Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY6477

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-03-2006
Datum publicatie
18-08-2006
Zaaknummer
C0401690
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vraag of [appellante] als gevolg van het ongeval niet kan werken, valt in twee delen uiteen:

- ten eerste, was [appellante] na het ongeval ongeschikt om te werken, en

- ten tweede: zo ja, was dat dan het gevolg van het ongeval.

In verband met de eerste vraag merkt het hof op, dat de klachten die zij na het ongeval aangaf wezenlijk niet afweken van de klachten van thans, en ook de bevindingen van de diverse medici in de loop der jaren betrekkelijk constant zijn gebleven. Tot op blijk van het tegendeel kan ervan uit worden gegaan dat haar huidige lichamelijke situatie grosso modo ook haar lichamelijke situatie enkele weken of maanden na het ongeval weergeeft.

In de diverse stukken wordt niet altijd consequent onderscheid gemaakt tussen "klachten", "aandoeningen/afwijkingen" en "beperkingen". Met name het woord klacht, dat naar de letter enkel betekent iets waarover de klager, al dan niet terecht, klaagt, wordt soms ook gebezigd in de betekenis van een geconstateerde afwijking of aandoening. Het hof zal de term "klacht" zoveel mogelijk bezigen in de betekenis van een "geuite of aangegeven", en dus per definitie subjectieve klacht, ongeacht of daaraan een objectief vast te stellen aandoening of afwijking ten grondslag ligt. Met aandoening of afwijking doelt het hof dan op een medisch vaststelbare aandoening of afwijking. Met beperking doelt het hof op de fysieke beperkingen welke, in het dagelijkse leven of in verband met het werk, van die aandoeningen of afwijkingen het gevolg zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. MdL

rolnr. C0401690/BR

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 'S-HERTOGENBOSCH

vijfde kamer, van 21 maart 2006

gewezen in de zaak van:

[APPELLANTE],

wonende te [plaats],

appellante bij exploot van dagvaarding van 1 december 2004,

procureur: mr. J.A.Th.M. van Zinnicq Bergmann,

tegen:

De naamloze vennootschap LONDON VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

op het hoger beroep van de door de rechtbank Breda gewezen vonnissen van 1 mei 2001, 14 mei 2003, 17 september 2003 en 8 september 2004 tussen appellante - [appellante] - als eiserres en geïntimeerde - London - als gedaagde.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 93790/HAZA01-431)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en de daarin genoemde stukken.

2. Het geding in hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig ingesteld. Het verloop van het geding blijkt uit de volgende voor uitspraak overgelegde, als ingelast te beschouwen stukken:

- de appèldagvaarding

- de memorie van grieven

- de memorie van antwoord

[appellante] concludeert tot vernietiging van het eindvonnis met toewijzing alsnog van haar in eerste aanleg ingestelde vorderingen; London concludeert tot bekrachtiging.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de zeven grieven zoals geformuleerd in de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1. Het vonnis van 1 mei 2001, waarvan beroep, is het comparitievonnis; hiertegen zijn geen grieven gericht. Het hiertegen ingestelde beroep is niet ontvankelijk.

De tussenvonnissen van 14 mei 2003 en 17 september 2003 vormden de opmaat tot de deskundigenonderzoeken. Tegen deze vonnissen zijn geen grieven gericht; volgens [appellante] richt haar hoger beroep zich ook tegen die tussenvonnissen "voor zover het hierna [in de memorie van grieven; hof] gestelde zich niet met enige overweging van de tussenvonnissen laat verenigen". Uit hetgeen verderop in die memorie wordt gesteld valt echter niet af te leiden tegen welke passages in de tussenvonnissen [appellante] bezwaar zou hebben. Aldus is ook het tegen die tussenvonnissen ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk.

4.2. Voor de vaststaande feiten verwijst het hof naar de niet bestreden weergave in het tussenvonnis van 14 mei 2003 onder 3.1. Kort gezegd gaat het hierom, dat op 11 juli 1998 aan [appellante] als passagier in een auto, bestuurd door een bestuurder die was verzekerd bij London, een ernstig verkeersongeval is overkomen doordat die auto op de A15 was geslipt, van de weg geraakt, over de kop geslagen, tegen een praatpaal gebotst, en in een sloot was beland. [appellante] zat achterin en droeg geen gordel (niet aanwezig). Zij is via de achterruit uit de auto getrokken. De bestuurder van dat ongeval was aansprakelijk zodat London als verzekeraar aan [appellante] haar schade moet vergoeden.

