Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY6457

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
17-08-2006
Zaaknummer
R200501334
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen hadden tijdens huwelijk twee grote woningen in hun bezit. Na echtscheiding draagt de man beide woonlasten. Draagkracht man: Hof houdt tot aan de datum verkoop van één van de woningen rekening met de door de man opgevoerde relatief hoge onderhoudskosten van het jaarlijks terugkerend onderhoud van de woningen (partijen hadden deze kosten ook tijdens huwelijk).

Man voert voorts extra energielasten ad € 537,21 op. Hof acht een bedrag van € 350,-- redelijk, nu de – te verkopen – woning enige tijd leeg heeft gestaan.

Hof houdt geen rekening met de door de man opgevoerde extra energielasten van € 376,-- voor de (andere) woning waarin hij verblijft. Algemeen uitgangspunt is dat ook bij een groot huis alleen rekening wordt gehouden met de energielast die reeds in de bijstandsnorm is begrepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WSdH

26 juli 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200501334

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appèl,

geïntimeerde in incidenteel appèl,

hierna: de man,

procureur mr. H.M.M. van den Elzen,

t e g e n

[Y]

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appèl,

appellante in incidenteel appèl,

hierna: de vrouw,

procureur mr. C.J.T.M. Laurenssen.

Als vervolg op de tussen partijen door dit hof gegeven tussenbeschikking van 15 maart 2006.

6. De tussenbeschikking van 15 maart 2006

Bij die beschikking heeft het hof het verzoek van de man met betrekking tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beschikking afgewezen en voorts iedere verdere beslissing aangehouden.

7. De verdere loop van het geding in hoger beroep

7.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 21 december 2005, heeft de man -voor zover in de onderhavige zaak nog relevant- verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voorzover het betreft de vaststelling van de voorlopige kinderalimentatie voor de minderjarigen [A.], [B.] en [C.] ten bedrage van € 425,- per maand per kind en opnieuw rechtdoende de bijdragen van de man ten behoeve van voornoemde minderjarigen met ingang van datum van inschrijving van de echtscheidings-beschikking in de registers van de burgerlijke stand, althans met ingang van een datum door het hof in goede justitie te bepalen, zowel wat betreft de periode vóór 1 januari 2006 als in de periode vanaf 1 januari 2006, vast te stellen op nihil, dan wel op een bedrag per maand als het hof dat in goede justitie zal bepalen; kosten rechtens.

7.2. Bij verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl, ingekomen ter griffie op 17 februari 2006, heeft de vrouw verzocht, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de alimentatie voor de minderjarige kinderen vast te stellen op een bedrag van

€ 565,= per kind per maand, danwel op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen tijdstip. Kosten rechtens.

7.3. Bij verweerschrift in het incidenteel appèl, ingekomen ter griffie op 3 april 2006, heeft de man verzocht om de vorderingen van de vrouw af te wijzen. Kosten rechtens.

7.4. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 mei 2006. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun raadslieden gehoord.

7.5. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de producties, overgelegd bij het beroepschrift en het verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl;

- de brief met bijlagen van de procureur van de man d.d. 17 februari 2006;

- de brief met bijlagen van de procureur van de vrouw d.d. 2 maart 2006;

- de brief met bijlagen van de procureur van de vrouw d.d. 18 mei 2006;

- de brief met bijlagen van de procureur van de man d.d. 19 mei 2006;

- het faxbericht van de procureur van de man d.d. 9 juni 2006;

- het faxbericht van de procureur van de vrouw d.d. 9 juni 2006;

- pagina 3 en 5 van de ter zitting overgelegde pleitaantekeningen van de raadsvrouwe van de man.

8. De verdere beoordeling in het principale en incidentele appèl

8.1. Partijen zijn op 17 oktober 1992 met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn de volgende minderjarige kinderen geboren:

- [A.] op [geboortejaar],

- [B.] op [geboortejaar] en

- [C.] op [geboortejaar].

Bij beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 5 november 2004 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 5 juli 2005 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

8.2. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank -onder meer en voor zover in de onderhavige zaak relevant- bepaald dat de man als voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 425,- per kind per maand, zulks met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

8.3. De man kan zich met deze beslissing niet verenigen en komt hiervan in appèl. De vrouw heeft incidenteel appèl ingesteld.

