Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2006:AY3878

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-06-2006
Datum publicatie
13-07-2006
Zaaknummer
R200600667
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beloning bewindvoerder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HK

27 juni 2006

Rekestenkamer

Rekestnummer R200600667

GERECHTSHOF ’S-HERTOGENBOSCH

Beschikking

In de zaak in hoger beroep van:

[Appellante]

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna: [A.],

procureur mr. A.M.H.C. Coppens.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking ‘machtiging inzake onderbewindstelling’ van de rechtbank Roermond, sector kanton, locatie Roermond van 3 november 2005 (zaaknummer 152941/RV 05-1297).

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij beroepschrift, dat is ingekomen ter griffie op 2 februari 2006 en dat tevens is gericht tegen een groot aantal andere beschikkingen van de kantonrechter in Roermond, heeft [A.] verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog de door haar in eerste aanleg verzochte additionele vergoeding en kosten uit hoofde van persoonlijke zorg en extra werkzaamheden van in totaal € 357,85 vast te stellen, althans zodanig te beslissen als het hof in goede justitie juist acht.

2.2. Op 20 april 2006 heeft de mondelinge behandeling van het beroepschrift plaatsgevonden. [A.] is bij die gelegenheid niet zelf verschenen. Zij heeft zich laten vertegenwoordigen door:

-de heer mr. P.J.L. Tacx, advocaat;

-de heer T.G. Jacobs, werkzaam bij haar bewindvoeringskantoor.

2.3. Het hof heeft voorts kennis genomen van de inhoud van de ter zitting in hoger beroep overgelegde pleitnotitie.

3. De gronden van het hoger beroep

Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift.

4. De beoordeling

4.1. De beschikking waarvan beroep wordt door het hof aangemerkt als een administratieve beslissing. Het hof heeft afgezien van het oproepen en doen horen van de onder bewind gestelde (vgl. HR 19 januari 1990, NJ 1991/213).

4.2. Ingevolge artikel 332 lid 1 Rv staat – kort gezegd - tegen een in eerste aanleg (in een dagvaardingsprocedure) gewezen vonnis hoger beroep open tenzij de vordering waarover de rechter had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,-. Een overeenkomstige beperking van de appellabiliteit wordt niet gemaakt ten aanzien van beschikking op een verzoekschrift. Het hoger beroep is mitsdien ontvankelijk.

4.3. Het gaat in dit hoger beroep om het volgende.

4.4. [A.] exploiteert een professioneel bewindvoeringskantoor, dat is aangesloten bij de branchevereniging van professioneel bewindvoerders en inkomensbeheerders (BPBI). Uit de stukken is gebleken dat zij regelmatig wordt benoemd tot curatrice in een curatelebewind en tot bewindvoerster en/of mentrix in een meerderjarigenbewind en/of mentorschap.

4.5. In de onderhavige procedure heeft [A.] zich tot de kantonrechter gewend met het verzoek een extra vergoeding vast te stellen van € 357,85 voor door haar verrichte werkzaamheden in het kader van het bewind over het vermogen van [X.] over het jaar 2004. Bij de bestreden beschikking is het verzoek afgewezen.

4.6. Het hof stelt vast dat de kantonrechter bij de beoordeling van het verzoek om een extra vergoeding aansluiting heeft gezocht bij de ‘aanbevelingen meerderjarigenbewind’ van het Landelijk Overleg Kantonsectorvoorzitters (hierna: LOK), gepubliceerd op 1 juni 2004. In deze aanbevelingen wordt terzake de beloning voor professionele bij de branche aangesloten bewindvoerders onderscheid gemaakt tussen werkzaamheden die wel en niet tot het gewone takenpakket van de bewindvoerder behoren. Voor gewone werkzaamheden kan volgens de aanbevelingen een maximale jaarbeloning inclusief kosten worden vastgesteld van € 972,82 inclusief btw (15 x € 54,50 + 19% btw, tarief 2004), waarbij er vanuit wordt gegaan dat in een bewindvoering aan gewone werkzaamheden gemiddeld 15 uur per jaar wordt besteed. Deze maximale vergoeding voor gewone werkzaamheden kan volgens de aanbevelingen in beginsel jaarlijks worden gevraagd, ongeacht het aantal aan het bewind bestede uren. Het betreft derhalve een forfaitair bedrag, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de eenvoudige bewinden mede de lasten van ingewikkelder bewinden dragen. Het staat bewindvoerders echter vrij om minder uren te declareren. In de aanbevelingen is een -niet limitatieve- lijst opgenomen van werkzaamheden die wel en werkzaamheden die niet worden geacht tot de gewone taken van de bewindvoerder te behoren.

