Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY6429

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-07-2006
Datum publicatie
17-08-2006
Zaaknummer
R200400143
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Berekening huwelijkserelateerde behoefte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BSU

20 juli 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200400143

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Beschikking

in de zaak in hoger beroep van:

[X.],

wonende te [woonplaats]l,

appellant in principaal appèl,

geïntimeerde in incidenteel appèl,

hierna: de man,

procureur: voorheen mr. T.W.H.M. Weller,

thans: mr. H.C.A. van de Ven.

t e g e n

[Y.],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appèl,

appellante in incidenteel appèl,

hierna: de vrouw,

procureur mr. C.M. van der Corput.

als vervolg op de tussen partijen gegeven tussenbeschikking d.d. 19 oktober 2004.

6. De tussenbeschikking van 19 oktober 2004

Bij die beschikking is de behandeling van de zaak aangehouden teneinde partijen in de gelegenheid te stellen door middel van mediation tot een regeling in der minne van alle tussen hen nog bestaande geschilpunten te geraken.

7. Het verdere verloop van de procedure

7.1. Op verzoek van partijen is de verdere behandeling van de zaak enkele malen aangehouden. De mediation heeft niet tot een regeling in der minne geleid. Om die reden hebben partijen het hof verzocht een datum voor een nadere mondelinge behandeling vast te stellen.

Deze nadere mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 6 april 2006. Bij die gelegenheid zijn partijen en hun advocaten gehoord.

7.2. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de behandeling in hoger beroep op 21 september 2004;

- de brief d.d. 24 maart 2006 met bijlagen van de advocaat van de vrouw,

- de brief d.d. 29 maart 2006 met bijlagen van de procureur van de man;

8. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst hiervoor naar het beroepschrift en het verweerschrift, tevens inhoudende incidenteel appel.

9. De beoordeling

in het principaal en incidenteel appèl:

9.1. Partijen zijn op 29 april 1981 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

Uit hun huwelijk zijn vier kinderen geboren, te weten:

- [A.] op [geboortejaar]

- [B.] op [geboortejaar]

- [C.] op [geboortejaar] en

- [D.] op [geboortejaar]

9.2. Bij beschikking van 19 december 2002 heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De beslissing op het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud werd aangehouden. De echtscheidingsbeschikking is op 21 januari 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

9.3. Bij beschikking van 3 december 2003 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van 21 januari 2003 tot en met 30 juni 2003 met een bedrag van € 3.614,-- per maand en met ingang van 1 juli 2003 tot en met 31 december 2004 met een bedrag van € 4.178,-- per maand dient bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw.

9.4. Partijen kunnen zich met deze beschikking niet verenigen en hebben daartegen tijdig hoger beroep ingesteld. De man heeft tegen de beschikking negen grieven aangevoerd en de vrouw heeft elf grieven voorgedragen. De grieven van beide partijen hebben de strekking de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor te leggen en lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

9.5. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting van het hof van 6 april 2006 verklaard dat hij om praktische redenen aan de wederpartij heeft voorgesteld “het verleden te laten rusten”. De advocaat van de man heeft ter zitting van het hof verklaard dat de man ermee instemt dat de door hem tot 1 januari 2005 verschuldigde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw wordt vastgesteld op hetgeen door hem te dier zake in feite is betaald. Het hof begrijpt hieruit dat tussen partijen overeenstemming bestaat over de door de man tot 1 januari 2005 betaalde bijdrage en dat het hof kan volstaan met het geven van een beslissing met betrekking tot de door de man met ingang van 1 januari 2005 te betalen partneralimentatie.

De (huwelijksgerelateerde) behoefte

9.6. Voor de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw heeft de rechtbank zich gebaseerd op de privéopnames over de laatste drie jaren dat partijen hebben samengewoond, zijnde 1998, 1999 en 2000. De rechtbank heeft de privéopnames, exclusief belastingen, becijferd op gemiddeld € 93.859,-- per jaar en op dat bedrag de aan de kinderen bestede kosten tot een bedrag van € 32.400,-- per jaar in mindering gebracht. Conform de thans gebruikelijke rekenmethodiek heeft de rechtbank vervolgens becijferd dat de behoefte van de vrouw neerkomt op € 3.073,-- netto per maand. Uitgaande van een gemiddeld belastingtarief van 42% en rekening houdende met een door de vrouw te treffen pensioenvoorziening komt de bruto behoefte van de vrouw -aldus de rechtbank- neer op € 5.800,-- per maand.

9.7. Partijen verschilden in hoger beroep aanvankelijk van mening over de uitgangspunten voor de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte.

De man stelde zich primair op het standpunt dat ter becijfering van de behoefte van de vrouw dient te worden uitgegaan van de genormaliseerde Winst- en Verliesrekening over 2001. Subsidiair stelde de man dat dient te worden uitgegaan van de netto privébestedingen over de jaren 1998 tot en met 2000. De man is verder van mening dat de rechtbank bij de brutering van de alimentatie ten onrechte is uitgegaan van een gemiddeld belastingtarief van 42%.

De vrouw daarentegen is van mening dat bij de vaststelling van de huwelijks-gerelateerde behoefte niet alleen de privéopnames, maar ook de mogelijkheid tot vermogensopbouw een rol spelen.

Uit hetgeen partijen ter zittingen van het hof over en weer hebben verklaard, kan worden afgeleid dat zij het er thans over eens zijn dat de behoefte van de vrouw becijferd dient te worden aan de hand van het gezinsinkomen waarover partijen gedurende hun huwelijk laatstelijk hebben kunnen beschikken.

9.8. Het hof zal, evenals de rechtbank, voor de vaststelling van de huwelijks-gerelateerde behoefte de jaren 1998, 1999 en 2000 tot uitgangspunt nemen, nu door partijen daartegen geen bezwaren zijn aangevoerd.