Ingangsdatum kinderalimentatie

8.4. De ingangsdatum van de (eventueel) door de man te betalen kinderalimentatie van 5 juli 2005 (datum van inschrijving) staat op zich niet ter discussie, zodat het hof van deze datum uitgaat.

De vrouw verzet zich wel tegen een nihilstelling met terugwerkende kracht, omdat zij de door de man teveel betaalde alimentatiegelden reeds zou hebben verbruikt.

Aangezien deze beschikking zal leiden tot een lagere onderhoudsbijdrage dan door de rechtbank vastgesteld, verwijst het hof naar hetgeen hierna onder 8.11. is overwogen.

Behoefte

8.5. De behoefte van de kinderen aan de vastgestelde bijdrage van € 425,= per kind per maand is in hoger beroep in geschil.

Voor het hof is voldoende gebleken dat het huwelijksgerelateerde gezinsinkomen van partijen meer dan € 5.000,= netto per maand bedroeg. Anders dan de man stelt, zijn de uitgaven die het gezin heeft gedaan (voor het merendeel bestaande uit de vaste lasten en de dagelijkse boodschappen, blijkens productie 27 van het beroepschrift) niet relevant voor de bepaling van de behoefte van de kinderen, maar is het netto besteedbare inkomen van het gezin de maatstaf voor de bepaling van de kosten van de kinderen.

Blijkens de bijlage 2006-I van het TREMA-rapport heeft de werkgroep Tremanormen in het najaarsoverleg besloten te adviseren om in de tabel “Eigen aandeel kosten van kinderen” te extrapoleren tot een netto gezinsinkomen van

€ 5.000,= per maand. Blijkens de tabel “Eigen aandeel kosten van kinderen” van 2006 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.510,= per maand bij een gezinsinkomen van € 5.000,= netto per maand voor 3 kinderen (14 punten).

Voor de behoefte van kinderen geldend voor het jaar 2005 zal het hof de tabel van 2006 analoog toepassen.

Het hof stelt de behoefte van de kinderen derhalve vast op een bedrag van € 503,= per kind per maand.

Voorts is het hof van oordeel dat de vrouw een eventuele hogere behoefte van de kinderen aannemelijk had dienen te maken en dat zij hierin niet is geslaagd. Evenzo heeft de man zijn stelling dat de behoefte van de kinderen gezamenlijk

€ 1.055,= per maand bedraagt onvoldoende aannemelijk gemaakt.

Draagkracht

8.6. De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de hem opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen van € 425,= per kind per maand te kunnen betalen. De vrouw is van mening dat de man

€ 565,= per kind per maand kan betalen. Gelet op de hiervoor uitgerekende behoefte van de kinderen, kan de kinderalimentatie niet meer bedragen dan

€ 503,= per kind per maand.

8.7. De man is voorts van mening dat de rechtbank ten onrechte geen draagkrachtvergelijking heeft toegepast bij de vaststelling van de kinderalimentatie.

Nu het hof gebleken is dat beide ouders na de echtscheiding een inkomen hebben dat hoger is dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande, rijst de vraag wie welk deel van voormelde behoefte van de kinderen kan dragen. Het hof zal dan ook, conform de Tremanormen, ter bepaling van ieders aandeel in de kosten van de kinderen van beide ouders draagkrachtberekeningen maken, die dan vervolgens met elkaar worden vergeleken. Beide ouders worden dan als alleenstaande aangemerkt (draagkrachtpercentage van 60), waarbij bij de vrouw wel rekening wordt gehouden met de op haar werkelijke situatie van toepassing zijnde extra heffingskortingen en bij de man met de persoonsgebonden aftrek wegens de kinderalimentatie. Nadat de draagkracht van beide ouders is uitgerekend, worden deze uitkomsten bij elkaar opgeteld. De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: “ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht, vermenigvuldigd met de behoefte”.

Financiële situatie man

8.8. Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de navolgende gegevens. Voorzover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

Nu het hof voldoende gebleken is dat voor de woning aan de [B-adres] met ingang van 1 januari 2006 tot 13 april 2006 geen aftrek van de hypotheekrente meer mogelijk is (zie de toelichting hieronder) en voorts voor het hof vaststaat dat de woning aan de [A-adres] op 13 april 2006 is verkocht en geleverd aan een derde, zal het hof de navolgende splitsing in 3 periodes maken:

I 5 juli 2005 - 1 januari 2006

II 1 januari 2006 - 13 april 2006

III met ingang van 13 april 2006

a. Inkomen van de man

Ter terechtzitting is gebleken dat beide partijen er geen bezwaar tegen hebben dat wordt uitgegaan van de jaaropgave 2005, zodat het geschilpunt over de bonus van de man geen nadere bespreking behoeft. Het hof zal derhalve voor alledrie periodes uitgaan van het fiscale jaarinkomen van de man dat uit de jaaropgave 2005 blijkt, te weten € 129.591,=.

