Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY5413

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-08-2006
Datum publicatie
03-08-2006
Zaaknummer
C0500462-RO
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De overeenkomst van de WinstVerDriedubbelaar voldoet aan alle eisen van een huurkoopovereenkomst. Een echtgenoot heeft voor het aangaan van die overeenkomst toestemming van de andere echtgenoot nodig. Indien deze ontbreekt, is de overeenkomst niet geldig.

In deze zaak gaat het om de echtgenote van degene die zo’n overeenkomst met LegioLease (de voorganger van Dexia) had gesloten. Nu zij zegt dat zij geen toestemming heeft gegeven, betekent dit dat zij van het hof alsnog mag tussenkomen in de procedure in de hoofdzaak, die bij de rechtbank Roermond loopt tussen haar echtgenoot en Dexia.

Het oordeel van het hof is voorlopig, omdat het hier eigenlijk alleen ging over de vraag of de echtgenote in die hoofdzaak mocht tussenkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 452
FJR 2007, 56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

typ. JD

rolnr. C0500462/RO

ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH,

eerste kamer, van 1 augustus 2006,

gewezen in de zaak van:

"APPELLANTE",

wonende te "woonplaats",

appellante bij exploot van dagvaarding van

27 december 2004,

procureur: mr. Ph.C.M. van der Ven,

tegen:

1. de naamloze vennootschap DEXIA NEDERLAND N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde bij gemeld exploot,

procureur: mr. J.E. Lenglet,

2. "GEÏNTIMEERDE SUB 2",

wonende te "woonplaats",

geïntimeerde bij gemeld exploot,

niet verschenen,

op het hoger beroep van het door de rechtbank te Roermond gewezen vonnis van 1 december 2004 tussen appellante

- "appellante" - als eiseres in het incident tot tussenkomst en geïntimeerden - Dexia respectievelijk "geïntimeerde sub 2" - als verweerders in het incident tot tussenkomst.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 61057/HA ZA 04-343)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft "appellante", onder overlegging van producties, een grief aangevoerd en, mede gelezen de appeldagvaarding, geconcludeerd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende "appellante" alsnog zal laten tussenkomen in de hoofdzaak tussen Dexia en "geïntimeerde sub 2", en de hoofdzaak zelf af te doen dan wel de zaak te verwijzen naar de bevoegde rechter, met veroordeling van Dexia, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van het geding.

2.2. Op de eerste roldatum is "geïntimeerde sub 2" niet in het geding verschenen, waarop het hof verstek tegen hem heeft verleend.

2.3. Bij memorie van antwoord heeft Dexia, onder overlegging van een productie, de grief bestreden.

2.4. Dexia heeft een akte uitlating voorwaardelijke schorsing ex art. 1015 Rv genomen, en "appellante" heeft een antwoordakte genomen. Het hof heeft het verzoek om schorsing ex art. 1015 Rv afgewezen.

2.5. Partijen hebben daarop de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In het dossier van Dexia heeft het hof evenwel de memorie van grieven uit een andere procedure (waarbij Dexia eveneens geïntimeerde is) aangetroffen. Het hof heeft hierop geen acht geslagen.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de grief verwijst het hof naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1.1. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

a. Op of omstreeks 13 juni 2000 heeft de echtgenoot van "appellante", "geïntimeerde sub 2", met de rechtsvoorganger van Dexia, Bank Labouchère N.V. h.o.d.n. Legio-Lease (hierna: de bank), een schriftelijke overeenkomst gesloten genaamd WinstVerDriedubbelaar met betrekking tot door de bank op 7 juni 2000 gekochte aandelen ABN Amro, Ahold en ING, alsmede een tweetal door de bank nog te kopen pakketten aandelen ABN Amro, Ahold en ING.

b. De overeenkomst is aangegaan voor de duur van 36 maanden, te rekenen vanaf de eerste aankoop van de aandelen op

7 juni 2000.

c. In de overeenkomst is bepaald dat "geïntimeerde sub 2" de aandelen van de bank least tegen een leasesom van

f. 63.012,40.

d. Op grond van artikel 3 van de overeenkomst is "geïntimeerde sub 2" deze leasesom aan de bank verschuldigd als volgt:

- een rentetermijn van f. 10.009,52;

- op of omstreeks de 35e maand: f. 100,--;

- aan het einde van de lease-overeenkomst het restant ad f. 52.902,88. Daarbij is bepaald dat dit restant in principe wordt verrekend met de verkoopopbrengst van de aandelen.

e. Voorts is in de overeenkomst onder andere bepaald:

'5. Zodra lessee al datgene aan Legio-Lease heeft betaald wat hij haar krachtens deze lease-overeenkomst en de daarbij behorende Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease verschuldigd is of zal worden, is lessee automatisch en van rechtswege eigenaar van de waarden (bedoeld zijn de aandelen, hof) geworden.