9.9. Bij de stukken bevinden zich de jaarrekeningen van de door partijen gedurende die jaren geëxploiteerde maatschap [X.] en [Y.]. Uit die stukken blijkt dat de nettowinst gedurende de hiervoor vermelde jaren achtereenvolgens neerkwam op:

1998: ƒ 129.707,-- (€ 58.858,47),

1999: ƒ 210.893,-- (€ 95.699,07) en

2000: ƒ 369.244,-- (€ 167.555,62).

9.10. Partijen zijn het erover eens dat de winst uit onderneming over het jaar 2000 aldus dient te worden gecorrigeerd dat daarop de door ieder van partijen in het kader van de staking van de onderneming en de fiscaal geruisloze overdracht van de onderneming aan de man ontvangen uitkering van de Stichting Goodwillfonds van in totaal ƒ 162.255,-- (€ 73.628,11) in mindering dient te worden gebracht. Van laatstbedoelde uitkering heeft de man ƒ 108.170,-- (€ 49.085,41) en de vrouw

ƒ 54.085,-- (€ 24.542,70) ontvangen. Deze uitkeringen strekken in mindering op de winst, zodat het hof voor het jaar 2000 uitgaat van een winst uit onderneming van ƒ 206.989,-- (€ 93.927,51). Gelet op het incidentele karakter van deze uitkering houdt het hof met die uitkering in het kader van de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte verder geen rekening.

9.11. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de netto-winst verder gecorrigeerd dient te worden met posten die niet daadwerkelijk kosten c.q. feitelijke uitgaven betreffen, zoals de afschrijvingen op de materiële vaste activa. De man daarentegen acht het volstrekt onjuist dat op de nettowinst nog een correctie in verband met afschrijving onroerend goed, inventaris of vervoermiddelen wordt toegepast, aangezien op deze goederen daadwerkelijk en niet alleen in fiscale zin wordt afgeschreven en deze goederen te zijner tijd dienen te worden vervangen dan wel opgeknapt en dientengevolge te zijner tijd forse investeringen dienen plaats te vinden.

9.12. Uit de overgelegde jaarstukken over de jaren 1998 tot en met 2000 blijkt dat op de bedrijfsgebouwen, inventaris en vervoermiddelen de navolgende bedragen zijn afgeschreven:

1998 1999 2000

bedrijfsgebouwen

en terreinen ƒ 66.857,-- ƒ 66.857,-- ƒ 23.541,--

Inventaris - 1.484,-- - 4.557,-- - 5.996,--

vervoermiddelen - 13.840,-- - 13.840,-- - 13.840,--

9.13. Verder blijkt uit die stukken dat de vervoermiddelen in vijf jaar en de inventaris in vier tot vijf jaar worden afgeschreven, alsmede dat voor de bedrijfsgebouwen en de inventaris een percentage van 4 tot 20% wordt gehanteerd.

Gelet op het intensieve gebruik dat van bedrijfsinventaris en vervoermiddelen pleegt te worden gemaakt, is het aannemelijk dat deze na ommekomst van de afschrijvingstermijn vervangen dan wel opgeknapt dienen te worden en dat daarmee aanzienlijke kosten gemoeid zijn. Het hof acht daarom de voor de bedrijfsinventaris en de vervoermiddelen in aanmerking genomen afschrijvingspercentages en -bedragen alleszins redelijk.

9.14. Het hof houdt echter geen rekening met de afschrijving op de bedrijfsgebouwen en -terreinen, nu niet is gesteld of gebleken dat de waarde van de bedrijfsgebouwen is gedaald. Waar de waarde van onroerende zaken gedurende een reeks van jaren over het algemeen alleen maar is gestegen, is het niet aannemelijk dat zulks in de onderwerpelijke zaak niet het geval zal zijn. Hetgeen de man heeft gesteld is onvoldoende om anders te oordelen. Dit geldt temeer nu uit de overgelegde stukken blijkt dat in de jaren vóór 1998 en ook ná 2000 nog ingrijpende verbouwingen hebben plaatsgevonden, die hun uitwerking op de waarde-ontwikkeling van de betreffende panden niet zullen hebben gemist.

Daarom zal het hof de winst uit onderneming gedurende de jaren 1998 tot en met 2000 verhogen tot achtereenvolgens:

1998: € 58.858,47 + € 30.338,38 = € 89.196,85

1999: € 95.699,07 + € 30.338,38 = € 126.037,45

2000: € 93.927,51 + € 10.682,44 = € 104.609,95.

9.15. Voor wat betreft het overige inkomen van partijen gedurende de voormelde jaren gaat het hof uit van de zich eveneens bij de stukken bevindende aangiften voor de Inkomstenbelasting/Premie Volksverzekeringen en Premie WAZ van ieder van partijen.

9.16. Gedurende de jaren 1998, 1999 en 2000 waren partijen mede-aandeelhouder van Medi-Management BV, een zogenaamde “rugzak”bv van meerdere apotheekhoudende huisartsen, in welke bv de kortingen op de inkoop van geneesmiddelen werden ingebracht. Om ziekenfondsverzekerd te kunnen zijn, waren de deelnemende huisartsen in loondienst van de bv. Het loon van ieder van partijen uit deze bv bedroeg over genoemde jaren achtereenvolgens ƒ 2.421,--

(€ 1.098,60), ƒ 2.399,-- (€ 1.088,62) en ƒ 2.153,-- (€ 976,99). Daarnaast namen partijen via die bv deel aan een spaarloon- en premiespaarregeling. Blijkens een zich bij de stukken bevindende specificatie van het salaris van de vrouw uit Medi-Management BV over de maand mei 2000 nam de vrouw met een bedrag van ƒ 144,67 (€ 65,64) deel aan de spaarloonregeling, welk bedrag op het bruto salaris in mindering werd gebracht. Het hof gaat ervan uit dat op het salaris van de man uit die bv een zelfde bedrag werd ingehouden. Per jaar komt dat neer op ƒ 1.736,04 (€ 787,78), zodat de hiervoor vermelde jaarinkomens van partijen uit die bv telkens met een bedrag van ƒ 1.736,04 (€ 787,78) dienen te worden verhoogd en voor wat betreft het inkomen uit Medi-Management BV kan worden uitgegaan van een inkomen van ieder van partijen van:

1998: € 1.098,60 + € 787,78 = € 1.886,38

1999: € 1.088,62 + € 787,78 = € 1.876,40

2000: € 976,99 + € 787,78 = € 1.764,77.