Het inkomen van de man is voor 2005 (periode I) inclusief € 3.648,= premie ziektekostenverzekering.

Het hof gaat er vanuit dat de man met ingang van 1 januari 2006 de maximale bijtelling inzake de inkomensafhankelijke bijdrage premie ZVW heeft. Dit komt voor 2006 neer op € 1.951,= op jaarbasis. Het hof zal derhalve op voornoemd fiscaal jaarinkomen in de periodes II en III een bedrag van € 3.648,= in mindering brengen en er voorts een bedrag van € 1.951,= bij optellen. Het fiscale jaarinkomen voor de periodes II en III komt dan neer op € 127.894,=.

Het hof houdt voorts rekening met:

? Eigenwoningforfait: € 6.191,= in periode I;

€ 4.595,= in periode II;

€ 3.192,= in periode III;

- Hypotheekrente: € 56.630,= in periode I;

€ 43.230,= in periode II;

€ 25.956,= in periode III;

- Persoonsgebonden aftrek: € 1.596,= in periode I;

Toelichting:

Periode I

Voor het hof staat voldoende vast dat de man in de periode I zowel de woonlast van de woning aan de [A-adres] als de woonlast van de voormalige echtelijke woning aan de [B-adres] (waarin de vrouw en de kinderen enig tijd zijn blijven wonen) voor zijn rekening nam. Beide woningen zijn in eigendom van zowel de man als de vrouw. In fiscale zin was de woning aan de [B-adres] niet meer de eigen woning van de man, nu deze hem niet meer tot hoofdverblijf strekte. Niettemin mocht de man gedurende twee jaar na de datum waarop partijen feitelijk uiteengingen (derhalve in periode I), de hypotheekrente van deze woning op zijn bruto inkomen in box 1 in mindering brengen.

De hypotheekrente voor beide woningen bedroeg volgens de vrouw (zie productie 1 bij het verweerschrift van de vrouw, tevens houdende incidenteel appèl) € 56.630,= op jaarbasis (€ 39.975,= plus € 3.255,= voor [A-adres] plus € 13.400,13 voor [B-adres]), hetgeen ook blijkt uit de door de man overgelegde stukken inzake de hypotheken (onderdeel van productie 15 van het appèlschrift van de man). Het hof houdt derhalve een bedrag van € 56.630,= aan terzake van de hypotheekrente voor periode I.

Het eigenwoningforfait in periode I is door de rechtbank ten onrechte vastgesteld op € 7.787,= (het eigenwoningforfait van beide woningen opgeteld). Immers, de woning aan de [B-adres] werd in periode I bewoond door de vrouw. In feite heeft de man zijn aandeel in de gemeenschappelijke woning (beide partijen zijn eigenaar van de woning) ter beschikking gesteld aan de vrouw. Deze periodieke verstrekking vormt voor de vrouw tot de helft van het eigenwoningforfait van [B-adres] inkomen uit werk en woning (zogenaamde genoten alimentatie in de vorm van huisvesting: ”alimentatie in natura”). Voor de man is er sprake van een persoonsgebonden aftrek voor eenzelfde bedrag. Gedurende maximaal twee jaar na het tijdstip waarop de man de echtelijke woning heeft verlaten, wordt zijn aandeel hierin nog aangemerkt als een aandeel in een eigen woning. Dit betekent dat de helft van het eigenwoningforfait van [B-adres] voor hem inkomen uit werk en woning vormt in periode I. De andere helft van het eigenwoningforfait wordt in periode I door de vrouw aangegeven als gebruikster.

Het hof houdt derhalve voor de berekening van de draagkracht van de man in periode I een bedrag van € 4.595,= aan terzake van het eigenwoningforfait van enkel de woning aan de [A-adres] (€ 7.787,= minus het door de man opgevoerde en op zich niet weersproken eigenwoningforfait van de [B-adres] ad € 3.192,=) plus de helft van het eigenwoningforfait van de woning aan de [B-adres] ad € 1.596,= (de helft van € 3.192,=). Voorts houdt het hof bij de man in periode I rekening met een persoonsgebonden aftrek ad € 1.596,=.