7. Aan het einde van de looptijd heeft lessee het recht om deze lease-overeenkomst te verlengen voor een periode van 36 maanden.'

f. De op de overeenkomst toepasselijke Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease bepalen onder meer:

'2. Legio-Lease en lessee komen overeen dat het eigendom van de waarden op lessee overgaat door vervulling van de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. Teneinde te bewerkstelligen dat lessee alsdan van rechtswege eigenaar van de waarden wordt, worden de in de overeenkomst genoemde waarden voorwaardelijk overgedragen aan lessee en wel onder de opschortende voorwaarde dat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan. Deze voorwaardelijke overdracht geschiedt doordat genoemde waarden onverwijld na verkrijging ervan door Legio-Lease ten name van lessee worden bijgeschreven in de administratie van Bank Labouchere, overeenkomstig artikel 17 van de Wge, ter uitvoering van de in de eerste zin van dit artikel omschreven verbintenis tot voorwaardelijke overdracht. Legio-Lease behoudt het eigendom van de waarden totdat lessee aan al zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst heeft voldaan en blijft als zodanig bevoegd over de waarden te beschikken zonder dat dit ten nadele van lessee werkt. (...)

3. Alle baten en waardeveranderingen van de waarden komen lessee toe. (...)

10. Indien lessee aan al zijn verplichtingen uit de overeenkomst heeft voldaan, zullen de waarden aan lessee worden uitgeleverd, tenzij lessee alsdan mededeelt de voorkeur te geven aan de verkoop van de waarden. De verkoopopbrengst zal in dat geval door Legio-Lease aan lessee worden uitbetaald. Verkoop vindt zo spoedig mogelijk na opdracht daartoe plaats.'

g. Op 9 juni 2003, na afloop van de overeenkomst, heeft Dexia de aandelen met verlies verkocht. In verband daarmee heeft Dexia naar "geïntimeerde sub 2" een eindafrekening ad E. 13.091,13 gestuurd, te voldoen door "geïntimeerde sub 2".

h. Bij aangetekende brief van 26 februari 2003 heeft "appellante" aan Dexia medegedeeld dat zij voornoemde overeenkomst, tezamen met drie thans niet in het geding betrokken overeenkomsten tussen "geïntimeerde sub 2" en - thans - Dexia vernietigt, omdat "appellante" voor die overeenkomst(en) geen toestemming als bedoeld in artikel 1:88 lid 1 sub d BW heeft verleend aan "geïntimeerde sub 2".

4.1.2. Dexia heeft "geïntimeerde sub 2" gedagvaard voor de rechtbank te Roermond en betaling gevorderd van bedoelde eindafrekening, vermeerderd met rente en kosten. Dit geding zal hierna worden aangeduid als de hoofdzaak.

4.1.3. Vervolgens heeft "appellante", na enige processuele verwikkelingen in de hoofdzaak, bij incidentele conclusie tot tussenkomst gevorderd dat de rechtbank haar zal toelaten om tussen te komen in de hoofdzaak tussen Dexia en "geïntimeerde sub 2", met veroordeling van Dexia in de kosten van het incident. "appellante" heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat bedoelde overeenkomst tussen (thans) Dexia en "geïntimeerde sub 2" een huurkoopovereenkomst is, een species van een overeenkomst van koop op afbetaling, waarvoor "geïntimeerde sub 2" ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub d BW de toestemming van "appellante" behoefde. Aangezien "appellante" die toestemming niet heeft verleend, heeft zij de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd, zo stelt zij. Gelet daarop wil "appellante" tussenkomen in de hoofdzaak teneinde te vorderen dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat "appellante" de overeenkomst rechtsgeldig heeft vernietigd althans dat de rechtbank deze overeenkomst alsnog zal vernietigen, en voorts dat de rechtbank de vordering van Dexia tegen "geïntimeerde sub 2" zal afwijzen.

4.1.4. Dexia heeft in het incident een conclusie van antwoord genomen, waarbij zij heeft geconcludeerd tot het niet ontvankelijk verklaren van "appellante" in haar incidentele vordering, althans tot ontzegging daarvan.

"geïntimeerde sub 2" heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.1.5. Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de incidentele vordering tot tussenkomst afgewezen. De rechtbank heeft daartoe geoordeeld dat, gelet op de wetsgeschiedenis, het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 lid 1 sub d BW geen betrekking heeft op overeenkomsten van koop op afbetaling van vermogensrechten, zoals de onderhavige aandelenlease-overeenkomst, zodat een redelijke grond voor tussenkomst ontbreekt.