9.17. Met de inhouding voor de premiespaarregeling houdt het hof geen rekening, nu deze inhouding, anders dan die ten behoeve van de spaarloonregeling, geen invloed heeft op de hoogte van de over het salaris verschuldigde loon c.q. inkomstenbelasting.

9.18. De vrouw was gedurende de jaren 1998 tot en met 2000 ook werkzaam bij het Groene Kruis Noord-Limburg, alwaar zij een jaarinkomen genoot van achtereenvolgens:

ƒ 3.566,-- (€ 1.618,18),

ƒ 3.754,-- (€ 1.703,49) en

ƒ 5.594,-- (€ 2.538,45).

9.19. Voor wat betreft de door partijen over de door hen als voormeld genoten inkomsten verschuldigde inkomstenbelasting, premie Volksverzekeringen en premie WAZ gaat het hof uit van de door de man in zijn verweerschrift in het incidenteel appèl op pagina 8 en 9 vermelde bedragen en van de ter staving van deze bedragen overgelegde producties 36 t/m 47. Over deze bedragen bestaat tussen partijen geen discussie. Partijen zijn het er voorts over eens dat voor wat betreft de over het jaar 2000 verschuldigde Inkomstenbelasting en Premie Volksverzekering in zoverre een correctie dient plaats te vinden dat daaruit de door ieder van partijen over de uit het goodwillfonds ontvangen uitkering betaalde belasting dient te worden geëlimineerd. Uit de overgelegde belastingaanslagen kan worden afgeleid dat de man te dier zake een bedrag van

ƒ 44.091,-- (€ 20.007,62) heeft betaald en de vrouw een bedrag van ƒ 15.338,-- (€ 6.960,--).

Rekening houdende met deze correctie, kan voor de jaren 1998 t/m 2000 worden uitgegaan van de navolgende bedragen:

man vrouw

1998

IB/PV ƒ 11.363,--/€ 5.156,30 ƒ 9.068,--/€ 4.114,88

premie WAZ ƒ 4.345,--/€ 1.971,68 ƒ 1.279,--/€ 580,38

1999

IB/PV ƒ 43.485,--/€ 19.732,63 ƒ 18.018,--/€ 8.176,--

premie WAZ ƒ 4.631,--/€ 2.101,46 ƒ 2.762,--/€ 1.253,34

2000

IB/PV ƒ 22.348,--/€ 10.141,-- ƒ 19.299,--/€ 8.757,50

Premie WAZ ƒ 4.840,--/€ 2.196,30 ƒ 3.282,--/€ 1.489,31

9.20. Partijen verschillen van mening over de vraag of bij de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw rekening dient te worden gehouden met de premie WAZ en de premies voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering van de man. De man stelt zich op het standpunt dat deze aan hem gelieerd zijn en dat daarom met deze premies rekening dient te worden gehouden. De vrouw bestrijdt dat.

Naar het oordeel van het hof dient met de premie WAZ en de door de man verschuldigde premies voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering rekening te worden gehouden. De premies zijn immers betaald en stonden dus niet ter vrije besteding van het gezin. Wel genoten partijen het fiscaal voordeel ter zake de betaling van de premie voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering, maar dat voordeel is in de belastingaanslagen verwerkt.

9.21. Uit de hiervoor reeds vermelde belastingaangiften van de man over de jaren 1998 tot en met 2000 kan worden afgeleid dat de man terzake van premie arbeidsongeschiktheidsverzekering (Movir) de navolgende bedragen heeft betaald:

1998: ƒ 14.590,-- € 6.620,65

1999: ƒ 442,-- € 200,57

2000: ƒ 10.719,-- € 4.864,07

Met de door de man in 2000 voor 2001 vooruitbetaalde premie van ƒ 17.065,-- houdt het hof geen rekening.

Gemiddeld gezien kwam de door de man verschuldigde premie dus neer op (€ 11.685,29 : 3 =) € 3.895,10 per jaar.

De vrouw betaalde in dezelfde periode geen premie voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering.

9.22. Met de opbouw van vermogen in de vorm van aandelen in Medi-Management BV gedurende de jaren 1998 t/m 2000 houdt het hof geen rekening nu door de man onweersproken is gesteld dat het aldus opgebouwde vermogen voor de kinderen van partijen is bestemd.

9.23. Met de door partijen gedurende de jaren 1998 tot en met 2000 ontvangen kinderbijslag houdt het hof evenmin rekening, nu aangenomen dient worden dat die kinderbijslag ook volledig aan de kinderen ten goede is gekomen, hetgeen temeer geldt nu partijen het er over eens zijn dat de kosten van verzorging en opvoeding in de betreffende periode aanzienlijk hoger zijn geweest dan de ten behoeve van de kinderen ontvangen kinderbijslag.