4.3. In dit geschil is uitsluitend aan de orde, welke schade [appellante] als gevolg van het ongeval heeft geleden.

Anders dan [appellante] in de conclusie van repliek (pag. 6) stelt, rust op haar de bewijslast van het letsel, de schade en het oorzakelijk verband met het ongeval.

4.4. Nadat tussen partijen was gedebatteerd over de te benoemen deskundigen - [appellante] had geen bezwaren tegen de door de rechtbank voorgestelde deskundigen, maar London wel - heeft de rechtbank de eerder door haar voorgestelde deskundigen, dr. Boone en dr. Oeberius Kapteijn tot deskundigen benoemd. Zij hebben gerapporteerd. In grote lijnen komen hun bevindingen erop neer dat dr. Boone geen objectieve afwijkingen als ongevalsgevolg heeft vastgesteld, terwijl dr. Oeberius Kapteijn niet uitgesloten acht dat latent aanwezige klachten sedert en door het ongeval zijn toegenomen, maar overigens die klachten niet door dat ongeval lijken te zijn veroorzaakt. De rechtbank heeft op basis van deze rapporten de vorderingen afgewezen.

4.5. De grieven richten zich voornamelijk tegen de bevindingen van dr. Boone en in mindere mate tegen die van dr. Oeberius Kapteijn, en voorts tegen de conclusies welke de rechtbank op grond van die rapportages heeft getrokken. Het hof zal de vraag naar het bestaan van letsel en de vraag in hoeverre dat aan het ongeval kan worden toegerekend, als geheel opnieuw bezien en slechts voor zoveel nodig de grieven afzonderlijk bespreken. Richtinggevend zijn daarbij de rapporten van dr. Boone en dr. Oeberius Kapteijn.

4.6. Grief 2 dient echter vooraf te worden behandeld. [appellante] miskent met deze grief, dat, zoals hiervoor onder 4.3 aangegeven, de bewijslast van het letsel en het oorzakelijk verband met het ongeval op háár rust. De aard van de aan de orde zijnde problematiek brengt mede, dat een hard wetenschappelijk bewijs niet altijd valt te leveren, maar zij zal minstens "zeer aannemelijk" dienen te maken dat het letsel c.q. de aandoeningen/afwijkingen zoals zij die omschrijft bestaat /bestaan, tot de door haar gestelde beperkingen leidt/ leiden, en dat dit letsel of die aandoeningen/afwijkingen voor een groot deel is/zijn te herleiden tot het ongeval.

4.7. Het aanwijsbare letsel van [appellante] als gevolg van het ongeval was beperkt; er was weinig uitwendig letsel, en dat het aantoonbare inwendige letsel bestond vooral in gekneusde ribben, hetgeen - naar het hof begrijpt - zich in de daarvoor gebruikelijke tijd heeft hersteld.

Aanvankelijk werd voorts gesproken over hersenschudding, maar dr. Boone komt beargumenteerd tot de conclusie, dat de verschijnselen direct na het ongeval niet wezen op het bestaan van een hersenschudding, en dat deze, gelet op de mogelijke gang van zaken bij het ongeval en de krachtsinwerking die daarvan op de nek het gevolg moet zijn geweest enerzijds, alsmede de gerapporteerde klachten anderzijds, evenmin wezen op het bestaan van een post-whiplash trauma.

4.8. Voor het overige - en die klachten vormen ook de kern van het thans aan de orde zijnde geschil - gaat het voor een belangrijk deel om betrekkelijk vage klachten aan hoofd, rug, schouders, en knieën. Deze leiden er in de visie van [appellante] toe dat zij niet kan werken. Ofschoon in de inleidende dagvaarding sub 7 ook enkele andere materiële schadeposten alsmede gederfde levensvreugde (immateriële schade) werden genoemd, ligt de nadruk, en heeft in de procedure telkens de nadruk gelegen, op de vraag of en in hoeverre zij als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt is geworden. Voorafgaand aan het ongeval had [appellante] twee banen en werkte zij meer dan 40 uur per week.

