Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY5640

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-06-2006
Datum publicatie
04-08-2006
Zaaknummer
04/00651
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nu het aan belanghebbende toebehorende eigendom is gesplitst in twee aparte delen, waarvan hij er één zelf bewoont en het andere aan een derde verhuurt, rijst de vraag of te dezen sprake is van twee afzonderlijke gedeelten van de gebouwde eigendom welke blijkens hun indeling elk voor zich bestemd zijn om als een afzonderlijke geheel te worden gebruikt en welke derhalve voor de toepassing van de verordening als aparte onroerende zaken dienen te worden beschouwd.

Uitgaande van de ten processe vaststaande feiten ter zake [..] dient naar het oordeel van het hof de [..] de vraag in bevestigende zin te worden beantwoord. Hierbij neemt het hof in overweging dat beide gedeelten beschikken over de voor bewoning essentiële voorzieningen zoals een keuken, een bad/douchegelegenheid en een toilet, en voorts dat beide gedeelten over een aparte ingang beschikken. Verder neemt het hof ter zake in overweging dat voor de toepassing van de Wet waardering onroerende zaken het onderhavige object is gesplitst in twee afzonderlijke onroerende zaken op de voet van artikel 16, onderdeel c, van die wet welke bepaling voor zover hier van belang gelijkluidend is aan artikel 1, onder 2, van de verordening, en dat niet gebleken is dat belanghebbende zich tegen die splitsing heeft verzet.

Aan dit oordeel doet niet af dat de verwarmingsketel en de meterkast voor de gehele opstal zich bevinden in één van beide gedeelten. Verder doet aan dat oordeel niet af dat er zich tussen de gedeelten een gang met een afsluitbare deur bevindt. Ten slotte doet aan dit oordeel niet af op welke wijze de aansluiting op de riolering in feite is uitgevoerd. [..] is de verweerder er terecht van uitgegaan dat elk van bedoelde gedeelten in aanmerking zijn te nemen als onroerende zaken en heeft hij derhalve met juistheid ter zake twee aanslagen in de baatbelasting openbare riolering ten behoeve van Y aan belanghebbende opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2006/1023
FutD 2006-1475
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

BELASTINGKAMER

Nr. 04/00651

HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH

U I T S P R A A K

Uitspraak van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, derde meervoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de afdeling Middelen van de gemeente Z (hierna: de verweerder) op het bezwaarschrift betreffende na te melden aanslagen.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende zijn twee aanslagen, verenigd op één aanslagbiljet, in de baatbelasting openbare riolering ten behoeve van Y opgelegd ten bedrage van elk € 3.176,46, in totaal € 6.352,92, welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de verweerder zijn gehandhaafd.

1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 37,--.

De verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 23 maart 2006 te 's-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de verweerder.

Belanghebbende is niet verschenen.

De griffier heeft verklaard dat hij belanghebbende bij op 28 februari 2006, met nummer 3SRRRL5809849, aangetekend naar het door belanghebbende zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, waarvan een afschrift tot de stukken behoort, heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting.

Tot de stukken van het geding behoort een kopie van het op de onderhavige uitnodiging betrekking hebbende gedeelte van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de op dat verzendbewijs betrekking hebbende statusinformatie.

1.4. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten.

2. Feiten

Op grond van de stukken van het geding en de geloofwaardige verklaring van de verweerder ter zitting stelt het hof, als tussen partijen niet in geschil, de volgende feiten vast:

2.1. Bij het besluit, in de zin van artikel 222, lid 2 van de Gemeentewet, zoals dat toen luidde, vastgesteld in de openbare vergadering van 26 oktober 2000 en bekendgemaakt in A Aktueel, een huis-aan-huisblad, van 21 november 2000, onder de aantekening dat het besluit kosteloos ter inzage is gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar is gesteld, bij de afdeling Middelen, cluster Belastingen, B 30 te C, heeft de raad van de gemeente Z het volgende besloten (hierna: het bekostigingsbesluit):

"I. de vastgestelde bijdrage ad f. 7000,00 respectievelijk f. 12.000,00 in de aanlegkosten van het openbaar riool Y te verhalen op de genothebbenden krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de door deze voorziening gebate onroerende zaken;

III. te verklaren:

a. dat van de genothebbenden krachtens zakelijk recht van de percelen gelegen binnen de omlijning van het gebied Y, zoals op bijgevoegde plankaart aangegeven en ten behoeve waarvan een openbaar riool wordt aangelegd, een baatbelasting zal worden geheven als een bedrag ineens of in 20 jaarlijkse termijnen;

b. (enz.)"

2.2. De Verordening op de heffing en invordering van een baatbelasting ten behoeve van de aanleg van een openbare riolering in het buurtschap Y 2002 (hierna: de verordening) is vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 4 juli 2002 en bekendgemaakt in A Aktueel, een huis-aan-huisblad, van 17 juli 2002, onder de aantekening dat het besluit kosteloos ter inzage is gelegd en tegen betaling van de kosten algemeen verkrijgbaar is gesteld, bij de centrale balie van de gemeente Z, B 30 te C. Deze verordening luidt voorzover te dezen van belang:

"Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder een onroerende zaak;

1. een gebouwd eigendom;

2. een gedeelte van een onder 1 bedoeld eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

3. een samenstel van twee of meer van de onder 1 bedoelde eigendommen of onder 2 bedoelde gedeelten daarvan die naar de omstandigheden beoordeeld bij elkaar horen.