9.24. Op basis van de hiervoor vermelde gegevens kan het gezinsinkomen als volgt worden becijferd:

1998

winst uit onderneming € 58.858,-- (zie 9.9.)

afschrijving bedrijfsgebouwen € 30.338,-- (zie 9.12)

inkomen Medi-Management BV € 3.773,-- (zie 9.16)

inkomen Groene Kruis € 1.618,-- (zie 9.18)

€ 94.587,--

IB/PV man € 5.156,-- (zie 9.19)

premie WAZ man € 1.972,-- (idem)

premie Movir € 3.895,-- (zie 9.21)

IB/PV vrouw € 4.115,-- (zie 9.19)

premie WAZ vrouw € 580,-- (idem)

-/- € 15.718,--

€ 78.869,--

1999

winst uit onderneming € 95.699,-- (zie 9.9.)

afschrijving bedrijfsgebouwen € 30.338,-- (zie 9.12)

inkomen Medi-Management BV € 3.753,-- (zie 9.16)

inkomen Groene Kruis € 1.703,-- (zie 9.18)

€ 131.493,--

IB/PV man € 19.733,-- (zie 9.19)

premie WAZ man € 2.101,-- (idem)

premie Movir € 3.895,-- (zie 9.21)

IB/PV vrouw € 8.176,-- (zie 9.19)

premie WAZ vrouw € 1.253,--

-/- € 35.158,--

€ 96.335,--

2000

winst uit onderneming € 93.928,-- (zie 9.10.)

afschrijving bedrijfsgebouwen € 10.682,-- (zie 9.12)

inkomen Medi-Management BV € 3.530.-- (zie 9.16)

inkomen Groene Kruis € 2.538,-- (zie 9.18)

€ 110.678,--

IB/PV man € 10.141,-- (zie 9.19)

premie WAZ man € 2.196,-- (idem)

premie Movir € 3.895,-- (zie 9.21)

IB/PV vrouw € 8.758,-- (zie 9.19)

premie WAZ vrouw € 1.489,--

-/- € 26.479,--

€ 84.199,--

9.25. Uitgaande van de hiervoor vermelde bedragen kan het gemiddeld gezinsinkomen van partijen gedurende de jaren 1998 t/m 2000 worden becijferd op ((€ 78.869 + € 96.335 + € 84.199 =) € 259.403 : 3 =) € 86.468,-- per jaar

9.26. Evenals de rechtbank houdt het hof met de kosten van de kinderen rekening tot een bedrag van in totaal € 32.400,-- per jaar. Hetgeen de vrouw daartegen heeft aangevoerd is onvoldoende om te dier zake in het kader van de becijfering van de huwelijksgerelateerde behoefte van een ander bedrag uit te gaan.

Op basis van de hiervoor genoemde bedragen kan de huwelijksgerelateerde behoefte overeenkomstig de thans gebruikelijke methodiek worden becijferd op

€ 2.703,40 netto, is geïndexeerd per 1 januari 2005 € 3.145,09 netto en per 1 januari 2006 € 3.173,39. Gebruteerd komt laatstgenoemd bedrag neer op afgerond € 5.113,-- per maand.

9.27. De vrouw heeft aangevoerd dat haar behoefte dient te worden verhoogd met de uitgaven die zij gedurende de periode van mei tot en met december 2003 ten behoeve van [C.] heeft gedaan. In dit verband heeft de vrouw aangevoerd dat [C.] in dat jaar van mei tot en met augustus 2003 bij haar heeft verbleven en dat [C.] vervolgens van september tot en met december 2003 op de weekends na in een internaat heeft verbleven. De vrouw heeft verder gesteld dat zij noodgedwongen de kosten voor het internaat en de inrichting van de kamer in het internaat tot een bedrag van in totaal € 13.233,36 voor haar rekening heeft genomen en dat de kosten van het verblijf van [C.] gedurende de periode van mei tot en met augustus en tijdens de weekends gedurende de periode van augustus tot en met december eveneens voor haar rekening zijn gekomen, terwijl de man de door hem gedurende voormelde periode ten behoeve van [C.] ontvangen kinderbijslag niet aan de vrouw heeft afgedragen en slechts de premie van de ziektekostenverzekering voor zijn rekening heeft genomen.

9.28. Partijen zijn het er ter zitting van het hof van 6 april 2006 over eens geworden dat de aan de plaatsing van [C.] in een internaat verbonden kosten in de boedelverdeling betrokken zullen worden. Voor wat betreft de overige kosten is het hof van oordeel dat deze niet van invloed dienen te zijn op de behoefte van de vrouw en dat deze voor de vrouw aanleiding hadden kunnen vormen om voor de periode dat [C.] bij haar verbleef om vaststelling van een door de man voor [C.] te betalen onderhoudsbijdrage te verzoeken. Overigens is ter zitting van het hof van 6 april 2006 gebleken dat [C.] na haar verblijf in het internaat eind december 2003/begin januari 2004 weer bij haar vader is gaan wonen en bij hem heeft gewoond totdat zij in juli 2005 opnieuw en op vrijwillige basis in een internaat werd opgenomen. Zij heeft inmiddels in verband met haar aanvraag tot toekenning van een zogenaamde Wajong-uitkering een medische keuring ondergaan. Als dat verzoek wordt gehonoreerd, zal aan die uitkering terugwerkende kracht tot 1 juli 2005 worden verleend, zodat ervan uitgegaan kan worden dat [C.] vanaf dat moment niet meer ten laste van haar ouders komt.

9.29. In het kader van de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met een pensioenvoorziening voor de vrouw ten bedrage van € 500,-- per maand. De man heeft uitdrukkelijk betwist dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende pensioenvoorziening tot het door de rechtbank in aanmerking genomen bedrag en hij heeft aangevoerd dat de rechtbank niet alleen de beslissing op dit punt niet, althans onvoldoende heeft gemotiveerd, maar er bovendien aan voorbij is gegaan dat beide partijen tijdens het huwelijk pensioen hebben opgebouwd en dat de Wet Verevening Pensioen-rechten bij scheiding (hierna Wvp) van toepassing is. Verder heeft de man erop gewezen dat de vrouw, wanneer zij inkomen uit arbeid geniet, pensioen opbouwt en dat zij in ieder geval pensioen heeft opgebouwd via haar dienstverband bij MCC.