4.2.1. Dit vonnis is voor "appellante" een eindvonnis, zodat zij ontvankelijk is in haar appel daarvan.

4.2.2. Het oordeel van het hof is echter voorlopig, omdat eerst in de hoofdzaak de voorgelegde vraag definitief kan worden beantwoord, nadat ook "geïntimeerde sub 2" de gelegenheid heeft gehad zich erover uit te laten.

4.3.1. "appellante" stelt in haar memorie van grieven dat zij beoogt het geschil, voorzover tot nu toe door de rechtbank beoordeeld, in volle omvang aan het hof voor te leggen. Deze enkele vermelding in de memorie van grieven is niet voldoende om aan te nemen dat een door "appellante" niet vermeld geschilpunt naast andere wel door "appellante" nader omlijnde bezwaren, in hoger beroep opnieuw aan de orde wordt gesteld. Voorzover "appellante" tegen een op het door haar gestarte incident betrekking hebbende eindbeslissing in eerste aanleg geen grief heeft aangevoerd, blijft deze buiten de grenzen van de rechtsstrijd, behoudens de werking van de openbare orde en de devolutieve werking van het hoger beroep binnen het door de grief ontsloten gebied.

4.3.2. De grief van "appellante" ziet enkel op het oordeel van de rechtbank dat art. 1:88 lid 1 sub d BW slechts ziet op koop op afbetaling van zaken en niet op vermogensrechten, en op de conclusie die hieruit door de rechtbank wordt getrokken dat "appellante" geen belang heeft om tussen te komen. De (zeer ruime) interpretatie van Dexia in de memorie van antwoord onder 6 van de inhoud van de grief van "appellante" berust dan ook op een verkeerde uitleg daarvan.

4.3.3. Het hof heeft zich in zijn eerdere arresten, welke ook door "appellante" en Dexia worden aangehaald, reeds voorlopig over deze kwestie uitgesproken. Het hof doelt hierbij met name op de arresten van 1 februari 2005, rolnrs. C0400309, C0400310 en C0400311. In deze arresten heeft het hof, op ten pleidooie uitgesproken eenparig en uitdrukkelijk verzoek van beide partijen, zich zoveel mogelijk uit-gelaten over de geschilpunten die partijen verdeeld hielden (zo nodig in overwegingen ten overvloede). Het (gezien de aard van die procedure: voorlopig) oordeel van het hof over deze geschilpunten was daarmee aan Dexia bekend. Naar 's hofs mening gaat het niet aan om kwesties die thans geen deel uitmaken van het door "appellante" ingesteld hoger beroep (en overigens evenmin in eerste aanleg door de rechtbank als zodanig zijn beoordeeld), alsnog via een omweg wederom bij het hof te introduceren, nu het hof zijn voorlopig oordeel hierover reeds heeft gegeven.

4.4.1. De thans voorliggende kwestie is - op enkele punten en komma's na - zowel wat betreft de tussen Dexia en de echtgenoot van appellante gesloten overeenkomst, als wat betreft de juridische onderbouwing van het standpunt van appellante dat art. 1:88 lid 1 sub d BW ook ziet op koop op afbetaling van vermogensrechten, gelijk aan die waarover het hof zijn voorlopig oordeel reeds meerdere malen heeft gegeven.

4.4.2. Hetgeen Dexia ter onderbouwing van haar andersluidende standpunt wederom aanvoert, en de stukken waarop zij zich ter onderbouwing van deze standpunten beroept, hebben reeds bij het hof voorgelegen en waren toen reeds bij de beoordeling van de aan het hof voorliggende vragen betrokken.

Het hof ziet in hetgeen thans door Dexia is aangevoerd geen aanleiding om tot een andere zienswijze te komen en van zijn eerder ingenomen voorlopig - gemotiveerde - oordeel af te wijken.

4.4.3. Het gaat thans wederom om de beantwoording van de vraag of het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 lid 1 sub d BW al dan niet mede betrekking heeft op de koop op afbetaling dan wel huurkoop van vermogensrechten.

Voor koop op afbetaling bepaalt artikel 7A:1576 lid 1 BW dat partijen overeengekomen moeten zijn dat de koopprijs wordt betaald in termijnen, waarvan twee of meer verschijnen nadat de verkochte zaak aan de koper is afgeleverd.

Dexia heeft gesteld dat de overeenkomst niet kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst van koop op afbetaling, omdat die overeenkomst blijkens de definitie in artikel 7A:1576 lid 1 BW betrekking moet hebben op een zaak. Het hof oordeelt hieromtrent voorlopig dat door lid 5 van artikel 7A:1576 BW de werkingssfeer van lid 1 van genoemd artikel wordt uitgebreid tot vermogensrechten (niet zijnde registergoederen), voor zover dat in overeenstemming is met de aard van het recht. Zulks brengt mee dat een koop op afbetaling met betrekking tot aandelen, welke ook overigens voldoet aan de vereisten van artikel 7A:1576 lid 1 BW, een overeenkomst van koop op afbetaling in de zin van die bepaling is. Weliswaar kan het zijn dat de aard van het recht zich tegen overeenkomstige toepassing van bepalingen uit titel 5A verzet, maar dat is in dit geval gesteld noch gebleken.