Artikel 2 Belastbaar feit

1. Onder de naam "baatbelasting openbare riolering ten behoeve van Y" wordt in de vorm van een heffing ineens een directe belasting geheven ter zake van de onroerende zaken gelegen in de gemeente binnen de blauwe omlijning op de bij deze verordening behorende en als zodanig gewaarmerkte kaart, die op 1 januari 2002 zijn gebaat door de in het tweede lid genoemde voorzieningen die tot stand is gebracht door of met medewerking van het gemeentebestuur.

2. De in het eerste lid bedoelde voorziening omvat de aanleg van een openbare riolering.

Artikel 3 Belastingplicht

1. De belasting wordt geheven van degene die van een onroerende zaak als bedoeld in artikel 2, eerste lid, het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die op het tijdstip van ingang van de heffing dan wel, indien de belasting wordt geheven in de vorm van een jaarlijkse belasting, bij de aanvang van het belastingjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 4 Maatstaf van heffing

De maatstaf van heffing is een bedrag per onroerende zaak

Artikel 5 Belastingtarief

1. De belasting bedraagt per onroerende zaak € 5.445,36.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid bedraagt de belasting per onroerende zaak, dat als zodanig qua indeling uitsluitend bestemd is te worden gebruikt als woning € 3.176,46."

2.3. Belanghebbende is op 1 januari 2002 eigenaar van de onroerende zaak gelegen aan de Y, kadastraal bekend onder sectie J nr. 000, omvattende een perceel met opstal waarin belanghebbende zelf woont en van welke opstal hij een gedeelte verhuurt aan een derde.

2.4. Het gedeelte van de in 2.3. aangeduide opstal dat aan een derde is verhuurd, en dat plaatselijk bekend staat als Y 24A, bestaat uit een woonruimte, keuken, slaapkamer, douche/toilet en dergelijke. Het beschikt over een eigen aparte ingang. Het resterende gedeelte van deze opstal, dat door belanghebbende wordt bewoond, bestaat uit een woonruimte, keuken, slaapkamer(s), douche/toilet en dergelijke. Het staat plaatselijk bekend als Y 24. In dit gedeelte bevindt zich een verwarmingsketel en een meterkast waarin zich de electriciteits- en watermeter bevinden. Ook dit gedeelte heeft een eigen, aparte ingang. Beide gedeelten worden gescheiden door een tussenliggende gang en een afsluitbare deur.

2.5. Voor de toepassing van de Wet waardering onroerende zaken is de opstal als omschreven in 2.3. gesplitst in twee afzonderlijke objecten. Belanghebbende heeft tegen deze splitsing geen verweer gevoerd.

3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1. Het geschil betreft het antwoord op de vraag of aan belanghebbende terecht twee aanslagen zijn opgelegd in de onderhavige baatbelasting. Belanghebbende is van oordeel dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De verweerder is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

Ter zitting heeft de verweerder verklaard dat hij aan de van hem afkomstige stukken niets heeft toe te voegen.

3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en, naar het hof belanghebbende verstaat, tot vernietiging van de hem ter zake van de woning Y 24A opgelegde aanslag.

De verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge het gestelde in artikel 1, onder 2., van de verordening is onder een onroerende zaak mede te verstaan een gedeelte van een gebouwd eigendom dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt.

4.2. Nu het aan belanghebbende toebehorende eigendom is gesplitst in twee aparte delen, waarvan hij er één zelf bewoont en het andere aan een derde verhuurt, rijst de vraag of te dezen sprake is van twee afzonderlijke gedeelten van de gebouwde eigendom welke blijkens hun indeling elk voor zich bestemd zijn om als een afzonderlijke geheel te worden gebruikt en welke derhalve voor de toepassing van de verordening als aparte onroerende zaken dienen te worden beschouwd.

4.3. Uitgaande van de ten processe vaststaande feiten ter zake, zoals die zijn weergegeven in 2.4. hiervoor, dient naar het oordeel van het hof de in 4.2. bedoelde vraag in bevestigende zin te worden beantwoord. Hierbij neemt het hof in overweging dat beide gedeelten beschikken over de voor bewoning essentiële voorzieningen zoals een keuken, een bad/douchegelegenheid en een toilet, en voorts dat beide gedeelten over een aparte ingang beschikken. Verder neemt het hof ter zake in overweging dat voor de toepassing van de Wet waardering onroerende zaken het onderhavige object is gesplitst in twee afzonderlijke onroerende zaken op de voet van artikel 16, onderdeel c, van die wet welke bepaling voor zover hier van belang gelijkluidend is aan artikel 1, onder 2, van de verordening, en dat niet gebleken is dat belanghebbende zich tegen die splitsing heeft verzet.

Aan dit oordeel doet niet af dat de verwarmingsketel en de meterkast voor de gehele opstal zich bevinden in één van beide gedeelten. Verder doet aan dat oordeel niet af dat er zich tussen de gedeelten een gang met een afsluitbare deur bevindt. Ten slotte doet aan dit oordeel niet af op welke wijze de aansluiting op de riolering in feite is uitgevoerd.

4.4. Uitgaande van het in 4.3. bedoelde oordeel is de verweerder er terecht van uitgegaan dat elk van bedoelde gedeelten in aanmerking zijn te nemen als onroerende zaken en heeft hij derhalve met juistheid ter zake twee aanslagen in de baatbelasting openbare riolering ten behoeve van Y aan belanghebbende opgelegd.

5. Griffierecht

Het hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

6. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. Beslissing

Het hof verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan op 23 juni 2006 door N. van Beelen, voorzitter, R.J. Koopman en J.W. Zwemmer, in tegenwoordigheid van J.W.J. van der Heijden, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken.

Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 23 juni 2006

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in

cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd.

Na het instellen van beroep ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het beroepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.