Periode II

De man stelt voorts dat per 1 januari 2006 tot aan de verkoop van de woning aan de [A-adres] (periode II) de hypotheekrente van de woning aan de [B-adres] niet meer aftrekbaar is (wegens het verstrijken van de twee-jaarstermijn van de aftrek van de hypotheekrente van de voormalige echtelijke woning). De vrouw heeft op zich niet betwist dat voor één van de twee woningen de hypotheekrenteaftrek per 1 januari 2006 is vervallen, maar zij stelt dat het de woning aan de [A-adres] betreft. De man heeft naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat de woning aan de [B-adres] in periode II leeg stond en dat hij zijn hoofdverblijf had in de woning aan de [A-adres].

De hypotheekrente van [B-adres] is derhalve in periode II niet meer aftrekbaar.

De man heeft door een derde laten berekenen dat dit gegeven resulteert in een extra inkomstenbelastingheffing van

€ 8.866,= per jaar (door de man in zijn draagkrachtberekening voor periode II opgevoerd als last “onder de streep”), waarbij de man voorts in zijn draagkrachtberekening “boven de streep” de volledige hypotheekrente en het dubbele eigenwoningforfait in aanmerking heeft genomen .

De vrouw heeft deze berekening(en) betwist en ook het hof is van oordeel dat in periode II een andere berekening dient te worden toegepast.

Blijkens de Tremanormen wordt de voormalige echtelijke woning (in casu de woning aan de [B-adres]) na het verstrijken van de termijn van twee jaar fiscaal naar box 3 verschoven. De waarde van de woning minus de daarop rustende hypotheekschuld telt mee bij de bepaling van de rendementsgrondslag. De hypotheekrente van [B-adres] is voorts niet meer fiscaal aftrekbaar.

Het hof houdt derhalve voor periode II bij de man een bedrag van € 4.595,= aan terzake van het eigenwoningforfait van [A-adres] en een bedrag van € 43.230,= terzake van de hypotheekrente [A-adres] (€ 56.630,= minus de voor die periode geldende hypotheekrente van de [B-adres] ad € 13.400,=).

Voorts zal het hof in periode II bij zowel de man als bij de vrouw de helft van de waarde van de woning [B-adres] (€ 532.000,= gedeeld door 2 komt neer op € 266.000,=) minus de helft van de daarop rustende hypotheekschuld (afgerond

€ 216.000,= gedeeld door 2 komt neer op € 108.000,=) meetellen bij de bepaling van de rendementsgrondslag (de woning is immers eigendom van beide partijen).

Periode III

Voor wat betreft periode III zal het hof voorts uitgaan van de door de man in zijn brief van 19 mei 2006 opgevoerde en ter zitting toegelichte recente cijfers van de [B-adres], te weten een eigenwoningforfait van € 3.192,= en een hypotheekrente op jaarbasis van € 25.956,=, nu de vrouw deze cijfers niet heeft weersproken.

Daarnaast houdt het hof in alle periodes rekening met de volgende heffingskortingen:

- algemene heffingskorting (voor personen jonger dan 65 jaar);

- arbeidskorting (voor personen jonger dan 57 jaar).

Uitgaande van de bovenstaande gegevens becijfert het hof het besteedbaar inkomen van de man op (afgerond)

€ 8.243,= netto per maand in periode I,

€ 7.484,= netto per maand in periode II en

€ 6.934,= netto per maand in periode III.

b. Lasten van de man (maandelijks)

- het op de Wet werk en bijstand gebaseerde normbedrag voor een alleenstaande, exclusief de zogeheten woonkostencomponent;

- Hypotheekrente: € 4.719,= in periode I

€ 3.603,= in periode II;

€ 2.163,= in periode III;

- Eigenaarslasten: € 387,= in de periodes I en II;

€ 200,= in periode III;

- Onderhoudskosten: € 350,= in de periodes I en II;

€ 300,= in periode III;

Toelichting:

Het hof is van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met het jaarlijks terugkerend onderhoud aan de (beide) woning(en). De man heeft deze kosten daadwerkelijk gemaakt en partijen hadden deze kosten reeds ten tijde van het huwelijk. Deze lijn uit het verleden dient naar het oordeel van het hof thans te worden doorgetrokken, zodat de oude woningen bewoonbaar c.q. verkoopbaar blijven. Het hof is van oordeel dat de man de door hem opgevoerde kosten en de noodzaak tot het maken van deze kosten voldoende aannemelijk heeft gemaakt.