In dit verband wijst het hof nog op artikel 7:47 BW waarin een vergelijkbare, zij het in wat andere bewoordingen vervatte, schakelbepaling is opgenomen voor de koop van vermogensrechten. Die bepaling leidt ertoe dat indien een aandeel wordt verkocht, er sprake is van een koopovereenkomst in de zin van artikel 7:1 BW.

4.4.4. De vraag of de overeenkomst al dan niet voldoet aan de overige vereisten voor koop op afbetaling (en haar species huurkoop), is geen onderwerp van dit hoger beroep dat zich zoals gezegd slechts beperkt tot de vraag of het hier gaat om koop op afbetaling van zaken of van vermogensrechten, zodat het hof hieraan voorbij zal gaan.

Thans komt dan de vraag aan de orde of "geïntimeerde sub 2" voor het aangaan van de overeenkomst met Dexia op grond van artikel 1:88 lid 1 sub d BW de toestemming behoefde van zijn echtgenote "appellante". Dienaangaande overweegt het hof het volgende.

4.4.5. Voor de uitleg van artikel 1:88 lid 1 sub d BW hebben zowel "appellante" als Dexia - onder overlegging van rapporten - aansluiting gezocht bij de parlementaire geschiedenis. Het hof is echter van oordeel dat de parlementaire geschiedenis onvoldoende aanknopingspunten biedt voor het standpunt van "appellante" dan wel van Dexia. Bijgevolg dient bedoelde bepaling alleen aan de hand van de wettekst te worden uitgelegd.

In artikel 1:88 lid 1 sub d BW is als hoofdregel opgenomen dat een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot behoeft voor een overeenkomst van koop op afbetaling. Hierboven heeft het hof reeds vastgesteld dat ook een koop op afbetaling van vermogensrechten, zoals aandelen, door lid 5 van artikel 7A:1576 BW een overeenkomst van koop op afbetaling in de zin van artikel 7A:1576 lid 1 BW is. Hierdoor heeft het toestemmingsvereiste van artikel 1:88 lid 1 sub d BW ook betrekking op het aangaan van de onderhavige huurkoopovereenkomst, zijnde een species van koop op afbetaling. Overigens leidt het feit dat de uitzondering in artikel 1:88 lid 1 sub d BW uitdrukkelijk is beperkt tot bepaalde overeenkomsten van koop op afbetaling betreffende zaken niet tot een ander oordeel, nu de wet een dergelijke beperking niet bij de hoofdregel stelt. De grief slaagt derhalve.

4.5.1. Nu "geïntimeerde sub 2" naar 's hofs voorlopig oordeel voor het aangaan van de overeenkomst de toestemming van "appellante" behoefde en "appellante" op die grond buitengerechtelijk een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van de overeenkomst, heeft "appellante" voldoende belang om tussen te komen in de hoofdzaak tussen Dexia en "geïntimeerde sub 2". Het hof zal de gevorderde tussenkomst daarom alsnog toestaan.

4.5.2. "appellante" heeft eveneens gevorderd dat het hof de hoofdzaak zelf af zal doen, dan wel de zaak zal verwijzen naar de bevoegde rechter. Het hof wijst deze vorderingen af. Het hof heeft thans slechts te oordelen op het (hoger beroep aangaande het) door "appellante" opgeworpen incident. De hoofdzaak tussen "geïntimeerde sub 2" en Dexia is niet aan het hof voorgelegd. Derhalve kan het hof evenmin voldoen aan het verzoek de zaak terug te verwijzen naar de bevoegde rechter.

4.5.3. Nu alleen Dexia de incidentele vordering van "appellante" heeft bestreden, zal het hof uitsluitend Dexia als grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van "appellante" van het incident in eerste aanleg en haar proceskosten in hoger beroep.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en in zoverre opnieuw rechtdoende:

laat "appellante" toe tussen te komen in het geding tussen Dexia en "geïntimeerde sub 2" dat aanhangig is bij de rechtbank te Roermond onder nummer 61057/HA ZA 04-43;

veroordeelt Dexia in de proceskosten van het incident in eerste aanleg en in die van het hoger beroep, welke kosten aan de zijde van "appellante" worden begroot op E. 331,-- aan salaris procureur en op E. 315,-- aan verschotten in eerste aanleg, en op E. 1.341,-- aan salaris procureur en E. 513,78 aan verschotten voor het hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het betreft de veroordeling van Dexia in de proceskosten;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. Begheyn, Hendriks-Jansen en Fikkers en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof op 1 augustus 2006.