De vrouw daarentegen is van mening dat het redelijk is om ter zake van het opbouwen van een aanvullende pensioenvoorziening rekening te houden met een uitgave van € 1.000,-- per maand, zulks ondanks het feit dat ieder van partijen tijdens het huwelijk pensioen heeft opgebouwd en de Wvp van toepassing is. In dit verband heeft zij erop gewezen dat zij een aantal jaren niet heeft gewerkt en dus geen pensioen heeft opgebouwd, dat zij eerst sinds kort pensioen opbouwt door middel van een parttime functie, terwijl de man ten behoeve van zijn eigen pensioenvoorziening jaarlijks € 16.000,-- afdraagt aan de Stichting Pensioen-fonds voor Huisartsen. Onder deze omstandigheden acht de vrouw het redelijk dat zij een op haar behoefte gebaseerd pensioen opbouwt.

9.30. Het hof overweegt als volgt. Onbetwist is dat door ieder van partijen tijdens het huwelijk pensioen is opgebouwd en dat de Wvp van toepassing is. Ter zitting van het hof is gebleken dat de vrouw inmiddels over gegevens beschikt waaruit blijkt op welke bedragen zij uit hoofde van de Wvp aanspraak kan maken. Niettemin, zo is ter zitting gebleken, heeft de vrouw nog geen aanvullende pensioenvoorziening getroffen. Gelet op het vorenstaande en in aanmerking nemende dat de vrouw inmiddels weer in loondienst werkzaam is en derhalve weer pensioen opbouwt, is het hof van oordeel dat er geen reden is daarnaast in het kader van de vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte rekening te houden met een extra pensioenvoorziening.

9.31. Vervolgens dient beoordeeld te worden of en zo ja tot welk bedrag de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man in de kosten van haar

levensonderhoud.

9.32. Met betrekking tot het inkomen uit vermogen heeft de man aangevoerd dat de vrouw als voorschot op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap reeds een bedrag van ongeveer € 92.634,-- heeft ontvangen, welk bedrag, uitgaande van een rendement van 4%, een inkomen van € 3.705,36 per jaar oplevert.

Daarnaast heeft de man aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte aan de vrouw tot 1 januari 2005 de tijd heeft gegund om zich een baan met een inkomen van € 7.000,-- bruto per maand te verwerven. Volgens de man heeft de vrouw inmiddels voldoende tijd gehad om in haar oude beroep van huisarts terug te keren en kunnen de financiële gevolgen van de keus van de vrouw om niet meer als huisarts werkzaam te zijn niet op hem worden afgewenteld. De man heeft verder aangevoerd dat de vrouw thans parttime werkzaam is als GGD-arts en dat, uitgaande van een basis uurtarief van minimaal € 60,-- per uur, de vrouw met haar inkomen daaruit reeds volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De man is dan ook van mening dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de vrouw van 21 januari 2003 tot 1 juli 2003 behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van € 3.614,-- per maand in de kosten van haar levensonderhoud en van € 4.178,-- per maand na 1 juli 2003 en dat de rechtbank daarbij ten onrechte is uitgegaan van een totale behoefte van € 5.800,-- bruto per maand en van het in de bestreden beschikking vermelde inkomen.

De vrouw heeft het door de man als voormeld gestelde uitdrukkelijk en gemotiveerd en met bescheiden onderbouwd weersproken.

In dit verband heeft de vrouw onder meer gesteld dat limitering in de duur van de alimentatie onredelijk is.

9.33. Het hof overweegt als volgt. Anders dan de vrouw kennelijk veronderstelt, is van limitering van de door de man te verstrekken alimentatie-uitkering als bedoeld in artikel l:157 lid BW geen sprake. Bij toepassing van dat artikel wordt, behoudens de wijzigingsmogelijkheid van artikel 1:401 lid 2 BW, een definitief einde gemaakt aan het recht op levensonderhoud. In het onderhavige geval heeft de rechtbank evenwel op de in de bestreden beschikking vermelde gronden aangenomen dat de vrouw vanaf 1 januari 2005 volledig in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien en om die reden de door de man te betalen onderhoudsbijdrage vastgesteld tot en met 31 december 2004, waarmee de rechtbank aan de vrouw de ruimte laat om wijziging van de beschikking te verzoeken ingeval zij -anders dan de rechtbank verwachtte- met ingang van 1 januari 2005 niet (volledig) in haar eigen levensonderhoud zou kunnen voorzien.

Uit hetgeen partijen over en weer hebben gesteld, is gebleken dat de vrouw gedurende de jaren 1993 tot en met 2000 slechts gedurende 1 dag per week als huisarts werkzaam is geweest en dat zij nog tijdens het huwelijk van partijen in overleg met de man haar werkzaamheden als zodanig heeft beëindigd.

Op grond van hetgeen de vrouw met betrekking tot haar recente arbeidsverleden heeft verklaard, is het hof van oordeel dat zij zich voldoende heeft ingespannen om een zodanige werkkring te vinden dat zij volledig in haar eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien en dat haar er geen verwijt van kan worden gemaakt, dat zij daarin niet is geslaagd. Dit geldt temeer nu tevens is gebleken dat de vrouw in diezelfde periode heeft getracht door het volgen van cursussen haar kansen op de arbeidsmarkt te vergroten.

Anders dan de man stelt, geldt het Basis Uur Tarief slechts voor geregistreerde artsen en hun waarnemers. Onbetwist is dat de vrouw niet meer als huisarts geregistreerd staat en dat, wil de vrouw voor herregistratie in aanmerking komen, zij gedurende een periode van vijf jaar in voldoende mate als huisarts werkzaam geweest moet zijn en daarnaast gedurende tenminste 40 uur per jaar dient deel te nemen aan geaccrediteerde deskundigheidsbevordering op het terrein van de huisartsgeneeskunde, dan wel gedurende een jaar moet deelnemen aan een programma van individueel aangepaste scholing.

9.34. De vrouw heeft voldoende aannemelijk en inzichtelijk gemaakt dat zij -anders dan de rechtbank aanneemt - niet in staat geacht kan worden een bruto-inkomen van € 7.000,-- per maand te verwerven en dat haar inkomen bij een fulltime dienstverband veeleer zal neerkomen op een bedrag van circa € 4.000,-- bruto per maand.