- Energielasten: € 350,= in de periodes I en II;

Toelichting:

De man voert € 537,21 op aan extra energielasten van [A-adres] voor wat betreft de periodes I en II. Het hof is van oordeel dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij extra energiekosten heeft gehad voor de woning aan de [A-adres]. Ook de vrouw heeft erkend dat de man extra lasten heeft gehad voor energie in verband met deze woning, zij betwist echter de hoogte van die lasten. Het hof acht een bedrag van € 350,= in de periodes I en II redelijk omdat deze woning (Waterstaat 1) enige tijd heeft leeg gestaan en een onbewoonde woning zuiniger in energiegebruik is dan een bewoonde woning.

Na de verkoop van de woning aan [A-adres] voert de man € 367,= op aan extra energielasten voor de woning aan [B-adres]. Het hof is van oordeel dat in de periode na de verkoop van de woning aan Waterstaat 1 geen rekening dient te worden gehouden met extra energiekosten voor de woning aan [B-adres]. Algemeen uitgangspunt is dat voor de berekening van de draagkracht van een onderhoudsplichtige ouder ook bij een “duurder” huis alleen rekening wordt gehouden met de energielast die reeds in de bijstandsnorm is begrepen. Voorts is de woning aan de [B-adres] aanzienlijk kleiner dan die aan de [A-adres] en de door de man berekende energielast van [A-adres] kan niet zonder meer, ook niet in de door de man berekende verhouding, van overeenkomstige toepassing worden verklaard op die van [B-adres].

- Bijdrage partner in woonlasten: € 190,= in de periodes II en III;

Toelichting:

De vrouw is van mening dat de man vanaf december 2005 samenwoont met zijn huidige partner en dat de lasten van de woning aan de [B-adres] vanaf die datum door de man en zijn nieuwe partner ieder bij helfte kunnen worden gedragen.

De man heeft ter zitting verklaard dat zijn huidige partner in haar eigen levensonderhoud kan voorzien en dat zij niet samenwonen. Volgens hem woont zijn partner officieel nog bij haar ouders en logeert zij bij hem nu zij een eigen woning zoekt.

Het hof acht het voldoende aannemelijk dat de nieuwe partner van de man bij hem woont, temeer nu de man ter zitting heeft verklaard dat zij samen een kind verwachten. Het hof acht het redelijk om vanaf 1 januari 2006 rekening te houden met enige bijdrage van deze partner in de woonlast van de man, ter hoogte van de woonkostencomponent die in de bijstandsnorm is begrepen. Indien de partner van de man daadwerkelijk bij haar ouders zou inwonen, is het aannemelijk dat zij eenzelfde bedrag aan kostgeld aan haar ouders zou betalen.

- Ziektekosten: € 304,= premie werkgevers- en werknemersdeel en

€ 202,= aanvullende ziektekosten (inclusief de kinderen, conform rechtbank) in periode I;

€ 163,= inkomensafhankelijke bijdrage wg ZVW en € 108,= premie ZVW (basisverzekering en aanvullend) in de periodes II en III;

- Premies levensverzekeringen: € 187,= in alle periodes;

- Kosten omgangsregeling: € 155,= in alle periodes;

- Kosten huishoudelijke hulp: € 120,= in alle periodes;

Toelichting:

Het hof is voldoende gebleken dat partijen deze huishoudelijke hulp ook tijdens het huwelijk hadden. De man heeft verklaard dat hij per week een bedrag van € 29,50 betaalt, waarmee een maandbedrag van circa € 120,= correspondeert.

Het hof houdt voorts géén rekening met:

? de door de man opgevoerde en door de vrouw betwiste herinrichtingskosten, nu de man de noodzaak tot het maken van herinrichtingskosten (afgezet tegen zijn onderhoudsverplichting) niet heeft aangetoond en voldoende aannemelijk is geworden dat de beide woningen ingericht waren;

? de door de man opgevoerde en door de vrouw betwiste werkelijke verwervingskosten (de eigen bijdrage van de man voor het gebruik van de bedrijfsauto), nu het hof evenals de rechtbank, gelet op de onderhoudsverplichting van de man, geen aanleiding ziet af te wijken van de Tremanormen;

? de door de man opgevoerde en door de vrouw betwiste lening aan zijn vader, nu de man niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk op de lening aflost.