4.9. De vraag of [appellante] als gevolg van het ongeval niet kan werken, valt in twee delen uiteen:

- ten eerste, was [appellante] na het ongeval ongeschikt om te werken, en

- ten tweede: zo ja, was dat dan het gevolg van het ongeval.

In verband met de eerste vraag merkt het hof op, dat de klachten die zij na het ongeval aangaf wezenlijk niet afweken van de klachten van thans, en ook de bevindingen van de diverse medici in de loop der jaren betrekkelijk constant zijn gebleven. Tot op blijk van het tegendeel kan ervan uit worden gegaan dat haar huidige lichamelijke situatie grosso modo ook haar lichamelijke situatie enkele weken of maanden na het ongeval weergeeft.

4.10. In de diverse stukken wordt niet altijd consequent onderscheid gemaakt tussen "klachten", "aandoeningen/afwijkingen" en "beperkingen". Met name het woord klacht, dat naar de letter enkel betekent iets waarover de klager, al dan niet terecht, klaagt, wordt soms ook gebezigd in de betekenis van een geconstateerde afwijking of aandoening. Het hof zal de term "klacht" zoveel mogelijk bezigen in de betekenis van een "geuite of aangegeven", en dus per definitie subjectieve klacht, ongeacht of daaraan een objectief vast te stellen aandoening of afwijking ten grondslag ligt. Met aandoening of afwijking doelt het hof dan op een medisch vaststelbare aandoening of afwijking. Met beperking doelt het hof op de fysieke beperkingen welke, in het dagelijkse leven of in verband met het werk, van die aandoeningen of afwijkingen het gevolg zijn.

4.11. Naar aanleiding van de beantwoording van de vraagstelling van de rechtbank door de deskundigen overweegt het hof het volgende. Het antwoord op vraag 1, zoals door dr. Boone gegeven, ziet enkel op de aanwezigheid van subjectieve klachten. Uit het antwoord op vraag 2, vraag 4, vraag 7, en vragen 9 tot en met 13, volgt echter dat naar het oordeel van dr. Boone er feitelijk geen sprake is van afwijkingen/aandoeningen, leidende tot beperkingen die een relevante mate van arbeidsongeschiktheid tot gevolg hebben. Dit oordeel valt ook af te leiden uit de volgende constateringen:

- de constatering dat [appellante], die niet wist dat zij werd gadegeslagen door de deskundige, met gezwinde pas 800 meter kon afleggen waar zij eerst had gezegd niet naar Utrecht te kunnen komen en al heel lang het huis niet uit te zijn gekomen;

- de resultaten van het neurologisch onderzoek;

- de resultaten van het onderzoek aan de cervicale wervelkolom in staande en liggende houding en het gedrag van [appellante] daarbij;

- idem bij het onderzoek aan de schouders;

- de resultaten van het onderzoek aan de thoracale en lumbale wervelkolom en het gedrag van [appellante] bij het staan op één been;

- de bevindingen van dr. Boone ten aanzien van het "rillen" en de afwezigheid daarvan als [appellante] werd afgeleid.

4.12. Dr. Boone heeft ook kennis genomen van de eerdere rapporten van medische deskundigen, zoals revalidatiearts [naam revalidatiearts], orthopeed [naam orthopeed], neurologen [naam neurooloog 1] en [naam neurooloog 2], arbo-arts [naam arbo-arts], de fysiotherapeut, en de huisarts.

Hij heeft voorts gerapporteerd omtrent klachten die reeds voor het ongeval zijn geuit, aandoeningen/afwijkingen/beperkingen die reeds voor het ongeval zijn geconstateerd, en medische behandelingen welke reeds voor het ongeval hebben plaatsgevonden. Hij trekt daaruit conclusies ten aanzien van de vraag in hoeverre de klachten/beperkingen als ongevalsgevolg vallen aan te merken, doch laat zich overigens niet uit of [appellante] vóór het ongeval al dan niet deels arbeidsongeschikt zou zijn.

