntimeerde] heeft erkend dat:

[appellante] hem heeft benaderd voor het verkrijgen van de pincode ten behoeve van het telebankingprogramma en hij back-ups van de financiële administratie heeft meegenomen.

Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] geweigerd de pincode en de back-ups aan [appellante] te geven, als gevolg waarvan [appellante] schade heeft geleden. [geïntimeerde] is jegens haar aansprakelijk voor deze schade aangezien hij jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld, althans toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, althans in strijd heeft gehandeld met de beginselen van goed werknemerschap, aldus [appellante].

4.20.3. Het hof overweegt als volgt.

De grief faalt, nu de kantonrechter uitsluitend heeft geoordeeld dat het causaal verband niet vaststaat. Daartegen is echter geen grief gericht.

4.20.4. Blijkens Memorie van Antwoord nr. 94 stelt [geïntimeerde] zich voorts op het standpunt dat de aan [appellante] verstrekte bewijsopdracht zinloos zou zijn, omdat van aansprakelijkheid geen sprake kan zijn. Het hof leest evenwel in dit onderdeel van de memorie van antwoord geen incidenteel appel, hoewel de bewoordingen daar in eerste instantie wel op lijken te wijzen. Van een als zodanig ingesteld appel is immers niet gebleken, te meer nu [geïntimeerde] heeft aangekondigd bij de behandeling van het incidenteel appel op dit onderdeel terug te komen en [geïntimeerde] dit heeft nagelaten.

4.21. boete verbod nevenwerkzaamheden (prod. 18, E. 2.268,90, r.o. 3.18.)

4.21.1. Met grief 5c in het principaal appel klaagt [appellante] erover dat hij dient te bewijzen dat [geïntimeerde] nevenwerkzaamheden heeft verricht voor Omvero en/of Job Technisch Uitzendbureau. In de toelichting op deze grief stelt [appellante] zich op het standpunt dat deze vordering, gelet op hetgeen zij in eerste aanleg en in hoger beroep naar voren heeft gebracht, terstond (dat wil zeggen zonder bewijslevering) voor toewijzing gereed ligt.

4.21.2. [appellante] stelt dat [geïntimeerde] ondanks het contractuele verbod tot het uitvoeren van nevenwerkzaamheden, zonder haar toestemming allerlei werkzaamheden voor andere ondernemingen heeft verricht, zodat hij ingevolge art. 12 van de arbeidsovereenkomst aan haar de boete ad E. 2.268,90 is verschuldigd. Volgens [appellante] heeft [geïntimeerde] tijdens zijn diensttijd bij [appellante] werkzaamheden verricht voor zijn eenmanszaak Omvero, waarvoor hij zelfs het briefpapier, de telefoons, de GSM's en het nummer van de Kamer van Koophandel gebruikte van [appellante]. Zij verwijst in dat verband naar een door haar in het geding gebrachte productie 18 (cncomp). Daarnaast heeft [geïntimeerde] gedurende het dienstverband met [appellante] werkzaamheden verricht voor Job Technisch Uitzendbureau, waaronder het laten uitvoeren van reclamebelettering.

4.21.3. [geïntimeerde] betwist dat hij het in art. 8 van de arbeidsovereenkomst neergelegde verbod heeft overtreden, zodat hij de daarop betrekking hebbende contractuele boete niet is verschuldigd.

Hij ontkent dat hij een eenmanszaak heeft en betoogt dat de naam Omvero, evenals de door [appellante] overgelegde producties hem onbekend voorkomen. Volgens [geïntimeerde] heeft [appellante] geknoeid met computerbestanden, teneinde te doen voorkomen dat hij een eenmanszaak heeft.

[geïntimeerde] betwist voorts dat hij tijdens zijn dienstverband met [appellante] een dienstverband heeft gehad met een derde. Hij heeft Job Technisch Uitzendbureau enkel bij wijze van vriendendienst - zonder dat hij daarvoor is betaald - op weg geholpen.

4.21.4. Het hof overweegt als volgt.

Het hof begrijpt uit het tussen partijen gevoerde debat dat niet in geschil is dat alleen nevenwerkzaamheden onder het in art. 8 van de arbeidsovereenkomst neergelegde verbod vallen, die [geïntimeerde] tegen betaling voor een derde (een werkgever of opdrachtgever) danwel voor eigen rekening heeft verricht.

De door [appellante] aan haar vordering ten grondslag gelegde stelling dat [geïntimeerde] in strijd met het contractuele verbod (naar het hof begrijpt: betaalde) nevenwerkzaamheden heeft verricht ten behoeve van Job Technisch Uitzendbureau en Omvero, is gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door [geïntimeerde], vooralsnog niet komen vast staan.