9.35. Uit de door de vrouw in het geding gebrachte jaaropgaven blijkt dat het inkomen van de vrouw uit parttime werkzaamheden ten behoeve van de GGD Zuidoost Brabant en Thuiszorg Midden-Limburg in 2005 in totaal € 41.442,-- heeft bedragen. Sinds 1 januari 2006 werkt de vrouw tijdelijk fulltime in verband met vervanging van een zieke collega. Haar inkomen bedraagt thans € 4.159,-- bruto per maand. Netto komt dat na automatische inhouding van premie ziektekosten neer op € 2.772,34, te vermeerderen met vakantietoeslag en eindejaarsuitkering.

Op grond van de door de man niet, althans onvoldoende weersproken mededeling van de vrouw dat de hiervoor bedoelde vervanging per 1 juli 2006 eindigt en dat zij dan weer terugvalt op haar arbeidscontract van 28.8 uur, houdt het hof met ingang van 1 juli 2006 rekening met een bruto inkomen van € 3.274,40, eveneens exclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering. Laatstgenoemd bedrag komt neer op € 1.901,93 netto per maand, na aftrek van de automatische ingehouden premie ziektekosten. Deze bedragen blijken uit de door de advocaat van de vrouw bij zijn brief van 24 maart 2006 overgelegde salarisspecificatie over januari 2006.

Hoewel het hof van oordeel is dat van de vrouw in redelijkheid gevergd kan worden dat zij een fulltime betrekking aanvaardt, de vrouw volgt thans na- en bijscholingscursussen en volgt een opleiding tot sociaal geneeskundige, gaat het hof vooralsnog uit van het huidige inkomen van de vrouw, nu thans nog niet is te overzien op welke termijn de vrouw structureel in een volledig dienstverband werkzaam zal kunnen zijn.

9.36. Bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw houdt het hof geen rekening met inkomen van de vrouw uit vermogen. Als door de vrouw gesteld en door de man niet, althans onvoldoende weersproken staat vast dat partijen bij hun feitelijk uiteengaan in 2001 ieder een bedrag van ƒ 160.000,-- (€ 72.604,83) hebben ontvangen. Gelet hierop en in aanmerking nemende dat partijen het over de boedelverdeling en over de hoogte van de betaalde voorschotten niet eens zijn, acht het hof termen aanwezig om zowel bij het vaststellen van de draagkracht van de man tot betaling van alimentatie als bij het bepalen van de behoefte van de vrouw aan aanvullende alimentatie het vermogen van partijen buiten beschouwing te laten.

9.37. Op grond van het vorenstaande is het hof van oordeel dat de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man in haar levensonderhoud van:

€ 1.425,-- per maand gedurende de periode van 1 januari 2005 tot en met 31 december 2005,

€ 570,-- per maand gedurende de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006,

€ 1.470,-- per maand met ingang van 1 juli 2006.

De draagkracht

9.38. De rechtbank heeft als uitgangspunt voor de berekening van de financiële draagkracht van de man het gemiddelde van de door de man over de jaren 2001 en 2002 gerealiseerde winst in zijn huisartsenpraktijk tot uitgangspunt genomen. Nu in hoger beroep dient te worden beslist met betrekking tot de door de man met ingang van 1 januari 2005 te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, dient naar het oordeel van het hof te worden uitgegaan van de meest recente inkomensgegevens. Bij zijn brief van 29 maart 2006 heeft de advocaat van de man indicatieve gegevens met betrekking tot het inkomen van de man over de jaren 2004 en 2005 verstrekt, maar deze gegevens zijn door de vrouw gemotiveerd weersproken en zijn bovendien te globaal en onvoldoende concreet om op basis daarvan de draagkracht van de man vast te stellen. Daarom gaat het hof uit van de inkomensgegevens van de man over 2003.

Hoewel de door de man tegen de bestreden beschikking geuite bezwaren betrekking hebben op de door de rechtbank op basis van de jaarstukken over 2001 en 2002 in aanmerking genomen gegevens, moeten deze bezwaren, gelet op hun aard, ook geacht worden te gelden indien voor de berekening van de draagkracht van de man wordt uitgegaan van de door de man in 2003 gerealiseerde winst in zijn huisartsenpraktijk.

9.39. In 2003 bedroeg de winst uit onderneming € 144.129,--. Blijkens de jaarstukken is op de bedrijfsgebouwen en -terreinen een bedrag van € 2.271,-- afgeschreven. Met deze afschrijving houdt het hof om de hierover onder 9.14 vermelde reden geen rekening. De winst uit onderneming wordt met laatstgenoemd bedrag verhoogd.

9.40. In 2002 kwamen de advieskosten neer op € 14.640,-- en in 2003 op € 21.547,-- per jaar. De rechtbank heeft met de advieskosten vanwege het incidentele karakter daarvan in het geheel geen rekening gehouden. Uit de door de man in het geding gebrachte brief d.d. 8 oktober 2003 van [E.], Accountants en Consultants, blijkt echter dat de samenwerking tussen de man en de heer [F.] moeizaam verloopt en dat in verband daarmede onder meer de mogelijkheden van aangepaste voortzetting van de praktijk op de huidige voet, het aantrekken van een derde arts en ontbinding van de maatschap worden onderzocht, waarbij door [E.] de juridische, financiële en fiscale consequenties in kaart dienen te worden gebracht. Daarnaast worden door [E.] ten behoeve van de man werkzaamheden verricht in het kader van de echtscheiding. De met deze laatste werkzaamheden verband houdende kosten kunnen echter niet ten laste van de winst worden gebracht. Gelet op een en ander acht het hof het redelijk dat van het hiervoor genoemde bedrag van € 21.547,-- een bedrag van € 14.365,-- (2/3e deel) ten laste van de winst wordt gebracht, hetgeen impliceert dat het hiervoor genoemde winstbedrag van € 144.129,-- met een bedrag van € 7.182,-- dient te worden verhoogd. Rekening houdende met de beide hiervoor vermelde correcties komt de winst uit onderneming over 2003 neer op een bedrag van in totaal € 153.582,--.