Na aftrek van bovenvermelde lasten van de berekende besteedbare netto maandinkomens en rekening houdend met het fiscaal voordeel dat de man door de persoonsgebonden aftrek wegens de kinderalimentatie geniet, becijfert het hof de draagkracht van de man op

€ 673,= per maand in periode I,

€ 1.121,= per maand in periode II en

€ 2.007,= per maand in periode III.

Financiële situatie vrouw

8.9. Met betrekking tot de financiële situatie van de vrouw gaat het hof uit van de volgende gegevens. Voorzover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

a. Inkomen van de vrouw

Evenals bij de man zal het hof uitgaan van het fiscale jaarinkomen van de vrouw dat uit de jaaropgave 2005 blijkt, te weten € 21.829,=. Nu in dit inkomen de eventueel door de vrouw ontvangen provisies zijn begrepen, is het hof van oordeel dat het geschilpunt over de provisie geen nadere bespreking behoeft. Overigens heeft de vrouw een verklaring van haar werkgever van 16 juni 2005 overgelegd waaruit blijkt dat de vrouw nimmer enige retourprovisie heeft ontvangen. Ook uit de door de vrouw overgelegde salarisstroken van november en december 2005 en januari 2006 blijkt niet van enige uitbetaling van provisie.

Voorts is het hof van oordeel dat van de vrouw, die de zorg voor de drie minderjarige kinderen van partijen heeft, niet gevergd kan worden dat zij haar huidige werkzaamheden (zij werkt voor 67,5 %: 27 uur per week) uitbreidt. Anders dan de man stelt is de huidige partner van de vrouw niet onderhoudsplichtig jegens de drie kinderen van partijen, zodat het hof voor de draagkrachtbepaling van de vrouw geen rekening houdt met het inkomen van deze partner.

Het inkomen van de vrouw is voor 2005 (periode I) inclusief € 1.717,= premie Ziekenfondswet.

Blijkens de door de vrouw overgelegde salarisstrook van januari 2006 bedraagt de premie ZVW voor 2006 (de periodes II en III) € 106,= per maand, derhalve € 1.272,= op jaarbasis. Het hof zal uit dien hoofde op voornoemd fiscaal jaarinkomen in de periodes II en III een bedrag van € 1.717,= in mindering brengen en er voorts een bedrag van € 1.272,= bij optellen. Het fiscale jaarinkomen voor de periodes II en III komt dan neer op € 21.384,=.

Gelet op hetgeen hierboven is overwogen in rechtsoverweging 8.8, zal het hof in periode I bij de vrouw als gebruiker van de woning aan de [B-adres] de helft van het eigenwoningforfait [B-adres] (€ 1.596,=) meenemen (geen bijtelling ingevolge de Wet Hillen) en voorts rekening houden met een bijtelling op het inkomen box 1 van de andere helft van het forfait (€ 1.596,=) wegens van de wederpartij ontvangen zogenaamde genoten alimentatie in de vorm van huisvesting (“alimentatie in natura”).

In periode II zal het hof bij de vrouw, evenals bij de man, de helft van de WOZ-waarde van de woning [B-adres] (€ 266.000,=) minus de helft van de daarop rustende hypotheekschuld (€ 108.000,=) meetellen bij de bepaling van de rendementsgrondslag.

Het hof houdt voorts in alle periodes rekening met de volgende heffingskortingen:

- algemene heffingskorting (voor personen jonger dan 65 jaar);

- arbeidskorting (voor personen jonger dan 57 jaar);

- alleenstaande-ouderkorting;

- aanvullende alleenstaande-ouderkorting;

- kinderkorting;

- aanvullende kinderkorting in periode I (niet meer in de periodes II en III);

- combinatiekorting;

- aanvullende combinatiekorting.

Uitgaande van de bovenstaande gegevens becijfert het hof het besteedbaar inkomen van de vrouw op (afgerond)

€ 1.828,= netto per maand in periode I,

€ 1.619,= netto per maand in periode II en

€ 1.758,= netto per maand in periode III.

b. Lasten van de vrouw (maandelijks)

- het op de Wet werk en bijstand gebaseerde normbedrag voor een alleenstaande, exclusief de zogeheten woonkostencomponent;

- Huur: € 632,= in de periodes I, II en III;

- Bijdrage partner in woonlasten: € 193,= in periode I;

€ 190,= in de periodes II en III;

Toelichting:

De man stelt dat de woonlast van de vrouw buiten beschouwing dient te blijven, omdat zij er volgens de man vrijwillig voor gekozen heeft de woning aan de [B-adres] te verlaten. Het hof is echter van oordeel dat voor de berekening van de draagkracht van de vrouw wel rekening dient te worden gehouden met haar huurlast, nu zij stelt dat zij de woning noodgedwongen heeft moeten verlaten en het hof deze stelling niet onaannemelijk acht.