Anders dan [appellante] betoogt, heeft zij de juistheid van haar stelling noch in eerste aanleg noch in hoger beroep voldoende aangetoond.

Voor wat betreft de door [appellante] in eerste aanleg overgelegde producties heeft [geïntimeerde] betwist dat deze (niet handgeschreven, maar met de computer vervaardigde brieven) van hem afkomstig zijn, zodat daaruit vooralsnog niet kan worden afgeleid dat hij onder de naam Omvero een eenmanszaak heeft opgericht.

De in hoger beroep overgelegde productie (3) kan [appellante] voorshands evenmin baten, nu daaruit niet blijkt dat [geïntimeerde] tegen betaling optrad als vertegenwoordiger van Job Technisch Uitzendbureau.

Uit het voorgaande volgt dat deze vordering, gelet op hetgeen zij in eerste aanleg en hoger beroep naar voren heeft gebracht, niet terstond (dat wil zeggen zonder bewijslevering) voor toewijzing gereed ligt. De grief faalt dus.

4.22. buitengerechtelijke kosten

4.22.1. Grief IX in het principaal appel richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter (in r.o. 3.27 van het beroepen vonnis) dat de opgevoerde buitengerechtelijke incassokosten buitensporig hoog zijn en nimmer voor integrale toewijzing in aanmerking zullen komen. In de toelichting op deze grief stelt [appellante] dat het gezien de omvang van de vordering aan de zijde van [appellante] aannemelijk is dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten wel voor vergoeding in aanmerking dienen te komen. De gemachtigde van [appellante] heeft omvangrijke werkzaamheden dienen te verrichten, teneinde een betaling buiten rechte te kunnen verkrijgen.

4.22.2. Het hof oordeelt als volgt.

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso)kosten is slechts toewijsbaar indien deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang daarvan eveneens redelijk is. De vordering van [appellante] gaat het in het Rapport Voor-Werk II gehanteerde forfaitaire tarief, dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht, in ruime mate te boven. Uit de algemene stellingen van [appellante] kan niet worden afgeleid dat zij duidelijk meer buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt dan in dit tarief is besloten. De door [appellante] gevorderde kosten moeten dan ook als onredelijk worden aangemerkt, voorzover zij het forfaitaire tarief overschrijden. De kantonrechter heeft daarom terecht geoordeeld dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten niet voor integrale toewijzing in aanmerking komen.

De grief faalt.

D. Post is wel in de memorie van grieven in het principaal appel genoemd, maar daartegen is geen grief gericht.

4.23. De volgende posten zijn door [appellante] genoemd in de memorie van grieven in het principaal appel:

- de waterkoeler/heather (r.o. 3.4.)

- factuur 1 februari 2000 (r.o. 3.6.)

- Essent (r.o. 3.10.)

- Waterschap (r.o. 3.11.)

- benzinekosten (r.o. 3.13.)

- Ogenlust (r.o. 3.14.)

- Bo-rent (r.o. 3.15.)

- verzekeringen (r.o. 3.16.)

- boete geheimhoudingsplicht (r.o. 3.17.)

- European City Guide (r.o. 3.23.)

- dakwerkzaamheden (r.o. 3.24.)

- lening (r.o. 3.25.)

- afgifte goederen (r.o. 3.26.)

Nu [appellante] geen grieven heeft gericht tegen het oordeel van de kantonrechter in het beroepen vonnis terzake van deze posten - en meer in het bijzonder tegen voormelde rechtsoverwegingen - staat dit oordeel in principaal appel niet ter discussie.

4.24. Het hof zal vervolgens de posten behandelen, die betrekking hebben op de vorderingen van [geïntimeerde] in reconventie.

4.25. afgifte aan [geïntimeerde] van hem toebehorende zaken

4.25.1. Grief VIII in het principaal appel richt zich tegen de conclusie van de kantonrechter (in r.o. 3.32. van het beroepen vonnis) dat [appellante] niet ontkend zou hebben de aangegeven zaken onder zich te hebben. Volgens [appellante] neemt de kantonrechter ten onrechte als vaststaand aan dat alle zaken, die zijn opgesomd in prod. 9 sub 18 cva,:

(i) in eigendom toebehoren aan [geïntimeerde] en (ii) zich bevinden bij [appellante].

