Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY6069

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-07-2006
Datum publicatie
11-08-2006
Zaaknummer
05/00464
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De voor de toepassing van de - vóór 1 januari 2001 in artikel 8, lid 1, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, thans in artikel 3:13, lid 1, onderdeel a, van de Wet opgenomen - vrijstelling van kwijtscheldingswinst gestelde eis dat de kwijtschelding betrekking dient te hebben op niet voor verwezenlijking vatbare rechten, houdt naar het oordeel van het hof in dat een redelijk oordelende en zakelijk handelende crediteur op grond van de ten tijde van de kwijtschelding bestaande feiten en omstandigheden, zoals deze voor hem kenbaar konden zijn, tot het oordeel moest komen dat pogingen tot inning of verhaal vruchteloos zouden blijven of tot naar maatschappelijke opvattingen onaanvaardbare gevolgen zouden leiden. Het hof verwijst ter zake naar HR 5 april 1995, nr. 29.940, BNB 1995/219 en HR 24 december 2004, nr. 39.522, BNB 2005/108.

Na verwijzing moet derhalve nog de vraag worden beantwoord of A zakelijk heeft gehandeld door de vordering kwijt te schelden nadat deze was verjaard. Naar het oordeel van het Hof moet deze vraag bevestigend worden beantwoord. [..]

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2006/62.13 met annotatie van Redactie
FutD 2006-1529
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 05/00464

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid ondernemingen te Y van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Z, die thans ten aanzien van belanghebbende bevoegd is, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslag.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een geschat belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 81.450,=, welke aanslag, na daartegen tijdig gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij het gerechtshof te Arnhem. Dat hof heeft beroep ongegrond verklaard bij uitspraak van 23 april 2004, nr. 02/960.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft bij arrest van 12 augustus 2005, nr. 40.896, gepubliceerd in BNB 2005/352, de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem vernietigd onder verwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van het arrest.

1.4. De Inspecteur heeft, daartoe door het hof in de gelegenheid gesteld, naar aanleiding van het arrest een schriftelijke conclusie ingediend welke op 19 oktober 2005 bij het hof is binnengekomen.

Belanghebbende heeft, daartoe door het hof in de gelegenheid gesteld, bij op 16 januari 2006 ter griffie van het hof ontvangen conclusie op voormeld arrest en de inhoud van de conclusie van de Inspecteur gereageerd.

1.5. Met toestemming van partijen heeft het hof bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Het Hof verwijst naar de feiten, zoals die zijn vastgesteld door het gerechtshof te Arnhem.

In de stukken na het arrest van de Hoge Raad zijn door partijen geen andere feiten in het geding gebracht.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de door kaashandelaar A prijsgegeven vordering op belanghebbende aan het einde van het onderhavige jaar (2001) nog voor verwezenlijking vatbaar was.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de voorlopige aanslag tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 47.000,=.

De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Overwegingen omtrent het geschil

4.1. De voor de toepassing van de - vóór 1 januari 2001 in artikel 8, lid 1, onderdeel c, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, thans in artikel 3:13, lid 1, onderdeel a, van de Wet opgenomen - vrijstelling van kwijtscheldingswinst gestelde eis dat de kwijtschelding betrekking dient te hebben op niet voor verwezenlijking vatbare rechten, houdt naar het oordeel van het hof in dat een redelijk oordelende en zakelijk handelende crediteur op grond van de ten tijde van de kwijtschelding bestaande feiten en omstandigheden, zoals deze voor hem kenbaar konden zijn, tot het oordeel moest komen dat pogingen tot inning of verhaal vruchteloos zouden blijven of tot naar maatschappelijke opvattingen onaanvaardbare gevolgen zouden leiden. Het hof verwijst ter zake naar HR 5 april 1995, nr. 29.940, BNB 1995/219 en HR 24 december 2004, nr. 39.522, BNB 2005/108.

4.2. Na verwijzing moet derhalve nog de vraag worden beantwoord of A zakelijk heeft gehandeld door de vordering kwijt te schelden nadat deze was verjaard.

4.3. Naar het oordeel van het Hof moet deze vraag bevestigend worden beantwoord. Vaststaat dat belanghebbende en zijn echtgenote na augustus 1995 (definitief) zijn gestopt met het aflossen van de schuld. Gelet op deze voor hem kenbare omstandigheid diende A ermee rekening te houden dat belanghebbende, indien tot betaling aangesproken, met een beroep op de ingetreden verjaring zou weigeren zijn schuld te betalen. Dat neemt niet weg dat er voor belanghebbende nog wel een natuurlijke verbintenis bleef bestaan om de schuld te voldoen. A zou echter slechts in een aantal specifieke gevallen alsnog betaling van de schuld kunnen afdwingen. Een dergelijk geval zou zich met name voordoen, indien sprake zou zijn van een bevoegdheid tot verrekening met een eigen verbintenis (artikel 6:131, lid 1, BW), een bevoegdheid tot opschorting van een eigen verbintenis (artikel 6:56 BW) of een bevoegdheid tot verhaal op een tot zekerheid verstrekt vuistpand (artikel 3:323, lid 2 BW). Gesteld noch gebleken is dat een dergelijke bevoegdheid ten tijde van de kwijtschelding bestond of naar verwachting zou kunnen ontstaan. Deze omstandigheid brengt mee dat ervan moet worden uitgegaan dat A zich ten tijde van de kwijtschelding niet op een bevoegdheid als hiervóór bedoeld kon beroepen of in de afzienbare toekomst zou kunnen beroepen. Nu dit voor A kenbaar was, althans kon zijn, heeft hij geenszins onzakelijk gehandeld door de vordering kwijt te schelden.

4.4. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde vraag aan de zijde van belanghebbende. Voor dit geval zijn partijen het erover eens dat de aanslag moet worden verminderd tot een aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 47.000,=.

5. Het griffierecht

Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht te worden vergoed.

6. Proceskosten

Nu het beroep gegrond is, acht het hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het hof stelt deze kosten, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op de kosten van de behandeling van het beroep bij het gerechtshof te Arnhem, zijnde € 1449,= (3 (punten) x € 322,= (waarde per punt) x 1,5 (gewicht van de zaak)), vermeerderd met de kosten van de behandeling van het beroep bij dit hof ten bedrage van € 241,50 (0,5 (punten) x € 322,-- x 1,5 (gewicht van de zaak)) is in totaal € 1690,50,=.

7. Beslissing

Het hof:

* verklaart het beroep gegrond,

* vernietigt de bestreden uitspraak,

* vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van ƒ 47.000,=,

* gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 31,=,

* veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1690,50,=, en

* wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht en de proceskosten moet vergoeden.

Aldus gedaan op 13 juli 2006 door A.J. van Soest, voorzitter, R.J. Koopman en N. van Beelen, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 13 juli 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.