4.13. Uit het antwoord van dr. Boone op vragen 5 en 6, en uit de overwegingen in zijn rapport, leidt het hof af dat [appellante] in de jaren vóór het ongeval reeds diverse (subjectieve) klachten had en dat een aantal daarvan ook objectief tot objectief vaststelbare aandoeningen/afwijkingen zijn herleid (bijvoorbeeld een peesontsteking). Voor een groot aantal van de klachten (hoofdpijn, rug, knieën, benen, armen, elleboog) geldt dat daarvoor maar zelden objectieve aandoeningen of afwijkingen welke die klachten zouden hebben kunnen veroorzaken, zijn waargenomen. Het gaat er dus bij de beantwoording van deze vragen voor een belangrijk deel niet om dat de klachten niet zouden bestaan, maar dat de aandoeningen/afwijkingen die tot de klachten leiden niet zijn aangetoond.

4.14. Bij sommige van deze "klachten" - met name de klachten die herleid konden worden tot objectief vaststelbare aandoeningen/afwijkingen, zoals peesontstekingen - ging het niet om klachten op neurologisch gebied. Juist voor andere klachten waaraan wel een neurologische component zou kunnen zitten (hoofdpijn, rug) geldt dat er veelvuldig "klachten" zijn geuit, doch dat objectieve afwijkingen/aandoeningen die tot die subjectieve klachten hebben geleid, kennelijk niet aangetoond zijn kunnen worden. Dit betekent dat er, anders dan [appellante] meent, geen sprake is van tegenstrijdigheid in het betoog van dr. Boone, inhoudende dat er op neurologisch gebied "niets aan de hand is", terwijl hij vervolgens een scala aan klachten rapporteert.

4.15. De vragen 3 tot en met 7 benaderen vanuit verschillende invalshoeken telkens dezelfde kernvraag: is er letsel en zijn er aandoeningen/afwijkingen bij [appellante] (leidende tot voor de arbeidsgeschiktheid relevante beperkingen) die aan het ongeval kunnen worden toegerekend. Het antwoord van dr. Boone luidt, samengevat, eenduidig ontkennend. Hij acht geen aandoeningen of afwijkingen, in relevante mate leidende tot beperkingen, doch hooguit niet geobjectiveerde klachten aanwezig. Deze niet geobjectiveerde klachten alsmede de eventuele - geringe - feitelijke beperkingen kunnen niet aan het ongeval worden toegerekend en leiden trouwens ook niet tot arbeidsongeschiktheid.

Dat betekent dat dr. Boone feitelijk de beide hiervoor in rov. 4.9 geformuleerde vragen ontkennend beantwoordt. Naar 's hofs oordeel kan deze visie van dr. Boone voldoende worden gestoeld op de door hem gedane waarnemingen bij de door hem uitgevoerde onderzoeken, in samenhang met de door hem geraadpleegde stukken uit het medisch dossier.

4.16. Dr. Oeberius Kapteijn vindt evenmin als dr. Boone aanwijzingen voor het bestaan van een post-whiplash trauma, terwijl hij voorts aangeeft dat de in het verleden genoemde diagnose "post-trauma stress-syndroom" niet uit de eerder na het ongeval gedane waarnemingen voortvloeit.

Het hof begrijpt zijn antwoord op vragen 1 en 2, dat er naar zijn oordeel wel sprake is van beperkingen (in de terminologie van het hof: aandoeningen/afwijkingen), welke - naar de deskundige schrijft in de conclusie: deels, doch uit zijn overwegingen blijkt dat feitelijk bedoeld is: grotendeels - van psychische aard zijn. Het hof begrijpt dat die psychische aandoeningen/afwijkingen in de visie van dr. Oeberius Kapteijn leiden tot een zekere mate van beperkingen.

De oorzaken voor het bestaan of ontstaan van deze aandoeningen/afwijkingen en daaruit voortvloeiende beperkingen zijn voor een belangrijk deel gelegen in omstandigheden in haar privé-situatie, reeds voor het ongeval. Volgens dr. Oeberius Kapteijn, in zijn - vrij stellige - antwoord op vraag 9, leiden deze aandoeningen/afwijkingen ook tot gedeeltelijke arbeidsbeperkingen.