Voor extra werkzaamheden, die niet tot de gewone werkzaamheden van een bewindvoerder worden gerekend, dient volgens de aanbeveling vooraf machtiging te worden gevraagd aan de kantonrechter en voor deze extra werkzaamheden geldt alsdan een uurloon van € 54,50 ( tarief 2004).

4.7. [A.] heeft geen bezwaren naar voren gebracht tegen het feit dat de kantonrechter in de onderhavige zaak de ‘aanbevelingen meerderjarigenbewind’ van het LOK tot uitgangspunt heeft genomen. Ook artikel 1:447 lid 1 BW verzet zich er niet tegen dat de kantonrechter die aanbevelingen als uitgangspunt hanteert.

4.8. Het hof is van oordeel dat niet althans onvoldoende is gebleken dat de werkzaamheden waarvoor [A.] een extra vergoeding heeft verzocht niet tot de gewone bij het bewind behorende taken behoren. Op de door haar bij het verzoek in eerste aanleg ingediende declaratie worden de gestelde extra verrichte werkzaamheden en daarbij gemaakte kosten vermeld. Het betreft twee bezoeken aan betrokkene (4 uur), het controleren van de erfenis en het opstellen van een brief aan de notaris (samen 1 uur), alsmede daarmee verband houdende porto-, en reiskosten. In haar beroepschrift heeft [A.] aangevoerd dat de gedeclareerde werkzaamheden en kosten betrekking hebben op de afwikkeling van een nalatenschap en het opstellen van een zorgplan. In de ‘aanbevelingen meerderjarigenbewind’ van het LOK worden werkzaamheden die verband houden met een ingewikkelde nalatenschap niet tot de gewone werkzaamheden worden gerekend. Mede gelet op het feit dat [A.] te dier zake 1 uur heeft gedeclareerd, gaat het hof er vanuit dat in casu geen sprake is geweest van een ingewikkelde nalatenschap. [A.] heeft voorts niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de overige gedeclareerde werkzaamheden zodanig bijzonder of meeromvattend zijn geweest dat deze redelijkerwijs niet tot de gewone bij het bewind behorende werkzaamheden behoren. Zo wordt in de aanbevelingen vermeld dat regelmatig contact met de rechthebbende tot de gewone werkzaamheden van een bewindvoerder behoren. Het enkele feit dat in andere zaken bepaalde werkzaamheden wel als extra werkzaamheden worden gerekend leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat omtrent de precieze inhoud van die werkzaamheden onvoldoende is komen vast te staan.

4.9. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de vergoeding voor de gedeclareerde werkzaamheden geacht worden te zijn begrepen in de maximale forfaitaire vergoeding voor gewone werkzaamheden van een bewindvoerder en ziet het hof geen aanleiding een extra vergoeding vast te stellen. De bestreden beschikking zal derhalve worden bekrachtigd.

4.10. Het verzoek te bepalen dat de kosten van het hoger beroep ten laste van de Nederlandse Staat komen, zal worden afgewezen. Daarvoor bestaat geen wettelijke basis. [A.] dient haar eigen proceskosten te dragen.

5. De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep;

bepaalt dat de kosten van dit hoger beroep door [A.] zelf dienen te worden gedragen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Den Hartog Jager, Grapperhaus en Goyaerts en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 27 juni 2006 in tegenwoordigheid van de griffier.