9.41. Uitgaande van laatstgenoemd bedrag en rekening houdende met de door de man over 2003 ontvangen uitkering uit hoofde van arbeidsongeschiktheid van € 66.802,30 (volgens jaaropgave Movir), bedroeg het bruto inkomen van de man in dat jaar afgerond € 220.384,--. Hierbij zij opgemerkt dat weliswaar het arbeidsongeschiktheidspercentage is afgenomen, doch het hof gaat er van uit dat daartegenover het inkomen van de man uit winst uit onderneming tenminste in gelijke mate is gestegen.

9.42. De vrouw heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aangevoerd dat in de jaarrekening correcties dienen plaats te vinden met betrekking tot de autokosten, de sociale lasten en de waarneemkosten. Volgens de vrouw moeten de autokosten van de man, voor zover die betrekking hebben op de brandstofkosten, als privékosten van de man worden aangemerkt, nu de man naar eigen zeggen arbeidsongeschikt is en het er dus voor gehouden moet worden dat de brandstofkosten privé zijn gemaakt. De man heeft uitdrukkelijk en gemotiveerd betwist dat er ten aanzien van de autokosten een correctie dient plaats te vinden en heeft er in dat verband op gewezen dat de in de jaarstukken opgevoerde autokosten voor brandstof de kosten voor zakelijke kilometers betreffen. De man heeft daar ter zitting van het hof van 6 april 2006 aan toegevoegd dat hij sinds het jaar 2000 de in het kader van de uitoefening van zijn beroep verreden kilometers dient te registreren en dat om die reden sinds dat jaar geen fiscale bijtelling terzake van het privégebruik van de auto meer plaatsvindt.

De vrouw heeft dat niet weersproken, zodat het hof ten aanzien van de autokosten geen correctie toepast.

9.43. Met betrekking tot de sociale lasten, zijnde een storting van ruim € 16.000,-- in de Stichting Pensioenfonds van de man, is de vrouw van mening dat deze niet in mindering dienen te strekken op het bedrijfsresultaat. De vrouw doelt daarbij op het bedrag van € 16.684,-- dat in 2002 op het bedrijfsresultaat in mindering is gebracht. In 2003 is te dier zake een bedrag van € 13.241,-- betaald.

Als door de man gesteld en door de vrouw niet weersproken staat vast dat de hiervoor bedoelde afdracht verplicht plaatsvindt. Gelet hierop wordt de te dier zake verschuldigde premie terecht op de winst in mindering gebracht.

9.44. Voor wat betreft de waarneemkosten is het hof met de rechtbank op de in de bestreden beschikking vermelde gronden, welke gronden het hof overneemt en tot de zijne maakt, van oordeel dat daarop geen correctie dient te worden toegepast. Het hof heeft geen aanleiding aan de juistheid van de door de man gegeven toelichting met betrekking tot de hoogte van de waarneemkosten te twijfelen.

Ter zitting van het hof is gebleken dat de man nog steeds gedeeltelijk arbeids-ongeschikt is.

9.45. De man heeft zowel in eerste aanleg als in hoger beroep aangevoerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid gevolgen heeft gehad voor de hoogte van de winst en de omzet, nu het voorschrijfgedrag van de man tot de laagste 5% in de regio behoort en zijn waarnemers duidelijk meer medicijnen voorschrijven. Onder verwijzing naar de brief d.d. 20 februari 2003 van zijn accountant heeft de man gesteld dat de winst over 2001 en 2002 met een bedrag van € 30.000,-- genormaliseerd zou dienen te worden. Het hof volgt de man niet in deze stelling, nu de man deze stelling tegenover de uitdrukkelijke en gemotiveerde betwisting door de vrouw niet heeft aangetoond of aannemelijk gemaakt. Daar komt nog bij dat de man sinds 1 januari 2005 samenwerkt met één van de huisartsen die in de jaren 2001 en 2002 als waarnemer optrad, zodat, als de stelling van de man juist zou zijn, de man meeprofiteert van het voorschrijfgedrag van zijn compagnon.

9.46. Voor wat betreft de lasten van de man houdt het hof rekening met het op de Wet werk en bijstand gebaseerde normbedrag voor een alleenstaande, inclusief de maximale toeslag maar exclusief de woonkostencomponent, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

9.47. De rechtbank heeft bij de beoordeling van de draagkracht van de man rekening gehouden met een premie van

€ 710,58 per maand voor een arbeidsongeschiktheidsverzekering en met een bedrag van € 183,03 aan WAZ-premie. Tegen het in aanmerking nemen van deze bedragen zijn geen grieven aangevoerd. Nu het hof echter de financiële draagkracht van de man vanaf 1 januari 2005 beoordeelt en de premie WAZ per genoemde datum is vervallen, houdt het hof met die premie geen rekening.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking rekening gehouden met een door de man te betalen premie arbeidsongeschiktheidsverzekering van € 710,58 per maand. Daartegen is door partijen geen grief aangevoerd, zodat ook het hof met dat bedrag rekening houdt.

9.48. Voor wat betreft de woonlasten van de man gaat het hof uit van de in de bestreden beschikking vermelde bedragen, te weten:

€ 914,42 aan hypotheekrente,

€ 307,-- aan premie levensverzekering,

€ 95,-- aan forfaitaire eigenaarslasten.

9.49. Het hof houdt rekening met een eigenwoningforfait van € 3.180,--. Dit bedrag blijkt uit de bij brief van de advocaat van de man van 29 maart 2006 overgelegde aangifte voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2003.

9.50. Omdat het hof voor wat betreft de draagkracht van de man uitgaat van de situatie per 1 januari 2005, houdt het hof -evenals de rechtbank- rekening met een premie van € 332,-- per maand voor een particuliere ziektekosten-verzekering, op welk bedrag de nominale premie ten bedrage van € 21,-- reeds in mindering is gebracht.