4.17. Dr. Oeberius Kapteijn gaat minder ver dan dr. Boone in diens conclusie zoals hiervoor samengevat onder 4.15.

Ofschoon er naar zijn oordeel sprake is van aggravatie of malingering (overdrijving), merkt hij vanuit zijn vakgebied de klachten deels als reëel (dus als veroorzaakt door daadwerkelijke aandoeningen of afwijkingen, zij het deels van psychische aard) aan, welke klachten (bedoeld is: aandoeningen/afwijkingen) deels reeds aanwezig waren, maar welke door het ongeval verergerd kunnen zijn [cursivering hof].

Hij kan niet aangeven welke van die aandoeningen of afwijkingen al dan niet door het ongeval zijn veroorzaakt. De aard van de door hem gesignaleerde stoornissen brengt met zich mede dat de lichamelijke klachten en daaruit volgende beperkingen ernstiger zijn dan op grond van anamnese en onderzoek zou worden verwacht. Hij acht aannemelijk dat vergelijkbare klachten ook zouden zijn ontstaan of gebleven als het ongeval zich niet had voorgedaan, maar kan dit niet kwantificeren.

Toegepast op de beide vragen zoals geformuleerd in rov. 4.9 komt dit erop neer, dat dr. Oeberius Kapteijn de eerste vraag aldus beantwoordt dat niet uitgesloten is dat er dusdanige afwijkingen/aandoeningen zijn dat deze leiden tot beperkingen, ook ten aanzien van [appellante]'s mogelijkheden om te werken, doch dat dr. Oeberius Kapteijn de tweede vraag in elk geval niet eenduidig bevestigend kan beantwoorden.

4.18. Grief 3 richt zich ertegen, dat terwijl dr. Oeberius Kapteijn bij het antwoord op vraag 6 grotendeels heeft aangehaakt bij dr. Boone, en dr. Boone bij zijn antwoord op die vraag aangeeft dat het moeilijk is om aan te geven op welke termijn verdere recidieven zouden optreden, de rechtbank desondanks zonder meer naar de beantwoording van die vraag 6 heeft verwezen.

4.19. Met betrekking tot grief 3 geldt in de eerste plaats, dat uit de inleiding van het rapport van dr. Oeberius Kapteijn geldt, dat hij het conceptrapport aan partijen heeft toegezonden met het verzoek om commentaar, doch geen commentaar heeft ontvangen. Als het aan [appellante] onduidelijk was wat dr. Oeberius Kapteijn bedoelde, was dat het geschikte moment. Het antwoord van dr. Oeberius Kapteijn laat zich aldus lezen, dat hij het eens is met de bevinding van dr. Boone, dat ook zonder het ongeval te verwachten viel dat de gerapporteerde klachten zoals hoofdpijn of pijn aan de rug, benen, knieën of elleboog en pols op gezette tijden zouden zijn teruggekeerd en zouden hebben geresulteerd in consultatie van een arts.

4.20. Voor het overige geldt voor deze grief en voor grief 4, dat het antwoord op vraag 6 bezien dient te worden in samenhang met het antwoord op vragen 3 tot en met 7 en met de overwegingen die aan de rapporten ten grondslag liggen. Waar dat toe leidt, is hiervoor bij de bespreking van de rapporten reeds aan de orde gekomen.

4.21. [appellante] stelt zich in grief 5 op het standpunt, dat indien al juist zou zijn dat - zoals dr. Boone poneert - bij haar de sterke neiging tot somatiseren met somatische fixatie zou bestaan, zulks nu eenmaal een eigenschap is die zij kan hebben, welke eigenschap naar redelijkheid aan de laedens moet worden toegerekend die immers de gelaedeerde heeft te aanvaarden zoals deze is.

Inderdaad geldt in het algemeen, dat de laedens de gelaedeerde heeft te nemen zoals deze is, met diens beperkingen en eigenschappen. Als echter de redenering van [appellante] ten volle zou worden gevolgd, dan zou telkens als ter discussie zou worden gesteld of een bepaalde aandoening of afwijking feitelijk aanwezig is, dat kunnen worden gepareerd met de enkele stelling dat de gelaedeerde dit nu eenmaal als zodanig ervaart, en dat het feit dat hij dat eventueel ten onrechte doet, behoort tot de eigenschappen welke voor risico van de laedens moeten komen. Zover strekt naar het oordeel van het hof deze algemene regel evenwel niet. Slechts indien blijkt van het bestaan van een bepaalde psychische predispositie welke maakt dat de gelaedeerde tegen zulk een neiging tot somatiseren geen weerstand zou kunnen bieden, is er grond om onder omstandigheden de gevolgen daarvan aan de laedens toe te rekenen. Uit het rapport van dr. Boone blijkt evenwel niet van het bestaan tot zodanige psychische predispositie; uit het rapport van dr. Oeberius Kapteijn (zie hiervoor onder 4.17) blijkt wel van een bepaalde reeds bestaande afwijkende psychische gesteldheid, doch deze is weinig geconcretiseerd en uit zijn bevindingen blijkt evenmin van een zodanige predispositie, dat [appellante] geen weerstand zou kunnen bieden aan de neiging tot somatiseren.

