Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY3881

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-06-2006
Datum publicatie
13-07-2006
Zaaknummer
R200600669
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beloning mentorschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HK

27 juni 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200600669

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[Appellante.]

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: [A.],

procureur mr. A.M.H.C. Coppens.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking ‘machtiging inzake onderbewindstelling en mentorschap’ van de rechtbank Roermond, sector kanton locatie Roermond van 3 november 2005 (zaaknummer 146478/RV 05-713).

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, dat is ingekomen ter griffie op 2 februari 2006 en dat tevens is gericht tegen een groot aantal andere beschikkingen van de kantonrechter in Roermond, heeft [A.] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog de door haar in eerste aanleg verzochte additionele vergoeding en kosten uit hoofde van persoonlijke zorg en extra werkzaamheden van in totaal € 466,56 vast te stellen, althans zodanig te beslissen als het hof in goede justitie juist acht.

2.2. Op 20 april 2006 heeft de mondelinge behandeling van het beroepschrift plaatsgevonden. Zij heeft zich laten vertegenwoordigen door:

-de heer mr. P.J.L. Tacx, advocaat;

-de heer T.G. Jacobs, werkzaam bij haar bewindvoeringskantoor.

2.3. Het hof heeft voorts kennis genomen van:

-de inhoud van de ter zitting in hoger beroep overgelegde pleitnotitie,

-de na de mondelinge behandeling nog ontvangen brief met bijlagen d.d. 9 juni 2006 van de advocaat van [A.], met daarin opgenomen aanvullende gegevens en informatie, zoals door het hof bij brief van 1 juni 2006 verzocht.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De beschikking waarvan beroep wordt door het hof aangemerkt als een administratieve beslissing. Het hof heeft afgezien van het oproepen en doen horen van de betrokkene ten behoeve van wie het mentorschap is ingesteld(vgl. HR 19 januari 1990, NJ 1991/213).

4.2. Ingevolge artikel 332 lid 1 Rv staat – kort gezegd - tegen een in eerste aanleg (in een dagvaardingsprocedure) gewezen vonnis hoger beroep open tenzij de vordering waarover de rechter had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,-. Een overeenkomstige beperking van de appellabiliteit wordt niet gemaakt ten aanzien van beschikking op een verzoekschrift. Het hoger beroep is mitsdien ontvankelijk.

4.3. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.4. [A.] exploiteert een professioneel bewindvoeringskantoor, dat is aangesloten bij de branchevereniging van professioneel bewindvoerders en inkomensbeheerders (BPBI). Uit de stukken is gebleken dat zij regelmatig wordt benoemd tot curatrice in een curatelebewind en tot bewindvoerster en/of mentrix in een meerderjarigenbewind en/of mentorschap.

4.5. In de onderhavige procedure heeft [A.] de kantonrechter verzocht een vergoeding inclusief kosten van € 466,56 vast te stellen voor door haar verrichte werkzaamheden in het kader van het mentorschap ten behoeve van [Y.] over het jaar 2004.

4.6. Uit de brief van 9 juni 2006 van de advocaat van [A.] is gebleken dat [A.] ook bewindvoerster over het vermogen van [Y.] is geweest en dat zij daarvoor reeds een afzonderlijke vergoeding heeft ontvangen. De onderhavige procedure heeft derhalve alleen betrekking op de vergoeding voor verrichte werkzaamheden en kosten in het mentorschap.

4.7. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter een bedrag voor verrichte werkzaamheden van € 421,56 (gebaseerd op 6,5 uur x € 54,50 + 19% btw) toegewezen. Het meer of anders verzochte, daaronder begrepen de gedeclareerde reiskostenvergoeding van € 45,00, is door de kantonrechter afgewezen, Tenslotte heeft de kantonrechter bepaald dat [A.] vóór 1 januari 2006 een begroting dient over te leggen van de te verrichten werkzaamheden in 2006.

4.8. In hoger beroep heeft [A.] aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte de verzochte vergoeding voor reiskosten heeft afgewezen. Voorts heeft zij aangevoerd dat zij de kantonrechter in zijn beslissing niet kan volgen, omdat in de onderhavige zaak niet het forfaitaire maximaal te declareren tarief van € 972,83 inclusief BTW is vastgesteld.

4.9. Het hof overweegt als volgt. Artikel 1:460 lid 2 BW bepaalt dat de rechter aan de mentor ten laste van betrokkene een beloning kan toekennen indien hij zulks redelijk acht, waarbij de financiële draagkracht van betrokkene in aanmerking dient te worden genomen. In de ‘aanbevelingen mentorschap’ van het LOK (Landelijk Overleg Kantonrechters), gepubliceerd op 1 juni 2004, wordt vermeld dat het vercommercialiseren van het mentorschap niet dient te worden bevorderd en dat, indien benoeming van een professionele mentor onvermijdelijk is, eerst tot benoeming zal worden overgegaan nadat de beroepsmentor een begroting heeft ingediend, die kan worden goedgekeurd, waarbij de kantonrechter in het bijzonder let op de financiële draagkracht van betrokkene. Aanbevolen wordt te bepalen dat die begroting niet zonder voorafgaande toestemming van de kantonrechter ten laste van betrokkene kan worden overschreden.