4.25.2. Het hof constateert dat de volgende zaken, waarvan [geïntimeerde] - zoals hiervoor onder 4.3.1. sub II weergegeven - in reconventie van [appellante] de afgifte vordert op de in prod. 9, sub 18 weergegeven lijst voorkomen:

a) gezinsfoto;

b) Big tower computerconfiguratie;

c) 128 MB Ram geheugen;

d) Teles 5 modemkaart;

e) Geluidskaart;

f) 16 MB videokaart;

g) 3,5 floppydisk

h) 17 inch kleurenscherm

i) luidsprekers

j) printer/kopieerapparaat Nashuatec Radius R135

k) Epson stylus 800 color kleurenprinter

l) Softwaremap met diverse Cd-rom's waarop programmatuur staat

m) 1 aggregaat

n) 6 zitstoelen zwart/blauw

o) 3 presentatieschappen

p) 1 routeplanner in auto.

4.25.3. Het hof oordeelt als volgt.

Ad p)

Nu [appellante] in ieder geval in hoger beroep heeft betwist dat de op de lijst onder p) voorkomende routeplanner in eigendom toebehoort aan [geïntimeerde], is niet komen vast staan dat de routeplanner, zoals [geïntimeerde] stelt, zijn eigendom is. Het ligt op de weg van [geïntimeerde] om de aan zijn vordering ten grondslag gelegde stelling dat de routeplanner zijn eigendom is te bewijzen. Het hof zal [geïntimeerde] daartoe in de gelegenheid stellen.

Ad a), i), k) tot en met m)

Aangezien [appellante] daarnaast in hoger beroep bestrijdt dat zich de volgende op de lijst onder a), i), k) tot en met m) voorkomende zaken bij haar bevinden is evenmin komen vast staan dat de aan [geïntimeerde] in eigendom toebehorende gezinsfoto, aggregaat, luidsprekers, Epson Stylus 800 color kleurenprinter en softwaremap met diverse Cd-rom's zich bij [appellante] bevinden.

Het ligt derhalve op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv de weg van [geïntimeerde] om zijn stellingname op dit punt te bewijzen. De omstandigheid dat [appellante] eerst in hoger beroep heeft aangevoerd dat zij voormelde zaken niet in haar bezit heeft, leidt anders dan [geïntimeerde] heeft betoogd, niet tot een ander oordeel. [geïntimeerde] gaat er in zijn betoog in zoverre ten onrechte aan voorbij dat het hoger beroep er mede toe strekt in eerste aanleg gemaakte fouten en omissies te herstellen.

Ten overvloede wijst het hof er voor de duidelijkheid op dat [appellante] in hoger beroep heeft erkend dat zij de volgende zaken, die [geïntimeerde] in eigendom toebehoren, in haar bezit heeft, zodat dit als vaststaand kan worden aangenomen: de op de lijst onder h), j), n) en o) voorkomende zaken en tevens een computer met toebehoren. [appellante] neemt aan dat onder dit laatste item vallen: de op de lijst onder b) tot en met g) voorkomende zaken.

De grief treft doel.

Nu de beslissingen terzake worden aangehouden is er geen aanleiding om over het beroep op opschorting te beslissen.

4.26. schade aan auto ad E. 427,44 (r.o. 3.30.)

4.26.1. In het incidenteel appel klaagt [geïntimeerde] erover dat aan hem is opgedragen te bewijzen dat [appellante] schade heeft toegebracht aan zijn auto en dat de opgevoerde kosten zien op herstel van die schade.

4.26.2. Het hof overweegt als volgt.

Nu aan [geïntimeerde] conform de hoofdregel van art. 150 Rv bewijs is opgedragen van de aan zijn vordering ten grondslag gelegde stelling, die door [appellante] is bestreden, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien, waarom de kantonrechter hem ten onrechte met het bewijs daarvan zou hebben belast. De grief faalt derhalve.

4.27. Voor het overige hebben partijen geen feiten en omstandigheden gesteld, die indien bewezen tot een ander oordeel leiden, zodat hun in algemene termen vervatte bewijsaanbiedingen als niet terzake dienend worden gepasseerd.

4.28. Op grond van bovenstaande overwegingen zal het beroepen tussenvonnis van 14 april 2004 gedeeltelijk worden vernietigd en voor het overige worden bekrachtigd. Het hof zal de zaak in de stand waarin deze zich bevindt terugverwijzen naar de kantonrechter te Heerlen teneinde deze, met inachtneming van het vorenstaande, verder te behandelen.

4.29. Samengevat ten behoeve van partijen en de kantonrechter betekent dit het volgende:

In conventie:

-de beslissingen van de kantonrechter genoemd in 4.23 blijven in stand voor zover hiervoor niet anders is geoordeeld;

-[geïntimeerde] moet worden veroordeeld om aan [appellante] te betalen E. 181,73 (terzake telefoon, 4.10.3) E. 1.912,21 (terzake luxe accessoires Toyota, 4.16.3);

-de vorderingen van [appellante] terzake TUV (4.19.2), tapijtreiniger (4.13.4) en buitengerechtelijke kosten voor zover die het tarief van het rapport Voorwerk te bovengaan (4.22.2) moeten worden afgewezen.