De vrouw heeft ter zitting verklaard dat haar huidige partner thans een eigen inkomen heeft. Nu de vrouw geen inzicht in de financiële positie van haar partner heeft gegeven, kan de partner van de vrouw naar het oordeel van het hof geacht worden in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Evenals bij de man acht het hof het redelijk rekening te houden met enige bijdrage van deze partner in de woonlast van de vrouw, ter hoogte van de woonkostencomponent die in de bijstandsnorm is begrepen. In dit geval met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, derhalve geldend voor alledrie periodes.

- Ziektekosten: € 143,= werkgevers- en werknemersdeel Ziekenfondswet in

periode I;

€ 106,= inkomensafhankelijke bijdrage wg ZVW en € 108,= premie ZVW (basisverzekering en aanvullend) in de periodes II en III;

Toelichting:

Het hof acht het redelijk om bij de vrouw, evenals bij de man, rekening te houden met een bedrag van € 108,= terzake van premie ZVW (basisverzekering en aanvullend), gelet op het nieuwe zorgstelsel.

Van overige lasten van de vrouw is het hof niet gebleken.

Na aftrek van bovenvermelde lasten van de berekende besteedbare netto maandinkomens, becijfert het hof de draagkracht van de vrouw op

€ 379,= per maand in periode I,

€ 187,= per maand in periode II en

€ 270,= per maand in periode III.

Vergelijking draagkracht partijen en vaststelling kinderalimentatie

8.10. Bij vergelijking van bovenstaande financiële omstandigheden van partijen (volgens de formule “ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht, vermenigvuldigd met de behoefte”) en rekening houdend met alle relevante fiscale aspecten, is het hof van oordeel dat de man in staat is tot betaling van

- € 224,= per kind per maand met ingang van 5 juli 2005 tot 1 januari 2006;

- € 374,= per kind per maand met ingang van 1 januari 2006 tot 13 april 2006;

- € 443,= per kind per maand met ingang van 13 april 2006.

8.11. Het hof gaat ervan uit dat de man de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie aan de vrouw heeft betaald, nu de vrouw zich heeft verzet tegen nihilstelling met terugwerkende kracht. Het hof acht het in de onderhavige zaak redelijk om de door de man teveel betaalde kinderalimentatie vast te stellen op een bedrag van € 1.000,= in totaal (het gaat om 6 maanden waarin de man aanzienlijk meer en 3 maanden waarin de man iets meer heeft betaald, inclusief verrekening van hetgeen de man per 13 april 2006 te weinig heeft betaald) en te bepalen dat partijen dit bedrag in onderling overleg dienen te verrekenen.

8.12. De beschikking waarvan beroep, dient dus gedeeltelijk te worden vernietigd.

Proceskosten

8.13. De proceskosten van het principale en het incidentele appèl worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

9. De beslissing

Het hof:

in het principale en het incidentele appèl:

vernietigt de beschikking van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 7 oktober 2005 uitsluitend voorzover daarbij de voorlopige kinderalimentatie is bepaald;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

1. [A.] op [geboortejaar],

2. [B.] op [geboortejaar] en

3. [C.] op [geboortejaar],

zal voldoen een bedrag van

? € 224,= per kind per maand met ingang van 5 juli 2005 tot 1 januari 2006,

? € 374,= met ingang van 1 januari 2006 tot 13 april 2006 en

? € 443,= met ingang van 13 april 2006,

voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

stelt het bedrag dat de man te veel heeft betaald -als gevolg van de vernietiging van de beschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 7 oktober 2005 en het inwerkingtreden van deze beschikking op 26 juli 2006- op een bedrag van

€ 1.000,= en bepaalt dat partijen dit bedrag in onderling overleg dienen te verrekenen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de op het principale en het incidentele appèl gevallen proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Teeffelen, Kranenburg en Bijleveld-van der Slikke en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 26 juli 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.