Daarbij komt, dat de deskundigen - vooral dr. Boone - gemotiveerd tot de conclusie komt dat het herhaalde karakter van de eerder gerapporteerde klachten het waarschijnlijk maakt dat ook zonder het ongeval [appellante] in de toekomst herhaaldelijk vergelijkbare klachten zou hebben gerapporteerd. Herhaald zij, dat volgens dr. Boone beide vragen zoals geformuleerd in rov. 4.9 ontkennend dienen te worden beantwoord, terwijl dr. Oeberius Kapteijn de eerste vraag onder enig voorbehoud, deels bevestigend beantwoordt, en de tweede vraag in elk geval niet eenduidig bevestigend beantwoordt. In zoverre faalt grief 5.

4.22. Grief 5 stelt voorts aan de orde, dat de overweging van de rechtbank dat [appellante] in het verleden ook reeds arbeidsongeschikt was, miskent dat zij niettegenstaande de in het verleden geuite klachten, meestentijds wel is blijven werken, en voorts dat zij al weer herstellende was ten tijde van het ongeval.

De bestreden overweging is mogelijk weinig precies geformuleerd, maar in zoverre niet onjuist, dat voorafgaande aan het ongeval [appellante] in elk geval deels arbeidsongeschikt was. Daarbij komt, dat in elk geval in de visie van dr. Boone [appellante] ook thans nog steeds zou kunnen werken, terwijl - als gezegd - dr. Oeberius Kapteijn niet aan kan geven of en in welke mate dit thans minder dan in het verleden het geval zou zijn. En tenslotte is ook hierbij van belang het gegeven, dat [appellante] in het verleden af en aan arbeidsongeschikt was, zodat te verwachten viel dat daarvan in de toekomst ook sprake zou zijn.

4.23. Grief 6 faalt. De bewijslast ligt bij [appellante]. Als dr. Oeberius Kapteijn had gerapporteerd in die zin dat er een duidelijk aanwijsbaar verschil in arbeids(on)geschiktheid voor en na het ongeval was, doch dat hij enkel de handvatten ontbeerde om dat in een objectief getal uit te drukken, zou eventueel gezegd kunnen worden dat het de taak van de rechter is een schatting te maken. Dr. Oeberius Kapteijn gaat echter minder ver: zijn antwoorden op de vragen 3 tot en met 7, in onderlinge samenhang bezien, komen eigenlijk niet verder dan dat mogelijk (cursivering hof) de preëxistente afwijkingen/aandoeningen van [appellante] en de daaruit voortvloeiende beperkingen door het ongeval zijn verergerd. Dat is onvoldoende voor het door [appellante] bij te brengen bewijs.

4.24. In het voorgaande ligt besloten, dat ook grief 7 faalt. Alles bijeengenomen heeft de rechtbank terecht de vorderingen van [appellante] afgewezen. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep.

4.25. Tegen de vonnissen van 1 mei 2001, 14 mei 2003 en 17 september 2003 zijn geen grieven gericht zodat [appellante] in zoverre in haar hoger beroep niet ontvankelijk zal worden verklaard.

5. De uitspraak

Het hof:

verklaart appellante niet ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de vonnissen van 1 mei 2001, 14 mei 2003 en 17 september 2003;

bekrachtigt het vonnis van 8 september 2004;

veroordeelt appellante in de kosten van het geding, aan de zijde van geïntimeerde tot heden begroot op E. 680,-- aan verschotten en E. 1.158,-- voor salaris procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Brandenburg, Meulenbroek en Feddes en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 21 maart 2006.