In reconventie:

-[appellante] dient aan [geïntimeerde] te betalen het loonbedrag voor de periode 7 februari 2002 tot en met 31 maart 2002 (4.7, 4.8);

-[appellante] dient aan [geïntimeerde] af te geven de items b) t/m h), j), n) en o) van prod. 9 sub 18 (4.25.3).

In conventie en reconventie:

beslissingen terzake zullen worden aangehouden.

Ter wille van de overzichtelijkheid formuleert het hof de (overige) beslissingen in conventie en in reconventie hierna zo volledig mogelijk, ook voorzover het onderdelen betreft waartegen niet gegriefd is. De vernietiging betreft het beroepen tussenvonnis van de kantonrechter voorzover dat van die beslissingen afwijkt.

4.30. In het principaal appel zal [appellante] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. In het incidenteel appel zullen de proceskosten op de hierna in het dictum te vermelden wijze worden gecompenseerd aangezien beide partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld.

5. De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar appel tegen het tussenvonnis van 3 september 2003;

vernietigt het tussenvonnis van 14 april 2004 voorzover dat afwijkt van hetgeen hierna wordt beslist;

In conventie:

draagt aan [appellante] op te bewijzen:

- dat [geïntimeerde] zonder toestemming van [appellante] op naam en voor rekening van [appellante] de bestelling terzake de Euro City Guide heeft geplaatst(4.12.3);

- dat [geïntimeerde] voor de Toyota een aparte antenne en speciale imperiaal besteld heeft (4.16.4);

- dat [geïntimeerde] de schade aan de Alfa heeft veroorzaakt in privé-tijd (niet ter uitvoering van zijn werkzaamheden) (4.18.3);

- dat de opgevoerde kosten zien op voor rekening van [appellante] verrichte werkzaamheden en gebruikte materialen, welke werkzaamheden uitsluitend nodig waren doordat [geïntimeerde] wachtwoorden heeft achtergehouden (4.20.2 en 4.20.3);

- dat [geïntimeerde] in strijd met het contractuele verbod, nevenwerkzaamheden heeft verricht voor Omvero en/of Job Technisch Uitzendbureau (4.21.1 en 4.21.4);

en verstaat dat geen grief is gericht tegen de bewijsopdrachten aan [appellante] van de kantonrechter terzake waterkoeler (3.4), benzinekosten (3.13) en verzending brief (3.17) (4.23);

draagt aan [geïntimeerde] op te bewijzen:

- dat [appellante] toestemming had gegeven voor de machine huur bij Bo-rent en de bestelling bij Ogenlust op naam van en voor rekening van [appellante] (4.11.6);

- dat [geïntimeerde] al aan [appellante] heeft betaald:

de bedragen van de facturen [bedrijf 1], Bouwmaat en [bedrijf 2] (4.14.3)

het bedrag van de factuur van 1 februari 2000 ad E. 1.818,74 (4.15.3)

E. 2.042,01 terzake luxe accessoires Toyota (4.16.4) één routeplanner (4.17.2)

en (indien komt vast te staan dat de schade aan de Alfa door [geïntimeerde] is veroorzaakt in privé-tijd/niet ter uitvoering van zijn werkzaamheden (4.18.3) het schadebedrag van die Alfa (4.18.4);

In reconventie:

draagt aan [geïntimeerde] op te bewijzen:

- dat de routeplanner (item p) op de in prod. 9, sub 18 weergegeven lijst) eigendom is van [geïntimeerde] (4.25.3);

- dat de items a), i), k), l) en m) op de in prod. 9, sub 18 weergegeven lijst zich nog onder [appellante] bevinden (4.25.3);

- dat [appellante] schade heeft toegebracht aan [geïntimeerde] auto en de kosten van herstel van die schade (4.26);

In conventie en in reconventie:

verstaat dat geen grief is gericht tegen de beslissing van de kantonrechter dat nadere inlichtingen moeten worden verstrekt over Essent (3.10) verzekeringen (3.16) en dakwerkzaamheden (3.24) (4.23);

wijst de zaak terug in de stand waarin deze zich bevindt, naar de rechtbank te Maastricht, sector kanton, locatie Heerlen teneinde deze verder te behandelen met inachtneming van hetgeen het hof heeft overwogen en beslist;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het principaal appel, welke kosten aan de zijde van [geïntimeerde] tot de dag van deze uitspraak worden begroot op E. 241,- aan verschotten en E. 1.631,- aan salaris procureur;

compenseert de proceskosten van het incidenteel appel in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aarts, Grapperhaus en Slootweg en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 4 juli 2006.