9.51. Voor wat betreft de ten laste van de man komende kosten van levensonderhoud en studie van de kinderen van partijen overweegt het hof als volgt.

9.52. [A.], geboren op [geboortejaar], is in april 2005 weer bij de man gaan wonen. Zij is eind 2006 afgestudeerd als verpleegkundige. De man heeft gesteld dat hij vanaf het moment dat [A.] weer bij hem woont allerlei kosten voor haar betaalt en haar daarnaast een zakgeld van € 120,-- per maand geeft. De vrouw heeft dat uitdrukkelijk en gemotiveerd weersproken en er in dat verband onder meer op gewezen dat [A.] naast haar studie ook werkte. De man heeft ter zitting van het hof van 6 april 2006 erkend dat [A.] gedurende 15 uur per week werkt en daarmee € 7,-- per uur verdient. Mede gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet, althans onvoldoende is gebleken dat [A.], die inmiddels 23 jaar is, nog behoefte heeft aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud en studie. De man heeft nog aangevoerd dat [A.] in september 2006 verder gaat studeren. Indien en voor zover daaruit voor de man kosten voortvloeien, houdt het hof daarmee geen rekening, nu de bijdrage voor de vrouw dient voor te gaan.

9.53. [B.], geboren op [geboortejaar], volgt een HBO-opleiding. Hij hoopt deze studie in 2006 af te ronden. [B.] woont bij zijn vader. Hoewel partijen het erover eens zijn dat [B.] in aanmerking komt voor studiefinanciering en dat hij naast zijn studie steeds meer is gaan werken en daaruit inkomen heeft, verschillen partijen van mening met betrekking tot de kosten van levensonderhoud en studie, die de man voor zijn rekening neemt. Volgens de man geeft hij [B.] aan zak- en kleedgeld een bedrag van € 140,-- per maand en betaalt hij daarnaast het collegegeld en de premie van de ziektekostenverzekering. De vrouw betwist dat en stelt dat [B.] van zijn vader maandelijks een bedrag van € 80,-- ontvangt.

Het hof zal gedurende de periode van 1 januari 2005 tot juni 2006 rekening houden met voor rekening van de man komende kosten voor [B.] tot een bedrag van € 300,-- per maand, welk bedrag het hof redelijk en billijk acht. Het hof gaat er daarbij van uit dat [B.] dan zijn studie heeft afgerond en volledig in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien.

9.54. [C.], die is geboren op [geboortejaar], is eind 2003 begin 2004 weer bij de man gaan wonen tot zij in juli 2005 opnieuw en op vrijwillige basis in een internaat is opgenomen. In verband met haar aanvraag tot toekenning van een Wajong-uitkering heeft [C.] inmiddels een medische keuring ondergaan en de verwachting bestaat dat die uitkering met terugwerkende kracht tot 1 juli 2005 zal worden verleend, zodat [C.] met ingang van laatstgenoemde datum niet meer ten laste van de man komt. De man heeft er ter zitting van het hof van 6 april 2006 mee ingestemd dat tot 1 juli 2005 rekening wordt gehouden met voor zijn rekening komende kosten van [C.] tot een bedrag van € 700,-- per maand.

9.55. [D.], eveneens geboren op [geboortejaar], woont sinds september 2005 op kamers. Ter zitting van het hof van 6 april 2006 is gebleken dat [D.] onlangs met zijn rechtenstudie is opgehouden, maar dat hij nog niet weet wat hij nu wil gaan doen. [D.] kwam in aanmerking voor studiefinanciering. De studiefinanciering is nog niet beëindigd. De man heeft ter zitting van het hof van 6 april 2006 verklaard dat hij de kamerhuur ad € 280,-- per maand voor [D.] betaalt en dat [D.] daarnaast een zakgeld ontvangt van € 180,-- per maand. Als door de vrouw gesteld en door de man erkend staat vast dat [D.], nu hij met zijn studie is gestopt, alle door zijn vader betaalde studiegerelateerde kosten moet terugbetalen. Nu [D.] zijn studie heeft beëindigd, kan van hem in redelijkheid gevergd worden dat hij door het verrichten van arbeid in zijn levensonderhoud gaat voorzien. Daarom zal het hof tot 1 juli 2006 rekening houden met voor rekening van de man komende kosten voor [D.] tot een bedrag van gemiddeld € 300,-- per maand.

9.56. Al het vorenstaande in aanmerking nemende, is het hof van oordeel dat de draagkracht van de man ruimschoots toelaat dat hij met ingang van 1 januari 2005 met de hiervoor onder 9.37 vermelde bedragen bijdraagt in het levensonderhoud van de vrouw. Met inachtneming van betaling door de man enerzijds en ontvangst door de vrouw anderzijds van voormelde bedragen heeft de man - zo wijst vergelijking uit - nog immer meer vrij te besteden dan de vrouw.

9.57. De bestreden beschikking dient dan ook te worden vernietigd voorzover daarbij het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man met ingang van 1 januari 2005 te betalen aanvullende bijdrage in haar levensonderhoud is afgewezen.

De proceskosten:

9.58. De op het hoger beroep gevallen proceskosten worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtelieden zijn.

10. De beslissing

Het hof:

In het principaal en incidenteel appèl:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Roermond van 3 december 2003, doch alleen voorzover daarbij is afgewezen het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een door de man met ingang van 1 januari 2005 te betalen aanvullende bijdrage in haar levensonderhoud,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt het bedrag dat de man met ingang van 1 januari 2005 aan de vrouw ten behoeve van haar levensonderhoud dient te betalen op:

€ 1.425,-- per maand tot 1 januari 2006,

€ 570,-- per maand van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 en

€ 1.470,-- per maand met ingang van 1 juli 2006;

bekrachtigt genoemde beschikking voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte;

compenseert de op het hoger beroep gevallen proceskosten aldus tussen partijen, dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Smeenk-van der Weijden, Van Soest-van Dijkhuizen en Bijleveld-van der Slikke en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 20 juli 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.