4.10. In de onderhavige zaak heeft de kantonrechter, kennelijk mede vanwege het feit dat het mentorschap al sinds 2001 bestond en er geen begroting beschikbaar was, terzake de beloning van [A.] als mentor aansluiting gezocht bij de beloningswijze voor professionele bij de branchevereniging aangesloten bewindvoerders, zoals opgenomen in de ‘aanbeveling meerderjarigenbewind’ van het LOK. In deze aanbevelingen wordt terzake de beloning voor professionele bij de branche aangesloten bewindvoerders onderscheid gemaakt tussen werkzaamheden die wel en niet tot het gewone takenpakket van de bewindvoerder behoren. Voor gewone werkzaamheden kan volgens de aanbevelingen een maximale jaarbeloning inclusief kosten worden vastgesteld van € 972,82 inclusief btw (15 x € 54,50 + 19% btw, tarief 2004), waarbij er vanuit wordt gegaan dat in een bewindvoering aan gewone werkzaamheden gemiddeld 15 uur per jaar wordt besteed. Deze maximale vergoeding voor gewone werkzaamheden kan volgens de aanbevelingen in beginsel jaarlijks worden gevraagd, ongeacht het aantal aan het bewind bestede uren. Het betreft derhalve een forfaitair bedrag, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de eenvoudige bewinden mede de lasten van ingewikkelder bewinden dragen. Het staat bewindvoerders echter vrij om minder uren te declareren. In de aanbevelingen is een -niet limitatieve- lijst opgenomen van werkzaamheden die wel en werkzaamheden die niet worden geacht tot de gewone taken van de bewindvoerder te behoren.

Voor extra werkzaamheden, die niet tot de gewone werkzaamheden van een bewindvoerder worden gerekend, dient volgens de aanbeveling vooraf machtiging te worden gevraagd aan de kantonrechter en voor deze extra werkzaamheden geldt alsdan een uurloon van € 54,50 ( tarief 2004).

4.11. Het hof stelt voorop dat 1:460 lid 2 BW zich er niet tegen verzet dat de kantonrechter terzake de beloning van [A.] als mentor aansluiting heeft gezocht bij de vergoedingswijze zoals deze is opgenomen in voormelde ‘aanbevelingen meerderjarigenbewind’ van het LOK. In de lijn van de ‘aanbevelingen meerderjarigenbewind’ heeft de kantonrechter tot uitgangspunt genomen dat voor gewone werkzaamheden een maximale vergoeding per jaar kan worden vastgesteld van € 972,82 inclusief btw, gebaseerd op gemiddeld 15 uur per jaar (tarief 2004). Het hof gaat er vanuit, eveneens in de lijn van de ‘aanbevelingen meerderjarigenbewind’, dat de door de kantonrechter in aanmerking genomen maximale forfaitaire vergoeding jaarlijks kan worden gevraagd, ongeacht het aantal uren dat aan het mentorschap wordt besteed, waarbij de achterliggende gedachte is dat de eenvoudige zaken mede de lasten van de meeromvattende zaken dragen. In het onderhavige mentorschap heeft [A.] verzocht 6,5 uur aan werkzaamheden vast te stellen -hetgeen haar vrijstond-, waarin de kantonrechter haar heeft gevolgd, met de overweging dat die vergoeding beneden de maximaal vast te stellen vergoeding voor gewone werkzaamheden blijft en om die reden kan worden toegewezen. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken van bijzonderheden die buiten het takenpakket van een mentor vallen. Voorts is de kantonrechter naar het oordeel van het hof terecht niet overgegaan tot het ambtshalve toekennen van meer uren dan door [A.] was verzocht. Nu het gedeclareerde bedrag inclusief kosten echter lager is dan het maximale forfaitair toe te kennen bedrag is het hof in afwijking van de kantonrechter van oordeel dat de verzochte kostenvergoeding dient te worden toegekend. De beschikking waarvan beroep zal derhalve worden bekrachtigd behoudens voorzover daarbij de verzochte vergoeding van kosten is afgewezen. Die kostenvergoeding zal alsnog worden toegekend.

4.12. Het hof merkt nog op dat het gelet op de taak van de kantonrechter als toezichthouder op de uitvoering van het mentorschap en het feit dat in het kader van de beloning een mentor tevens acht dient te worden geslagen op de draagkracht van de betrokkene, het verzoek van de kantonrechter aan [A.] om een jaarlijkse begroting van werkzaamheden en kosten vooraf over te leggen gerechtvaardigd is en passend bij een behoorlijke taakuitoefening. Een dergelijke begroting betreft een schatting van de te verrichten werkzaamheden die onder normale omstandigheden in een komend jaar zullen worden verricht, die kan worden aangepast zodra er zich een onverwachte omstandigheden voordoen. Het vooraf verlangen van een begroting is niet in strijd met de wet en [A.] heeft niet althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het vooraf overleggen van een jaarlijkse begroting onwerkbaar, onredelijk of in strijd met het karakter van het mentorschap zou zijn.

4.13. Op grond van het voorgaande zal de bestreden beschikking worden bekrachtigd. Het verzoek te bepalen dat de kosten van het hoger beroep ten laste van de Nederlandse Staat komen, zal worden afgewezen. Daarvoor bestaat geen wettelijke basis. [A.] dient haar eigen proceskosten te dragen.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, behoudens voorzover daarbij de verzochte vergoeding van kosten is afgewezen en stelt deze vergoeding vast op een bedrag van € 45,=;

bepaalt dat de kosten van dit hoger beroep door [A.] zelf dienen te worden gedragen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Grapperhaus en Goyaerts en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 27 juni 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.